Lopende zaken

DIG essay

Hoe noem je —

Lara Schoorl

Het is niet erg een woord eens kwijt te raken. Vaak vind je haar wel weer. Soms op je tong, op de rand van je lippen, of dagen later in het gebruik ervan door een ander, in de krant of een leeg gesprek. De betekenis zit immers in je, die vergeet je niet. Je hoeft alleen maar naar het woord te zoeken.

The thing you place at the end of a row of books on a bookshelf [boekensteun]; the mobile screen that keeps the sun from falling through the window [zonnescherm]; the big spoon we use to serve soups or sauces [soeplepel]; the open wound caused by falling on your knees or when scrape your skin on a rough surface [schaafwond]; the development of a romantic relationship prior to an established relationship, or physical affection sans intercourse [vrijen].

Naar woorden zoeken. Maar wat als je ze nog niet kent? In het duister tasten, grijpen, afhankelijk van de noodzaak voor het woord. Wie heeft er tijd om wachten? Niet de oudere meneer in het boekdrukatelier. “Schrijf maar op en e-mail het me dan,” zei hij. “Ik weet niet waar je het over hebt.” Ik ook niet. Daarom wilde ik een gesprek aangaan. Taal bestaat niet alleen binnen een persoon of afzonderlijk daarvan. Taal bestaat. Het staat niet los. Althans niet geheel. Niet zoals Saussure zegt, taal als een systeem (langue) en los daarvan taalgebruik (parole), volledig gescheiden. Taal bestaat en wij zijn er deel van; zij vervult pas haar volle betekenis als jij het uitspreekt en ik het hoor, jij het schrijft en ik het lees. We draaien er samen omheen totdat we elkaar begrijpen, of niet, maar we hebben een poging gedaan om intentie en interpretatie te doen samenvloeien met behulp van tekens.

Naar woorden zoeken komt vaker voor als je een taal leert of verliest. Tijdens mijn onderzoek naar de invloed van de moedertaal op het leren van Engels als tweede taal, kwam ik de volgende observatie tegen van een Spaanssprekende jonge leerling, die in de Engelse les het woord amorous tegenkwam: “I went into the word and I found love.”1 Hij had geleerd om woordverwantschap en morfologie te gebruiken, al dan niet met kennis van deze termen, om de betekenis van een onbekend woord af te leiden. Hij had het woord in tweeën gebroken en vond er “liefde” in zijn moedertaal. Het leren van een nieuwe taal rust veelal op wat we al weten.

Het is een tijdcapsule. De stam van sommige woorden is duizenden jaren oud en vormt nog steeds het etymologische hart van de hedendaagse versie. Zoals moeder, dat in verschillende Proto Indo Europese (PIE) talen is herleiden tot mḗtēr (Oud Grieks), mātar- (Avestan), mā́tṛ, mātṛ́ (Sanskrit), meh2ter (PIE) terug tot rond 4500 BC. Jarenlang heeft dit woord zich verspreid over duizenden kilometers en onze monden gevuld als wij om haar riepen. Elk woord is een geschiedenis, en is ontstaan uit haar omgeving en de behoefte voor haar aanwezigheid. Denk maar aan de coronawoorden die er in de aflopen maanden zijn bijgekomen: social distance, huidhonger, anderhalvemetersamenleving, anderhalvemeter alles. Dit zijn woorden die zich direct tot onze huidige tijd en plaats verhouden, alle bieden een nieuwe relatie tot een ander aan. Taal, betekenis en wij zijn afhankelijk van elkaar.

De verwevenheid van taal met haar omgeving, die zowel mensen als objecten bevat, is de aanleg voor het grillige karakter van semiotiek. Jij en ik dragen allebei bij aan de betekenis van de woorden die we hier voor ons hebben. We faciliteren de manifestatie van taal en taal draagt bij aan de uitdrukking die wij en onze omgeving aan onszelf geven. Tijd, plaats, klank, ritme en herhaling houden taal in vorm en in beweging, zoals een groep atomen de tafel waaraan ik dit stuk schrijf samenhoudt maar ze niet de uitzonderlijke formatie van alle tafels drijven. Betekenis is voortdurend, niet absoluut. Maar net zoals wij een object of persoon aannemen zonder haar van alle kanten tegelijk te kunnen observeren, nemen wij ook betekenissen aan van woorden zodat zij ook bestaan in het moment dat ze niet gebruikt worden, zodat wanneer ik het woord voor “zetmateriaal” of “verwerken” vergeet, dit object of proces niet in het niet vallen. Zij zijn er, maar ik ben ze vergeten.

Taal is open, een correspondentie inderdaad, afwisselend afwachtend en instigerend. Het geeft ons een plaats en is op die manier materieel in haar capaciteit om te verbinden. Enkele jaren geleden schreef ik—in reactie op Wittgenstein—“the limits of my language are the beginning of my world” met potlood op de muur van mijn studio. Ik besta op het randje van taal, niet tussen talen in. Wanneer ik een woord niet weet of niet in de taal waarin ik het wil gebruiken ontstaat er een discours tussen woorden, de wereld en mij.

