Redactioneel
Op honderdzestig kilometer ten noordwesten van Den Helder, veertig meter onder de Noordzeespiegel, lag op de Klaverbank inderdaad een hart. Het had ongeveer de grootte van een voetbal. Of, dacht Agnes, een hoofd. Agnes ademde zuurstof en stikstof en helium in en maakte een paar foto’s van het orgaan terwijl professor Van Hamelen het bescheen met haar lamp. Op de kei waar het hart als een spons aan vastzat groeide verder alleen wat hydroïdpoliepen en kalkkokerwormen. Al het leven dat hier eerder was geweest, Agnes had het zelf ooit nog mogen aanschouwen, was goeddeels weg: geweisponzen, schelpen als vingerafdrukken over de Klaverbank verspreid, zeemuizen die Agnes altijd deden denken aan oudemannenschedels met een zilveren tonsuurtje. Witte en oranje zeeanjelieren. Weg. Twee diepe geulen, getrokken met de wekkerkettingen van een boomkorvisser, waren wat restte. Vissenlijken. Krabben met gebarsten pantsers. En dat hart.
Van Hamelen had het ontdekt in een hoekje van een foto bij een verslag over bodemberoering. Het was niet meer dan een vlekje waar ze een hart in dacht te herkennen. Niemand anders zou voor elkaar hebben gekregen dat er serieus onderzoek naar gedaan zou worden. Van Hamelens persoon was echter nogal overtuigend. Uiterlijk had de professor iets weg van een totempaal, vond Agnes; lang, slank, machtig, angstaanjagend en een beetje belachelijk door een opvallend grote neus. Met haar kenmerkende manier van praten — tegelijkertijd erg zacht, zodat je je wel voorover moest buigen om haar te verstaan, en heel ferm, zodat je af en toe terugdeinsde uit angst of bewondering — had Van Hamelen een onderzoeksteam om zich heen gelokt. Agnes was net als Van Hamelen een ervaren duiker en dus geschikt als student-assistent. Een hoge pief van Greenpeace was zo van Van Hamelen onder de indruk dat ze direct het bodemberoeringsteam én de Albatross mocht lenen. Dat is tenminste wat ze zelf zei, Agnes vermoedde een schimmig gefinancierde onderstroom maar hield haar mond. Van Hamelen had zich als een geschifte zeester aan het hart gezogen, sprak tijdens colleges nergens anders meer over, tot alleen Agnes nog aan haar koraalrode lippen hing. In haar werkkamer, waar ze de privécolleges naartoe had verplaatst, had de professor tijdens een van haar bezielde speculaties die de officiële overleggen niet haalden (‘de bron van alle leven!’) met haar vinger op de borst van Agnes geprikt. Dáár! Dát! De rode afdruk die achterbleef op Agnes’ huid was niet meer verdwenen.
Ze hadden vier dagen nodig gehad om het hart te vinden en het was Agnes (ze had haar professor vanaf het moment dat ze de foto aanwees slechts half geloofd, maar in alles wat Van Hamelen zei zat een kern van waarheid, of toch tenminste eindeloze wijsheid) die het voor het eerst bescheen met haar duiklamp. Haar borst trok van verbazing samen. Om de aandacht van Van Hamelen te trekken zwaaide ze wild met de lamp, waarop ook Van Hamelen haar lichtstraal op het hart richtte, het een paar seconden bekeek, haar felle licht vervolgens langdurig op de duikbril van Agnes scheen. Het was moeilijk om met de vlekken nog op haar netvlies de foto’s te maken. In het zoute water was het koud en kaal als op een nare herfstdag.
Boven vielen onderzoekers en bemanningsleden elkaar opgelucht in de armen. Agnes omhelsde de jongens van Greenpeace en de Filipijnse kok. Ze omhelsde een beroepsduiker en wat andere wetenschappers, twee Britten en een Deense, ook zij hadden gedoken, deden onderzoek naar bepaalde stenen die in een ijstijd op de Klaverbank geëindigd waren. Een van de Britten hield Agnes te lang vast, drukte zijn borst tegen haar boezem en fluisterde in haar oor hoe hot ze was. Iedereen rook naar zee, zweet, koffie. Alleen Van Hamelen rook anders; alsof er onder haar huid naast bloed ook groene thee stroomde. Als ze even in de hut van Agnes was geweest, wat regelmatig gebeurde want er was altijd wel iets om te bespreken, bleef die geur nog uren hangen. Er werd champagne ingeschonken en geproost. De professor keek Agnes strak aan toen ze vertelde dat zij zelf het hart had gevonden.
