Lopende zaken 2021

DIG verhaal

De tuinman

Falun Ellie Koos

Hij strekte zijn stramme vingers en nam de honderd meter tuinslang van diens zelfgeknutselde plastic houder. De opgerolde meters vielen zwaar op zijn onderarm, het opgedroogde zand dat nog aan de slang plakte van de dag ervoor wreef korrelig tegen zijn huid. Hij hees de slang op zijn schouders en rolde de slang, terwijl hij over het terrein liep, langzaam af door steeds een stuk van zijn schouder en op de grond te kwakken, daarbij goed oplettend dat er geen knopen of vouwen in de slang ontstonden, daardoor kon de slang gaan scheuren. Bij zorgvuldig gebruik kon een tuinslang decennia mee.

Hij rolde langs hagen, struiken, fruitbomen, groene planten, rode, paarse, gele, blauwe bloemen. De slang was lang genoeg om het hele terrein van water te voorzien: van helemaal achterin bij het tentenveld waar de kraan stond (fruitbomen); naar het pad langs de tien stacaravans (hoge hagen die de stacaravans aan het oog onttrokken en zo iedere caravan in een klein vierkantje opsloten); even rechts afslaan in het midden naar de speeltuin en kinderboerderij (een schommel, een hangmat en een omheinde geit. Veel groene planten); weer terug naar het caravan pad en afslaan bij zijn eigen tuintje bij de voorste caravan van links (geen water voor de andere tuintjes, dat was de bewoners’ eigen verantwoordelijkheid); dan door naar de snackbar en de receptie (bloemenperken, de muren begroeid met klimop).

De meeste namen van de planten kende hij niet, hij wist alleen dat ze water moesten. Iedere dag. Hij deed dit iedere ochtend, elke dag, al negenendertig jaar van zijn achtenzestigjarige bestaan. Hij onderhield het groen op het terrein en woonde met korting in één van de stacaravans. Door de jaren heen was de clientèle van de camping langzaam veranderd van vakantiegangers naar mensen die een goedkope woonplek zochten: gepensioneerden, invaliden, immigranten. Maar de tuinman was al zo gewend aan de anonimiteit die zijn permanente staat ten opzichte van de tijdelijkheid van de andere bewoners hem gaf, dat hij om ze heen bewoog als rook en gezichten die hij al vijftien jaar dagelijks zag nauwelijks registreerde.

Ondanks de vroege ochtend stond het zweet al op de tuinman zijn rug, het kwam door zijn geruite overhemd zetten. Hij had het al zijn hele leven heel snel veel te warm. Hij bracht zijn nachten woelend en badend in het zweet door op zijn één meter veertig matras, nog altijd op zijn eigen helft ook al had hij al jaren de ruimte.

Vroeger begonnen ze de nacht altijd samen, masturbeerden met de voorhoofden tegen elkaar. Daarna kroop de tuinman tegen haar rug met zijn neus in haar nek, zijn linkerhand om haar rechterborst en later zijn vuist in de zachte holte waar de borst had gezeten. Zo dommelden ze samen in en uit bewustzijn tot haar lijf oncomfortabel heet tegen het zijne plakte. Dan rolde hij naar zijn eigen helft waar hij zich vrij kon uitstrekken en die nieuw en fris aanvoelde. Voor hij weer te zweterig werd viel hij op de koelte van zijn eigen kussen in slaap.

Nu hij alleen sliep kon hij niet aan zijn eigen verstikkende hitte ontkomen en omrollen naar de kuilen van haar lijf was ondenkbaar. Hij liet de kat op het bed, wat van zijn vrouw nooit had gemogen, het beest vormde een bolletje vlak onder het hoofdkussen. Als hij al sliep dan had hij dit niet door, de nacht leek een eindeloze aaneenschakeling van gedraai en gepieker. Hij stond bij het eerste gloren van de ochtend op en probeerde het bestaan van de klamme, gestorven slaapkamer te vergeten.

Wanneer hij de slang helemaal over het terrein had uitgerold moest hij het hele eind terug lopen naar de kraan op het tentenveld, die opendraaien en op een drafje weer terug naar de bloemperken voor de receptie waar hij het uiteinde van de slang had laten vallen. Daar begon hij dan met water geven. Inmiddels droop zijn gezicht van het zweet en gleden zijn voeten in zijn slippers.

Gelukkig was het watergeven zelf een ontspannen karwei, waarbij hij alleen hoefde te staan en richten. Het uiteinde van de slang was gewoon een gat, waar een dikke straal uitspoot en in een lome boog op de grond kletterde. Met zijn duim over het gat kon hij sturen hoe hard en hoe ver de straal ging en een soort verstuivingseffect creëren. Iedere ochtend stond bij dezelfde druivenplant de zon net zo dat hij wanneer hij de waterstraal de goede kant op spoot een regenboog kon maken. Iedere keer hoorde hij dan in zijn hoofd het hoge stemmetje van de jongen die ooit verbaasd tegen zijn moeder riep: ‘kijk! ze stoppen hier regenbogen in het water!’

De jongen had in zijn herinnering geen gezicht. Hij probeerde het niet meer te vinden, nam genoegen met het stemmetje en de flaporen. Ook zonder toeschouwers maakte hij elke dag een regenboog en keek er naar terwijl de druivenplant verzoop.

