Lopende zaken

DIG essay

I barely remember this -

Over de witregels in de films van Jonas Mekas

Lars Meijer

Als kind wilde ik graag een dagboek bijhouden, maar het lukte me niet. Een dagboek bijhouden is het leven optillen, maar ik was een onrustig kind. Ik had geen aandacht voor mijn omgeving. Mijn juf vertelde tijdens de ouderavond: Hij is ongeduldig. Als hij niet zo haastig te werk zou gaan, dan zouden zijn cijfers beter zijn. Wie zijn werk af had, mocht naar huis. De trampoline van mijn buurjongen of de achtertuin van mijn beste vriend waren interessanter. Ik vertel mezelf: Ik ben alles vergeten, ik heb helemaal niets bewaard, maar wanneer ik ‘s avonds onderweg naar huis een parfum ruik weet ik direct: daar loopt mijn oude basisschooljuffrouw.

De oudste filmbeelden uit het werk van de Litouws-Amerikaanse experimenteel filmmaker en dichter Jonas Mekas (1922–2019) bestaan uit portretten van hem en zijn broer in New York, de stad waar hij excessief zijn leven vastlegde in films die hij zelf omschreef als videodagboeken. Een belangrijk kenmerk van Mekas’ werk is het totale gebrek aan regieaanwijzingen of andere vormen van interventie. De camera zweeft tussen de momenten door, registreert het alledaagse dat anders wordt vergeten. Hij volgt vrienden op de voet, terwijl ze kunst maken, praten met bekenden of met elkaar eten. De nevenschikking tussen persoonlijke observaties en alledaagse beelden tonen iemand die een oog heeft voor poëzie. De momenten in Mekas’ films verdwijnen terwijl ze plaatsvinden.

Jonas Mekas, “Andy Warhol”

Een herinnering: mijn oma geeft me een plastic zakje, zodat ik mijn kleingeld niet in mijn jaszak hoef mee te nemen. Als ik thuis ben stop ik het geld direct in mijn spaarvarken. Ik sta op het punt om het zakje in de prullenbak te gooien en begrijp plotseling dat ik het niet kan wegdoen. Dit zakje heb ik gekregen van mijn oma. En terwijl ik het verstop, zodat het niet alsnog wordt weggegooid door mijn moeder, weet ik: dit wordt een herinnering. Ik voel me er schuldig over, alsof het opzettelijk ‘maken’ van deze herinnering ten koste gaat van de authenticiteit ervan. Ik ben bang dat als ik afscheid neem van het zakje, mijn herinnering ook zal verdwijnen. Er kleeft schaamte aan mijn neiging herinneringen fysiek te maken, alsof ik nog steeds groeistrepen bijhoud op de muur.

Aan het einde van videodagboek Lost, Lost, Lost (1976), over Mekas’ eerste jaren als immigrant in de Verenigde Staten, herinnert hij zich plotseling dat hij het strand waar hij op dat moment met zijn vrienden is tien jaar geleden ook al heeft bezocht. De zee is een natuurlijk einde. These pebbles, zegt hij, this water. I have memories, memories, memories. Het komt niet als een verrassing dat Mekas van oorsprong dichter is. Hij zoekt de werkelijkheid door erlangs te kijken. Ieder beeld dat hij laat zien krijgt een moment de volledige aandacht en wordt op een aparte regel gezet. Waar de aandacht gespannen is, daar is een werkelijk verlangen aanwezig, schrijft Simone Weil. Misschien is aandacht de enige vorm van intimiteit.

In een gedicht over Hans Faverey schrijft Daniël Rovers: Het wit tussen de dichtregels doet altijd mee. Het vertraagt, ontspoort, vernieuwt en verbindt. Ik zou hier willen toevoegen: het is geruststellend wanneer een werk vormvast is. De lucifer in het gedicht van Faverey is een steekvlam en wordt bij iedere herlezing weer aangestoken. Tijdens rekenlessen werd ik vaak voor straf op de bank gezet, in de hoek van het lokaal, om te lezen. Ik had mijn dorp in de brand kunnen steken met de dichtbundels die ik toen las. Poëzie is: nooit weten wat het volgende moment je brengt, vervolgt Rovers in het gedicht. Er schuilt twijfel in de observaties van Mekas. Zijn woorden komen nooit vanzelf.