‘Maar,’ voegde Van Hamelen er bescheiden aan toe, ‘ik heb natuurlijk zoveel ervaring dat iedere anomalie er direct uit springt. Little Agnes was a big help.’
De blik van Van Hamelen liet meer vlekken achter op Agnes’ netvlies dan de duiklamp had gedaan. De julizon trok lange schaduwen over het dek, alsof een onzichtbare hand ze naar zich toe trok. De schaduw van Van Hamelen was zo mogelijk nog beniger dan de vrouw zelf.
‘s Avonds kwam Van Hamelen Agnes’ hut binnen. De Franse waarmee Agnes de hut zou hebben gedeeld was niet op het schip aanwezig. Ziek. Zonder acht te slaan op het feit dat Agnes al in bed lag stak de professor van wal: al dat gedoe zou Agnes toch niet willen. Interviews, publicatiedwang, die verantwoordelijkheid; het zou haar afstuderen maar in de weg staan. Net als die enge Brit trouwens.
‘Ja,’ zei Agnes bedwelmd, ook al wilde ze protesteren.
Van Hamelen knipte de bedlamp aan en hurkte voor het bed van Agnes, ze keek haar aan, alweer, maar nu was het eerder of ze haar bestudeerde. Gesteund door haar elleboog op de bedrand leunde ze iets naar voren. Ze snoof met haar machtige neus.
‘Ik heb,’ zei ze, ‘nog nooit zoiets moois gezien.’
Agnes zweeg. De geur van groene thee benam haar haast de adem. Ze lag als een kokerjuffer in haar dekbed gerold. Met wat haar laatste krachten leken wist ze een kleine draai met haar schouder te maken zodat die ontbloot werd.
‘Heb je gezien, Agnes, dat het pompte? Het pompt zeewater rond! Pure schoonheid.’
Het licht ging weer uit. De professor verliet de hut niet. Agnes hoorde hoe ze op de vloerbedekking ging liggen, misschien propte ze de handdoek die daar ook nog lag onder haar hoofd, of haar eigen pyjamajasje, hoe dan ook ritselde ze nog wat en begon algauw regelmatig te ademen.
Een rommelende maag hield Agnes uit haar slaap. De honger was plotseling en woest, maar ze wilde het bed niet uit. Ongetwijfeld was Van Hamelen iemand die, net als een dolfijn, haar hersenhelften om beurten liet rusten. In plaats van de wakkere helft te gebruiken om naar het wateroppervlak te zwemmen en lucht te happen, zou zij zelfs in haar slaap de bewegingen van haar pupil registreren. De afgelopen dagen had Van Hamelen bij het ontbijt smakelijke anekdotes over Agnes opgedist. Dat ze op borrels altijd zou aandringen op karaoke, dat ze wel kon duiken maar niet kon fietsen. De meeste situaties verzon Van Hamelen, het was niet duidelijk of ze dat zelf doorhad. Maar omdat de professor beschikte over een geweldig gevoel voor timing, kon zelfs Agnes het niet laten om te lachen. Van Hamelen keek op die momenten naar haar met een blik die het midden hield tussen pret en bloeddorst.
De honger verdween niet meer. Als ze niet at volgde ze Van Hamelen als een schaduw. Haar professor had de neiging haar niet in te lichten over bijeenkomsten maar het haar wel te verwijten als ze er niet bij was geweest. Overigens at ze ook vaak tijdens het schaduwen, waardoor Van Hamelen zich — ze stonden in de gang voor hun hut en Agnes knaagde op een mueslireep — genoopt zag weer eens haar gewicht te becommentariëren.
