Wie filosofeert over het menselijk handelen streeft niet naar de juiste gedachte, maar naar de juiste daad. Dat neemt Aristoteles als uitgangspunt van zijn Nicomacheïsche ethiek. Praktische filosofie heeft niet als doel erachter te komen hoe de mens werkt en wat goed zou zijn, maar dat goede ook te doen. Dit voorschrift van Aristoteles is actueel: kennis over hoe mensen werken is niet zozeer van waarde als wetenschappelijk curiosum, als wel als hulpmiddel bij het mogelijk maken van betere zorg, zinniger onderwijs en in het algemeen: waardevollere levens.

Ook de psychiatrie en de omvangrijke literatuur over psychische problemen zou je tot deze praktische filosofie kunnen rekenen. Slagen twee recent verschenen boeken over psychisch leed erin een piekerige zoektocht naar kennis te overstijgen en een bijdrage te leveren aan een beter leven? Beide eigenzinnige, succesvolle, maar gekwelde auteurs doen in hun boek een poging hun toestand beter te begrijpen, niet zonder de hoop er zo beter mee te kunnen leven en dat ook voor anderen mogelijk te maken.

In Mijn tijdperk van de angst schrijft Scott Stossel over zijn levenslange ervaring met angststoornissen, vermijding en afhankelijkheid. Tegelijkertijd biedt hij een toegankelijk en breed overzicht van de wetenschappelijke en therapeutische stand van zaken rond angst en talloze anekdotes rond deze universele en toch vreemde emotie. In Filosofie van de waanzin doet Wouter Kusters een ambitieuze poging psychose te begrijpen door middel van filosofie én de filosofie te verrijken met inzichten uit de waanzin. Kusters ervoer zijn eigen psychoses als vreemd en angstwekkend, maar ook als hoopvol.

Angst

Als kleuter sloeg Scott Stossel urenlang huilend met zijn hoofd op de grond. Toen hij ouder werd vreesde hij elke dag dat zijn ouders niet thuis zouden komen omdat hun iets vreselijks was overkomen. Eerste schooldagen, sportles en eerste dates boezemden hem zo veel vrees in dat hij maakte dat hij wegkwam. Zijn leven lang is hij zonder aanwijsbare aanleiding bang om te braken, heeft hij last van zijn ingewanden en ziet hij alles wat ook maar in de verste verte mis kan gaan – en volgens hem is dat alles – met angst en zorg tegemoet. Bijna iedereen kent angst en schrik, veel mensen kennen ook het verlangen om door adequate voorbereidingen gevaren uit de weg te gaan, maar het is veel zeldzamer dat iemands leven bepaald raakt door angst en pogingen om het angstwekkende te beheersen. Die mensen hebben een angststoornis en Scott Stossel is onder hen een bijzonder ernstig geval. Ondanks deze zware handicap werd hij een succesvol en aimabel journalist, hij trouwde en kreeg twee kinderen. In zijn volwassen leven wist hij, tot hij zijn boek schreef, voor bijna iedereen behalve zijn vrouw de hevige angst waar hij elke dag aan lijdt, te verbergen.

Stossels boek is een geïntegreerd en toegankelijk vertoog van persoonlijke ervaringen en sterke verhalen, gecombineerd met een overzicht van de wetenschappelijke stand van zaken en therapeutische benaderingen van angst. Stossels interesse is alomvattend en onbevooroordeeld. Zijn boek is het levendige verslag van iemand die werkelijk alles over angst wil ontdekken wat er maar te weten of te speculeren valt, gedreven door de onwil te berusten in zijn eigen angst. Ongehinderd door elkaar tegensprekende theorieën slaat hij enthousiast alle wegen in.

Zo vertelt Stossel hoe hij een psychiater, die hij de bijnaam ‘dokter Harvard’ geeft, bezoekt. Al snel overtuigt dokter Harvard Stossel ervan dat zijn angst een chemisch probleem is en dat hij zijn schaamte om afhankelijk te zijn van medicatie beter aan de kant kan schuiven. Zijn toestand verbetert enigszins onder invloed van kalmerende middelen en antidepressiva. De psychiater heeft echter weinig tijd voor hem en is niet al te empathisch. Elders vindt Stossel een cognitieve gedragstherapeut die hij ‘dokter Stanford’noemt. Even snel overtuigt dokter Stanfordhem van iets tegenovergestelds: dat hij met medicijnen de angst onderdrukt die hij juist onder ogen moet zien. Medicijnen houden hem ziek, en leiden zijn aandacht af van een angst die ondertussen blijft bestaan en zijn leven blijft beheersen. Zo moddert hij voort, nu eens zijn hoop op de ene behandeling vestigend, dan weer op de andere – maar niets helpt.