Net zoals nu, tijdens het schrijven van deze tekst, struikelde ik toen uren over mijn gedachten en het verwoorden daarvan met doel om aan te geven hoe fysiek taal is; dat het concreet is maar tegelijkertijd ongrijpbaar, onlosmakelijk verbonden aan cultuur, en dus de mens. Aanvankelijk was dit een mentale onderneming, om intern de materiele vorm van taal te begrijpen of zelfs te zien. De afgelopen jaren is deze opgave echter pragmatischer geworden. Dit heeft te maken gehad met mijn immigratie naar de Verenigde Staten, waar mijn moedertaal bijna geen ruimte inneemt (ze staat in mijn boekenkast en Klein, mijn hond, luistert ernaar) en met een master Teaching English to Speakers of Other Languages die ik plotseling begon in California als een legaal vangnet tijdens het wachten op mijn verblijfsvergunning.

In de Verenigde Staten ben ik zelf ook een spreker van een andere taal, net zoals al mijn studiegenoten en de helft van mijn leraren. Terwijl wij als niet-Engelstaligen leerden hoe we Engels aan anderen kunnen leren, hadden we talloze miscommunicaties; we spraken allen een andere eerste taal (Farsi, Mandarijn, Mongolisch, Arabisch, Vietnamees, Yoruba en Nederlands) en kwamen uit verschillende culturen met sterk variërende filosofieën over en uitoefeningen van pedagogie en lesgeven. Beiden leidden ertoe dat we ondanks ons gemeenschappelijk gebruik van Engels als lingua franca een hele andere taal spraken. Onze woorden zijn verbonden aan locaties en aan onze ervaringen. Alle sociale en culturele begrippen waren in onze nieuwe gedeelde context, California, ontaard en onevenwaardig. Wat een stimulerende leeromgeving in één land is, is chaotisch op een andere plek; wat hier progressief lesmateriaal is, is elders ongepast. Alvorens elkaar te kunnen begrijpen moesten we de betekenis van onze taal openen en, zonder onze eigen opvattingen te verliezen, heen en weer tussen perspectieven en betekenissen stappen tot we in ons geadopteerde Engels een aanvullende positie vinden.

Het fysieke karakter van taal werd me nu duidelijk in het contact tussen woord en geografische locatie, maar ook in de frequenties van geluid die de lucht doen trillen als we spreken, het bewegen van onze tong en lippen om klanken te vormen, in accenten, in elk woord dat een eigen plek op een bladzijde of beeldscherm en vervolgens in ons hoofd vergaard, en ook in het niet vinden van woorden en de leegte die dat in je lichaam achterlaat. Taal is voelbaar in hoe het ons leven leidt.

Een nieuwe taal leren is jezelf heroriënteren. De woorden die jou tot je omgeving, gevoelens en gedachten verhouden ken je niet meer. De wereld is onbereikbaar en je staat er sprakeloos middenin. Je moedertaal raakt op de achtergrond en je richt je tot een onbekende maar concrete nieuwe “tirannie van woorden.”2 Maar wat er spreekwoordelijk achter je ligt, blijft echter wel van groot belang. Je richt je tot de woorden die je op sociaal en professioneel gebied zo snel mogelijk nodig hebt, maar jijzelf bent meer dan de som van de delen die jou jou maken, en hoe voel je je weer heel in een nieuwe taal.

“What does it mean to be oriented? How is it that we come to find our way in a world that acquires new shapes, depending on which way we turn. If we know where we are when we turn this way or that way, then we are oriented. We have our bearings.”3 Het aanhalen van de achtergrond, datgene wat in de periferie van ons gezichtsveld ligt, door Sarah Ahmed van wie de bovenstaande woorden ook zijn, helpen mij een positie binnen taal te vinden. Niet alleen het perspectief dat ons zichtveld vult, ook onze culturele en persoonlijke perspectieven dragen bij aan hoe wij ons tot onze omgeving richten. De achtergrond wordt, aldus Ahmed, de plek met agency, niet alleen een plek die hiërarchisch de verte van wat dichtbij is afscheidt, maar het is een plek waaruit datgene wat dichtbij is, onze huidige positie, voorkomt.

Verhuizen naar een andere plaats en een nieuwe taal leren zijn in wezen de voortgang van een gesprek tussen jezelf en je omgeving, alleen heeft die omgeving zich nu tot voorbij een voormalige horizon verschoven. We zijn verplaatst naar wat niet zichtbaar was, er spreekwoordelijk niet was; en in het niets is het lastig je (zelf) vast te houden. Ongeacht de aard van deze verandering zal verlies en gewin van taal een rol spelen. En zolang we de ruimte krijgen om onze bestaande kennis, inclusief onze moedertaal, te gebruiken wordt onze nieuwe omgeving sneller bereikbaar, comfortabel, een plek waarmee we ons verbonden voelen. Het kennen van meerdere talen draagt bij aan onze metacognitieve vaardigheden, en omgekeerd draagt ons bewustzijn van onze beschikbare kennis bij aan het leren van een nieuwe taal. Beiden bieden een vorm van controle, een onzichtbare houvast binnen onszelf.