Een bewoner van het park die net een pak koffie en een zak met tien witte bolletjes bij de receptie had gekocht bezag het deze ochtend van een afstand: de oude, afstandelijke tuinman die speelde met zijn waterslang terwijl hij een groot deel van de planten verstrooid oversloeg. Wat er van hem overbleef kronkelde tussen de verdorde planten als een bloeiende, haperende lijn over het terrein.

De tuinman merkte zijn toeschouwer op en stak zijn hand op ter begroeting. Hij besteedde wat minder aandacht aan de fruitbomen dan normaal en liep door, hij hield er niet van om tijdens zijn werk bekeken te worden. Zo besproeide hij op een langzaam tempo de planten. Er gebeurde verder weinig bijzonders. In de kinderboerderij mekkerde de geit naar hem, hij mekkerde terug. Bij de zonnebloemen bleef hij wat langer staan, dit waren de lievelingsbloemen van zijn vrouw. Hij streek over het zadenveld van een bloem met de rug van zijn hand, met zijn duim over een geel fluweel bloemblad. Hij moest het watergeven vijf keer onderbreken om te plassen. Hij liet de slang dan gewoon lopen bij een plant die het wel kon hebben en zocht een beschut plekje achter een heg. Het hele terrein bewateren nam ongeveer twee uur in beslag.



Toen hij klaar was rolde hij de lange slang weer terug en waste het zand van zijn handen. Vervolgens liep hij terug naar zijn eigen caravan, waar hij verwachtte zijn bejaarde poes Pien op het boomstamkrukje naast de voordeur te zien. De afspraak tussen hem en de kat was namelijk dat hij haar elke ochtend na het planten watergeven haar vlees gaf, dus zat ze daar altijd al op hem te wachten en draaide achtjes om zijn benen terwijl hij haar eten in een bakje schoof.

Maar ze zat er niet. Een paar weken geleden was ze namelijk gestopt met eten, ze haalde haar neus op voor haar vlees en het verpieterde tot de tuinman het bezorgd in de prullenbak kieperde. De kleine slanke Pien werd steeds magerder.

Van de dierenarts had de tuinman zakjes aansterkvoeding gekregen en een spuit waarmee hij het voer in Piens bek moest spuiten. Daarvoor moest hij haar tussen zijn benen klemmen en haar bek met zijn ene hand open wrikken terwijl hij met de andere hand de spuit in haar bek probeerde te krijgen.

Dat was het nieuwe ritueel: Pien die zich met klauw en bek verzette terwijl de tuinman ‘sorry sorry sorry’ fluisterde en de gevulde spuit deels in haar bek maar grotendeels op het tapijt, zijn kleding, en haar vacht leegspoot. Zijn armen zaten inmiddels onder de vurige, kloppende krassen.

Telkens als hij zijn tuintje in liep en Pien niet op het stammetje zag zitten was hij een moment in de war voordat de beelden van de dierenarts, de spuit en de grommende kat weer naar de oppervlakte van zijn geest dreven. Net zoals wanneer hij ‘s ochtends in bed lag: na het ontwaken maar voor de intrede van gedachten of het openslaan van zijn ogen was er een moment waarin hij de warmte van zijn vrouw naast zich in bed kon voelen.

Hij wreef over de krassen op zijn arm en ging zijn caravan in. Hij maakte lokkende geluidjes met een hoge, krakende stem. De kamer bleef donker en stil en leeg. Hij hurkte bij zijn bank, keek eronder. Daar blonken Piens ogen in het donker, hij strekte zijn arm naar haar uit. Pien gromde klein en waarschuwend.

Hij had haar ooit als een scharminkel van een kitten in zijn borstzak gestopt, haar vervoerd van de boerderij naar de camping terwijl ze schril tegen hem miauwde vanuit zijn zak, haar grote ogen gebrand op zijn gezicht. Hij kon zich nog altijd het gevoel van dat kwetsbare lijfje tegen zijn borst voor de geest halen, en zijn verlangen om haar gerust te stellen, haar te vertellen dat hij haar naar haar nieuwe moeder bracht. Toen hij thuiskwam had hij gedaan of zijn neus bloedde toen zijn vrouw vroeg wat dat gepiep toch was. Met gespeelde verbazing had hij Pien uit zijn zak gevist (‘hè? waar kom jij nou vandaan?’) en in het kommetje van de handen van zijn vrouw gelegd, die om Piens kleine, fragiele trillen moest huilen. Ze had haar hoofddoek niet om en haar kale hoofd glom samen met haar betraande wangen in de zon.

De tuinman ging op zijn buik naast de bank liggen, zijn wang op de grond, hij maakte hese, lokkende geluidjes naar Pien maar die bleef twee wantrouwende, glimmende ogen in het donker. Een traan kriebelde langs zijn wang, over zijn neusbrug het tapijt in. Hij wilde haar magere lijfje tegen zich aandrukken, het opgedroogde vlees uit haar vacht plukken. Hij wilde nooit meer het spastische spartelen van haar tere lijf in zijn armen. Hij wilde dat ze weer rustig zou ronken tegen zijn borst. Hij bleef liggen op zijn buik, zijn wang op het tapijt, Pien buiten zijn bereik. Haar ogen gleden langzaam dicht.

Falun Ellie Koos schrijft proza, scenario's en maakt films. Falun studeerde af in Writing for Performance aan de HKU. Hun korte film De Vloer is Lava werd genomineerd voor Rialto for short. Momenteel werkt Falun aan hun debuutroman.

Meer van deze auteur