Opvallend is, zoals hij zelf toegeeft, dat hij beide dokters in het ongewisse laat over het bestaan van de ander – hij is bang dat ze dat weleens niet zo leuk zouden kunnen vinden. Angst hindert Stossel niet alleen bij het maken van een transatlantische vlucht of het houden van een toespraak, maar ook bij het helder en volledig aankaarten van zijn problemen bij de dokters die hem zouden moeten helpen. Zijn bekentenis dat zijn huidige psychotherapeut bij hem een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis heeft geconstateerd wekt geen verwondering: hij gelooft niet dat hij zelf in staat is doeltreffend te handelen en voor zichzelf te zorgen, ook al doet hij dat regelmatig. Door zijn overtuiging dat verbetering van zijn toestand door pillen zou kunnen komen, door de empathie van dokters, door de goede zorgen van zijn vrouw, laat hij ruimte over om zichzelf nog steeds als een angstig hoopje ellende te karakteriseren dat slechts af en toe door gelukkige omstandigheden wordt gered. Met hartverscheurende openheid beschrijft Stossel wat Freud met koele distantie al honderd jaar terug constateerde: de neuroticus klampt zich vast aan zijn eigen ziekte.

Stossels overzicht van de verklaringen voor angst kenmerkt zich soms door een wel erg weifelende opstelling. Na een gedetailleerd en boeiend verslag over zijn familie en zijn ouders, die door angst, depressie en pessimisme gekweld werden, concludeert hij dat het ook weleens zo zou kunnen zijn dat zijn familieachtergrond niets te maken heeft met zijn angststoornissen. Maar de feiten over Stossels familie liegen er niet om. Levenslang verkeerde hij tussen angstige en onzekere familieleden en klampte hij zich aan hen vast in de hoop op steun die ze hem niet konden bieden. Onweerlegbaar bewijs voor een verband tussen deze geschiedenis en zijn huidige toestand is er niet. Toch zal bijna elke lezer na zo’n verhaal wel enigszins overtuigd zijn van een verband.

Gaandeweg krijg je de indruk dat er nog iets anders aan de hand is. Wat echt ontbreekt in Stossels leven is het vermogen om ergens een knoop over door te hakken. Zoals hij niet kan kiezen tussen zijn dokters, zo laat hij ook alle theorieën naast elkaar bestaan. Zijn neurotische twijfel is ook in zijn tekst doorgedrongen en verhult zich in wetenschappelijke scepsis. Aristoteles’ aansporing dat denken tot actie moet leiden is voor Stossel erg moeilijk ter harte te nemen.

Toch doet hij het uiterste wat binnen zijn mogelijkheden ligt. Stossels boek is ontwapenend door zijn openheid en bevat een rijkdom aan kennis. Hij kan goed vertellen en weet welke verhalen aanspreken. Dat maakt zijn boek een genot om te lezen. Iedereen kent angst, maar niet iedereen reageert er met dapperheid en vechtlust op. Stossel geeft genoeg voorbeelden van hoe dit wel kan. De lezer van Stossels boek zal zich hoogstwaarschijnlijk realiseren hoeveel minder angst hij kent dan Stossel. En misschien ook hoeveel baat hij zou hebben bij slechts een fractie van diens doorzettingsvermogen.

Psychose

Je zou kunnen denken dat psychose, net als angst, een hindernis is bij het leiden van een goed leven en het samenleven met anderen. Wouter Kusters houdt ons in Filosofie van de waanzin voor dat het ook weleens omgekeerd zou kunnen zijn: het is de nuchtere samenleving die een obstakel vormt, door te weigeren de psychoticus te begrijpen en zijn inzichten en levenswijze te omarmen en de ruimte te bieden.

In de psychiatrie wordt een psychoticus gedefinieerd als iemand die onwankelbare onware overtuigingen heeft en dingen ziet die er niet zijn. Schizofrenie is de aandoening van mensen die lijden aan herhaalde psychoses en andere symptomen zoals sociale terugtrekking, verward gedrag en catatonie: tijdelijk onvermogen op welke prikkel dan ook te reageren. Vrijwel alle psychiaters zien schizofrenie als een onbegrijpelijke en zeer beperkende ziekte die niet genezen kan worden en slechts met medicijnen en opnames beheerst kan worden.

Maar er bestaan genuanceerdere benaderingen. Marguerite Sechehaye, een Zwitserse psychoanalytica, bracht jaren intensief tijd door met een jonge vrouw die aan schizofrenie leed en probeerde zich in haar in te leven en vanuit haar belevingswereld met haar in contact te treden. Jules Tielens, de Amsterdamse psychiater die zijn eigen kliniek voor psychotische patiënten opzette, schreef een boek waarin hij pleit voor contact met de psychoticus in zijn waanzinnige toestand, Praten met psychose. Maar zelfs Tielens stelt dat de schizofreen lijdt aan een ziekte waarvan hij zelf het bestaan weigert te onderkennen. Hij is ervan overtuigd dat hij de wereld ziet zoals hij werkelijk is en dat anderen het bij het verkeerde eind hebben.

