honderdachtenzeventigste jaargang

 

Lees De Gids online

Via Blendle 

Download digitaal 

Word abonnee  

In 1974, nog voordat hij zelf iets had gepubliceerd, schreef Frans Kellendonk aan een vriend die op het punt stond redacteur vertaalde literatuur te worden dat hij in zijn nieuwe baan direct medeverantwoordelijk werd voor de kwaliteit van de menselijkheid. Want, zo schreef Kellendonk, ‘literatuur is datgene wat ’s mensen menselijkheid het indringendste vormt’. Inmiddels zijn we veertig jaar verder en zijn dergelijke grote woorden ongebruikelijk geworden als het gaat om de plaats en betekenis van literatuur. Niettemin is het goed zo nu en dan aan zulke compromisloze toewijding te worden herinnerd. Lees de bijdrage van Daniël Rovers aan dit nummer. 

Een nummer waarin zoals gebruikelijk alle genres zijn vertegenwoordigd: nieuwe verhalen, buitenlandse literatuur, poëzie, beschouwend proza – en een vervolg op het stuk van Yra van Dijk en Merlijn Olnon over ‘radicaal relationisme’ in onze vorige editie, waarin zij de jongste lichting schrijvers onder de loep namen en daarbij tot andere conclusies kwamen dan criticus en schrijver Joost de Vries eerder in zijn essay ‘Huisgenoten’ had getrokken. In dit nummer dient hij ze van repliek. 

En verder: Katja Petrowskaja over haar debuutroman ‘Misschien Esther’; Thomas Mann op de ontleedtafel; Verhalen van Charles D’Ambrosio, Johanna Geels en Lize Spit; Poëzie van Maarten Inghels en Froukje van der Ploeg