Aardbeiboom, Californië

Op een dag je tijd in handen krijgt, sluiers
verlegt naar blozende gaarden, de aarde ruw,

intussen niets, de zon haar draden uitrolt,
schuchter, zomer duurt te lang. Wind, lichtmoedig,

streelt bladeren, hij vordert meer dan droge takken
die op sterven staan. Op een dag de boom

in zichzelf vlucht, boven akkers in aanbevolen kleur
jij hem opmeet, het licht voorzichtig om je heen.

De weg die je teruggaat, dralend tot het einde,
het wijdopen veld waar je naar binnen kijkt,

een ogenblik onopgemerkt. Samen met
het andere slaat regen neer, roekeloze donder.

Mijn vele dode vrienden

Als een van ons terugkeert, verzadigd
ronddoolt, kleuren uit de nacht schikt
en plukt van wat hunkert rondom – dan.

Als een van ons een engel droomt, longen
vol lucht laat lopen, het leven zolang
het wil langs een slingerend lint van licht – dan.

Als een van ons het gras betreedt, beroering
voelt bij zoveel lichtval, vertederend strijkt
over ons geheven hoofd, toegewijd – dan

de ene hand de andere, almaar nader
tussen bladeren, doorschijnende vleugels
aan beide zijden, anders kan het niet.