Kusters gaat een stuk verder dan deze psychiaters. Hij stelt dat filosofen altijd al eigenaardige denkbeelden serieus hebben overwogen. Zo is een persistente vraag in de filosofie of andere mensen en de wereld wel bestaan en of alles niet slechts een creatie is van de eigen geest. De psychiatrie karakteriseert deze gedachtegang als een waan. Maar in de filosofie is Descartes nooit als een gek beschouwd omdat hij hierover dacht en wordt dezelfde gedachtegang het probleem van het solipsisme genoemd. Wat is dan het verschil?

Een conventioneel antwoord zou zijn: De filosoof overweegt deze gedachte slechts op zoek naar sluitend bewijs voor het tegendeel. In zijn dagelijks handelen blijkt nooit dat hij twijfelt aan het bestaan van de bakker of het brood dat hij bij hem koopt. Terwijl de waanzinnige er echt van overtuigd is dat de wereld en andere mensen niet bestaan. Kusters draait het om: hij stelt dat de academische filosoof slechts uit amateurisme peinst over deze vragen, terwijl ze voor de waanzinnige van acuut en overheersend belang zijn. Waanzinnigen zijn de echte filosofen en naar hen moeten we luisteren als we ons met wezenlijke vragen over de wereld willen bezighouden.

Er is veel sympathieks aan Kusters’ these. Als filosofen inderdaad er al duizenden jaren slechts met de grootste moeite in slagen het solipsisme te ontkrachten, wordt het eerder verbazingwekkend dat de meeste mensen geen last hebben van kwellende twijfel over het bestaan van alles, dan dat waanzinnigen daar hevig mee worstelen. Kennis van filosofie kweekt geduld voor andersdenkenden en zoals empathische behandelaars in de geestelijke gezondheidszorg weten, is geduld altijd heilzaam: de vraag is niet of je het moet opbrengen, maar hoe.

Hier vervult filosofie weer de bescheiden maar doeltreffende functie die Aristoteles eraan toedicht. Kusters’ boek bevat een aantal stukken waarin hij zijn eigen psychotische ervaringen en die van anderen onder woorden brengt. Die stukken dragen bij aan begrip voor wat de psychoticus van binnen meemaakt, wanneer hij van buiten bewegingsloos is, of juist onbegrijpelijk oreert. Zo mijmert Kusters op een keer:

‘Nu ik met de auto een stukje door de stad rijd, ontsnapt me bijna een vloek van blijdschap, maar die houd ik opzettelijk in. Ik begrijp Het, het is een openbaring. Iedere gedachte die binnen in mij opkomt, bestaat, net zoals buiten alle dingen bestaan, en al dit bestaande is in harmonie.’

Twee dingen worden duidelijk. Ten eerste zijn Kusters’ gedachten misschien eigenaardig, maar niet geheel onbegrijpelijk. Het is eigenaardig opeens te voelen dat alles zou samenhangen en waarom voel je opeens acuut het bestaan van alles? Maar volkomen Chinees is het ook niet. Het zijn mensengedachten die misschien wat op hol zijn geslagen.

Ten tweede is de waanzinnige gedachtegang plezierig. Kusters vloekt van blijdschap. Psychiaters hoor je niet vaak over zulk plezier. Kusters benadrukt keer op keer dat aan de waanzin plezierige, nuttige en prettige ervaringen en gedachtes gekoppeld zijn – zoals mensen die niet psychotisch zijn die wellicht kennen uit een drugstrip of een vorm van spirituele vervoering.

Ervaringen

Elders schrijft Kusters: ‘Dit hele hoofdstuk, zo niet dit hele boek, is een poging om in woorden te vatten WAT JE DAAR DAN ZIET.’ (p. 288) Toch blijft het in zijn boek niet bij deze bescheiden poging tot illustratie. Kusters wil uit de gedachten van waanzinnigen ook conclusies trekken over hoe de wereld in elkaar zit.

Hier kampt Kusters’ boek met twee aanzienlijke gebreken. Ten eerste is zijn stijl warrig en inadequaat. Kusters wijst constant vooruit en achteruit, in plaats van één keer goed uit te leggen waar hij over spreekt. Zijn hoofdstukken zijn langdradig en worden gekenmerkt door de bespreking van de ene filosofische auteur na de andere, met een zwalkende koers tot gevolg. Hele stukken hadden ingedikt kunnen worden tot een korter, kernachtiger en waardevoller betoog.