Ik was verdrietig te leren hoe veel het onderwijsbeleid in de Verenigde Staten er in de vorige eeuw aan heeft gedaan om tweede talen te onderdrukken ten bate van het Engels, wat overigens niet de officiële taal is van het land — Amerika heeft geen officiële taal juist vanwege de veelvoud aan talen die er aanwezig zijn — en hoe juist die talen die werden afgewezen, Spaans en Mandarijn bijvoorbeeld, nu aan studenten worden aanbevolen om als tweede taal te leren om goed mee te kunnen doen in de wereldeconomie. Ironisch, volgens sociologen Alejandro Portes en Lingxin Hao, dat vele Amerikanen lang studeren om juist die talen te leren die de kinderen van immigranten dienden te vergeten.4 De English Only beweging heeft in de Verenigde Staten niet alleen velen de moedertaal (van hun ouders) doen vergeten, maar ook verscheidene inheemse talen in bedreiging gebracht. “When even a single language falls silent, the world loses an irredeemable repository of human knowledge.”5

Mijn onbegrip hier mist echter dat sommige immigranten zelf ook alles willen achterlaten, inclusief hun moedertaal om zich elders geheel nieuw te kunnen vestigen. Bovendien zijn bepaalde talen, zoals Spaans, ook voor sommigen de taal van de onderdrukker geweest. En voor anderen zullen de woorden die ze spreken altijd onder het juk van een ander blijven. Daarom is het vormen van een eigen taal, binnen en tussen talen in zo belangrijk.

Desalniettemin vind ik het nog steeds pijnlijk dat de moeder van mijn partner geen Spaans — de moedertaal van haar Mexicaanse ouders en de taal waarmee zij thuis opgroeide — met haar kinderen mocht spreken van haar man. Terwijl haar ouders nauwelijks Engels spraken. Zo werd er dus een ongeschreven communicatieverbod ingesteld en een deel van haar identiteit weggenomen.

Ik woon al lang in Nederland
Ik woon er al lang
Ik woon al lang hier
Ik woon al lang daar6

schrijft Asha Karami in haar debuutbundel GODFACE. Ik voel het. De gedichten geven zo goed de gelijktijdige aanwezigheid van niet alleen verschillende achtergronden maar ook de verschillende gewoonten, plaatsen en gevoelens die daarmee verbonden zijn weer. De andere personen die we in wisselende contexten kunnen zijn. Na meer dan zes jaar in de Verenigde Staten van Amerika te wonen en bijna uitzonderlijk in het Engels te leven, voelt het alsof ik, zoals Yoko Tawada dat mooi noemt, vanuit een ravijn spreek. Voor mijn gevoel kan ik op dit moment niet helemaal aan de verwachtingen van zowel en het Engels en het Nederlands voldoen. De taal waarin ik nu wel vloeiend zou moeten zijn en de taal die voor altijd mijn eerste taal zal zijn hebben beiden gaten; maar deze gaten vormen ook mijn identiteit. Existentiële chaos. Het is maanden geleden sinds ik dit essay begon en zo lang heeft het geduurd om de juiste woorden te vinden om dit te schrijven. In het Nederlands ligt de lat altijd iets hoger. Daar hoor ik alles te weten, maar zelfs als ik met behulp van een woordenboek verloren woorden op zoek om, zoals gevraagd, een duidelijke e-mail te schrijven, blijft deze onbeantwoord. Als een herinnering kan ik het Nederlands soms als nieuw ervaren, in het Engels blijf ik om de woorden en over de fouten heen praten en alhoewel mijn bewustzijn hiervan me soms in alle talen wil doen laten zwijgen, type ik toch de volgende woorden die ik waarschijnlijk later weer verander.




  1. August, D., Graves, M. F. & Jeanette Mancilla-Martinez. (2013). Teaching Vocabulary to English Language Learners. New York: Teachers College Press: 10. 

  2. Portes, A & Lingxin Hao. (1998). E Pluribus Unum: Bilingualism and Loss of Language in the Second Genration. Sociology of Education. 71, 4: 271. https://www.jstor.org/stable/2673171 

  3. Ahmed, S. Queer Phenomenology: Orientations, Objects, Others. Duke University Press, 2006 

  4. Portes, A & Lingxin Hao. (1998): 270. 

  5. McCarty, Teresa & Romero, Mary & Zepeda, Ofelia. (2006). Reclaiming the Gift: Indigenous Youth Counter-Narratives on Native Language Loss and Revitalization. The American Indian Quarterly. 30: 28-48. 10.1353/aiq.2006.0005. 

  6. Karami, A. (2019). GODFACE. Amsterdam: De Bezige Bij: 24. 

Lara Schoorl redigeerde Institutional Garbage (The Green Lantern Press) en publiceerde recensies en essays in FLASH Art Magazine, LALA Magazine, Amalgam Journal, The Los Angeles Review of Books en DittoDitto. Ze woont in Los Angeles en werkt voor Cirrus Gallery & Cirrus Editions, Ltd. Ze is de redacteur van Close Distance.

Meer van deze auteur