Halverwege Travel Songs (1981), een compilatie van Mekas’ reizen door naoorlogs Europa, zien we een van zijn vrienden koffiezetten. Het moment is kort, misschien een paar seconden lang, maar de man lacht even naar de camera en concentreert zich daarna weer op het koffiezetapparaat. Het volgende moment is de man verdwenen. De montagestroom wordt vervolgd en er is geen verdere verwijzing naar de koffie, noch naar de man. In een basisschoolrapport van mijn vader stond: Hij is een dromerige jongen. Hij zit graag bij het raam, dan kan hij buiten alle vogels zien vliegen.

Wanneer ik begin aan een nieuwe tekst, schrijf ik instinctief in de derde persoon. Alsof ik een algemene taal kan ontwikkelen, mezelf kan wegschrijven. Wanneer Mekas de camera overhandigt aan zijn vrienden en zij hem beginnen te filmen, trekt hij gekke bekken. Hijzelf is niet het onderwerp van zijn werk, dat is de gemeenschap om hem heen: de immigranten uit Litouwen, de wachtende modellen van Andy Warhol, de kinderen van zijn vrienden, de rokende dichters tijdens een voordracht van Frank O’Hara. Onder sociaal versta ik niet datgene wat tot de samenleving behoort, maar uitsluitend de collectieve gevoelens, schreef Simone Weil aan haar boezem- en penvriend, pater Perrin. Hoeveel kan iemand tonen, tot alles is verteld?

Jonas Mekas, “Journey”

Ik wil beter luisteren naar mijn omgeving, maar naast mijn raam wordt een appartement verbouwd. Buiten zie ik mijn fiets naast een vuilcontainer staan. Mijn longen staan in brand wanneer ik bovenop de heuvel over de stad uitkijk. Is elk landschap, hoe ver ook van huis, exact hetzelfde landschap, maar op een andere plek? Zijn er plaatsen waar misschien nooit iemand heengaat of overheen loopt? Ik begrijp de anonimiteit van een streepje gras tussen twee banen op de snelweg, een bloemenformatie in het midden van een rotonde, een lijntje zand onder een brug. Ik denk aan een foto waarop Mekas met een camera over een grasveld zwaait, alsof hij een zeis vasthoudt. Ik heb behoefte aan zijn ernst en plezier.

Er is een bepaalde handeling, gecombineerd met het gekras van kraaien, die me doet terugdenken aan de pruimenboom die voorheen in mijn achtertuin stond. Ik stamp op een hoopje overgebleven sneeuw en voel, door hoe het gewicht op het zachte oppervlak terechtkomt, een uitbarsting ontstaan. De sneeuw schiet alle kanten op, maar de spetters komen vooral terecht op mijn broek. Ik veeg ze weg met een tissue, zoals mijn moeder stukken pruim tussen mijn tenen vandaan haalde. In een van de eerste in de reeks videodagboeken van Mekas reflecteert hij op zijn nieuwe omgeving, nadat hij uit Europa is gevlucht voor de oorlog: I walked the streets of Brooklyn, but the memories, the smells, the sounds that I was remembering, were not from Brooklyn.

Jonas Mekas, “Journey”

Wanneer Litouwers bijeenkomen, dan zingen ze, vertelt Mekas. In Reminiscenes of a Journey to Lithuania (1972) ziet hij zijn familie voor het eerst in vijfentwintig jaar. Het eerste deel, geschoten in zwart-wit, speelt zich af in de Verenigde Staten. Het tweede deel, geschoten in kleur, is een serie van korte fragmenten in Litouwen: het zien van de familie, zijn moeder die aardappelpannenkoeken bakt, de put waaruit water wordt gehaald. Het afscheid, de tocht terug naar de Verenigde Staten, wordt ook gefilmd. De serie van beelden eindigt met vlammen. Halverwege de terugreis staat Mekas’ trein stil in Wenen. Een oude markthal staat in de brand. Ze hebben hem zelf in de brand gestoken, zucht zijn oom, om hem te moderniseren. Mekas’ trillende hand zoomt in op het uitslaande vuur. Hij richt de camera op zichzelf, denkt hardop: And I was there, I was the witness and I recorded it all, and I don’t know, am I singing or am I crying?

Lars Meijer (1994) schrijft en leest. Hij rondde Creative Writing aan ArtEZ af met Alleen mijn vrienden zijn bang, een onderzoek naar de taal rondom seksualiteit, geweld en verlangen. Hij publiceerde o.a. op De Optimist, See All This en De Groene Amsterdammer. Op YouTube is hij actief als co-host van het literaire kanaal Poëzie & Pils. Lars maakt deel uit van collectief Wildgewelf.

Meer van deze auteur