Het tweede gebrek van Kusters’ werk ligt in de spanning tussen filosofie en eigenaardige, mystieke, persoonlijke of religieuze ervaringen. Hoewel er vast vele bijzondere gevoelens en ervaringen bestaan, zijn die moeilijk in de exacte taal van de filosoof op anderen over te brengen. Een filosoof probeert ware woorden te spreken over datgene wat er is. Op het gebied van privé-ervaringen is dit onmogelijk. Het gebruiken van woorden impliceert immers dat anderen die kunnen begrijpen en dat ze voor jou en mij op hetzelfde duiden. Waar dit niet meer mogelijk is, zwijgt de filosofie.

We kunnen taal hanteren om vragen te stellen, iets mee te delen of ons te uiten – in een wollige prozatekst, in een vrije associatiestroom, of door middel van een verhaal of gedicht. Op al deze manieren roepen we ervaringen op. Maar met exact duiden van wat een ervaring is, zijn filosofen niet ver gekomen. Wittgenstein stelde herhaaldelijk dat woorden tekortschieten voor het mysterie. Een filosofische tekst kan ons niet vertellen wat een psychoticus meemaakt. Andere genres zijn daarvoor geschikter.

Bovendien heeft een filosofische tekst een ander doel. Waar een waanzinnige simpelweg baadt in verwondering, stelt de filosoof zich een zwaardere opgave. Hij probeert in begrijpelijke woorden iets over te brengen over vragen die iedereen kan bedenken, maar waarover nog niet iedereen heldere inzichten heeft gehad. Door minutieuze studie, discipline en zorgvuldig taalgebruik kan de filosoof dat wel. De filosoof probeert iets te zeggen waar iedereen redelijkerwijs mee zou moeten instemmen, om waar mogelijk wat verder te komen dan totale verwarring, en waar niet mogelijk te onderkennen dat dat niet gelukt is.

Deze filosofische rigueur ontbreekt in Kusters’ tekst. Hij beschrijft bijvoorbeeld de waangedachte dat er helemaal niets is. Dit illustreert hij aan de hand van een kind dat zegt dat het ‘met zonder jas’ de deur uit gaat (p. 412-413). Kusters wil ons graag bekend maken met deze bewuste ervaring van iets wat er niet is. Maar hij laat ons in verwarring achter, omdat hij verzuimt onderscheid te maken tussen in taal formuleren dat iets afwezig is, in de wereld constateren dat iets er niet is, en overmand zijn door een eigenaardig en dwingend gevoel dat alles er niet zou zijn. De filosofie zou zich juist nuttig kunnen maken door te onderscheiden welke verwarring uit wollig taalgebruik voortkomt, en welke uit de eigenaardigheid van onze ervaring. Kusters slaagt daar niet in.

Het zou goed zijn als de geestelijke gezondheidszorg geduld heeft voor mensen met verwarde redeneringen en fantastische denkbeelden. Maar het is zeker goed als de filosofie daar geen geduld voor heeft. Filosofen proberen waarheid te spreken over ingewikkelde kwesties en vragen op te helderen die voor de meeste mensen vaag blijven. Voor de rest zijn er andere uitingsvormen. Kusters’ tekst komt eerder tot zijn recht als eigenzinnig egodocument dan als filosofisch traktaat.

Zowel Stossel als Kusters toont zich gevoelig voor de verlokking om Aristoteles niet te volgen en filosoferen als doel op zich, niet als tussenstation richting actie te beschouwen. Stossel wentelt zich in twijfel en intellectuele reflectie en keert zich af van de knopen die hij moet doorhakken. Kusters meent dat zijn doel niet zelfverbetering is, maar het verdedigen van zijn wereldbeeld. In deze neigingen zou een argwanende lezer verdedigingsmechanismen kunnen herkennen – kronkels van de geest die de neurose in stelling brengt om de gezonde tendensen in de mens de kop in te drukken. Wie denkt over angst is nog steeds bang en wie fantastisch oreert over wanen is nog steeds in de war.

Maar beide auteurs zijn ook vaak genoeg bereid wel naar hun problemen te kijken en te zoeken naar manieren om ermee te leven. Stossel toont ons moed en doorzettingsvermogen wanneer de omstandigheden tegen je zijn. Kusters laat zien dat je jezelf serieus kunt blijven nemen, ook wanneer bijna iedereen je gedachten met verwondering en onbegrip aanhoort. Er is in deze boeken vaak genoeg gelegenheid om te zien dat een getroebleerd leven ook een waardevol leven kan zijn. En deze overdenking kan iedereen – ziek en minder ziek – aansporen om te proberen er met creativiteit en beleid steeds weer iets van te maken.

Jacob Zwaan (1988) studeert psychologie aan de UvA. Hij schrijft recensies, essays en interviews. Hij studeerde eerder klassieke talen en filosofie in Oxford. Hij wil psychotherapeut worden.

Meer van deze auteur