Lopende zaken

DIG poëzie

in de havenstad wuhan

marwin vos

in de havenstad wuhan / in the port of amsterdam

niet lang geleden keek ik weer naar de aantekeningen en regels die ik een maand geleden schreef toen wuhan dicht ging
die dag bezocht ik de expositie van carlos morales in het stedelijk museum waar met name een beeld me bij bleef uit een video waarin we een man langdurig door lage, kleine gangen en doorgangen zien kruipen, zijn romp gebogen die met tekens is bedekt
ik denk dat jacques brels ‘dans le port d’amsterdam’ speelde hoewel ik me dat vreemd genoeg nu niet meer herinner en dat me dat belangrijk leek omdat wuhan eigenlijk een havenstad is, net als amsterdam, hoewel ze door grote landmassa’s is omgeven
en natuurlijk wilde ik daarmee ook solidariteit uitdrukken door in plaats van amsterdam wuhan te noemen terwijl ik tegelijk wel wist dat wereldvirussen zo vrij zijn dat het een kwestie van tijd is, en een duidelijke wind, voor ze hier zijn

in de havenstad wuhan / dans le port d’amsterdam

het gezicht op zee vanuit de haven
is abstract

we bleven thuis in onze appartementen
en wachtten af

spraken elkaar moe in
moed in

we werden er ook ziek van
het wachten duurt lang
in de havenstad wuhan

de zeelucht spande zich in
om ons te bereiken
we ademden allen
de lucht in van de zee
in de haven van wuhan


het kind van mijn vriendin hoest
het heeft hoge koorts ‘s nachts
ze ruziet met haar partner over paracetamol
oma is net terug uit hong kong
er zijn 70 geïnfecteerden in hong kong, twee doden

licht bewolkt en een lichte wind, 11 graden celsius
zonsopkomst 6.58 uur, zonsondergang 18.16 uur

het weer in wuhan
is hetzelfde als hier

ik zag niemand in de buurt
dus heb ik het lage masker verwijderd
en de frisse lucht geabsorbeerd

er zijn tien banen op de verkeersweg
nu leeg
de boete voor autorijden is vierhonderd
jilan zoekt huisdieren op in flats alleen
tot nu toe heeft hij er twintig gered


ik nam een kopie van jiu ge poëzie
om het segregatieverslag te bestuderen

deze zin had een eenzaamheid moeten begaan
maar waarom zou de dichter stoppen?

we werden voor een pauze vrijgelaten
met onze twee maskers kijken we naar het zeegezicht
een grijze zee en een lichte bewolking

in de havenstad wuhan
zijn de kinderen die zingen
binnen
zijn de alleenstaanden die zingen
binnen

we kijken en zingen naar de licht
bewolkte lucht, een vlucht spreeuwen
vaagt voorbij, volg ze over de flatgebouwen
naar de monding van de zee
wanneer de verzegelde stad
vrij zal zijn zijn wij


zachtjes oefenen wij onze stemmen
weven het geluid van
onze zaakwaarnemers erdoorheen
uit de ziekenhuizen, uit de flatgebouwen
uit de zeegezichten, uit de vermiljoenen
buitensteden

de wolken boven wuhan, amsterdam
zijn de ouden die zingen, het
bedelend geklingel met de natte
pony, een remedie

en hoe zit het met de tekens?

de tekens op de rug van de man die laag bij de grond door nauwe gangen kruipt?
sommigen zien het pandemisch virus als een teken
saskia sassen zegt in een online lezing dat dichters een figuur of gestalte zullen construeren uit deze bezoeking, ze zegt dat het virus niet de vijand is maar dat wij dat zijn
olga tokarczuk lezend, drive your plow over the bones of the dead, is het niet moeilijk om het virus als een wraakoefening te ontcijferen, repercussies van de zogenaamde ‘wilde’ dieren
wij mensen baggeren onbekommerd over grenzen heen en stelen dieren uit hun werelden om ze te terroriseren en kwellen, op te eten of eraan te verdienen
misschien is de mannelijke figuur in amorales’ film een rest van kafka’s gevangene, zijn rugtekens gestanst als strafoperatie voor zijn vergrijpen, de lage gangen zijn de strafkolonie in miniatuur, onze kamers en vertrekken waarin we nu ronddolen, gevangen, zoals we met ontelbare dieren deden
wij zijn bijna volledig opgehouden met bewegen, merkt sassen op, terwijl het virus beweegt
the virus enters the scene
zoiets kleins, niet eens zichtbaar, dat zoveel macht heeft, dat het ons stopt
tokarczuk schrijft over de zwerm in woede ontstoken kramsvogels die het zat zijn om te worden belaagd, uitgemoord, geëxploiteerd en gezamenlijk hun faecaliën op ons laten vallen die ons verlammen, onze benen lijken vastgelijmd, handen en hersenen atrofiëren in snel tempo, we walgen zo erg van onszelf dat we al gauw in het geheel niet meer kunnen bewegen of alleen nog radeloos op handen en voeten dichtbij de aarde rondkruipen