Agnes zei dat een paar dagen veel eten er werkelijk niet voor had gezorgd dat ze ‘wat stevig’ was geworden. Het was de eerste keer dat ze Van Hamelen tegensprak. Maar de verwachte woede bleef uit. Zelfs de belediging (‘je knapte bijna uit dat duikpak’) klonk wat plichtmatig. Bovendien had Van Hamelen niet eens, zoals gebruikelijk als ze het over het postuur van haar assistent had, even in Agnes’ zij geknepen om haar punt te illustreren. Onwillekeurig greep Agnes zelf naar het mollige randje boven haar broekriem.
Het leeft. Het is van vlees, dat weten we nu. Het is zo groot als het hart van een rund, het pompt veertig liter water per minuut rond, het lijkt desalniettemin op niets anders dan het hart van een mens.’
Steeds als Van Hamelen over het hart sprak aaide ze met haar linkerduim haar rechterhand, alsof ze de hand van een geliefde vasthield.
Het hart van een koeienmens. Kennelijk had Agnes ondanks alles een bespreking gemist. Nu moest ze iets intelligents zeggen zodat het leek of ze al lang op de hoogte was. Iets over dat ze inderdaad al kennis had gemaakt met de speciaal overgebrachte cardioloog, wat werkelijk zo was: vanochtend was hij bij haar aangeschoven om tegelijk met haar een ei te pellen.
‘Nou,’ zei Agnes.
Van Hamelen zette heerlijk dreigend een stap naar voren. Ze moest bukken om niet over het hoofd van haar studente heen te spreken.
‘Het wordt morgen zwaar weer,’ zei ze op haar gedempte toon, ‘als ik het niet omhooghaal verliezen we het aan bodemverschuiving.’
Agnes wilde niets liever dan zich wild van honger opkrullen op de vloer, tegen de witte wand.
‘Wat denk jij, Agnes?’ De vraag was, uiteraard, retorisch.
Agnes voelde de neiging om heel hard te gaan lachen en het puntje van Van Hamelens neus even aan te raken met haar tong.
‘Ah,’ wist ze uit te brengen.
‘Precies,’ antwoordde Van Hamelen wellustig. Haar ogen glansden als die van een koortsig kind.
Toen ze bovenkwamen hing er een waanzinnige stilte. Ze hadden het water verlaten en stonden, nog nadruipend, te kijken hoe de nachtzwarte zee hun kringen uitwiste, glad werd als een spiegel. Onmiddellijk moesten ze van het anker af, je kon de stijging van het schip voelen, Agnes had de sensatie zich in een glas water te bevinden dat met uiterst behoedzame hand gevuld werd. Niemand aan dek kon wat er gebeurde verklaren.
Het hart, Van Hamelen hield het tegen haar borst, lekte bloed, nee, sepia, als de inkt van een zeekat. Het bleef ook op het droge pompen, bracht een benauwd, nat en fluitend gerochel voort.
Van Hamelen had getwijfeld, daar beneden. Ze had getreuzeld, en Agnes had begrepen waarom. Boven hen, op het schip, stonden tientallen wetenschappers met slaap in hun ogen en de ziel onder de arm nieuwsgierig te zijn naar het wonder. Uiteindelijk had ze het gereedschap van Van Hamelen overgenomen, haar een extra lamp in handen gedrukt, tussen hen in fungeerde een beroepsduiker als bijzettafel. Hij draaide zijn gezicht weg toen Agnes het hart uiteindelijk lossneed.
‘Het was Agnes,’ zei Van Hamelen boven, toen ze zagen dat de zee ermee ophield de zee die ze kenden te zijn, ‘Agnes heeft het losgemaakt.’
Het hart werd gekoeld bewaard, was net zo stil geworden als de zee: de stilte van een dode man, de stilte van de radio’s, de stilte van de horizon, de stilte die als eerste de opdringerige Brit tot waanzin dreef.
‘Hij is gesprongen,’ deelde Van Hamelen mee.
Agnes en zij zaten zij aan zij het hart te bestuderen, al viel er weinig meer te leren.
‘Hij zonk als een baksteen,’ vervolgde de professor, ze veegde een pluk vettig haar uit haar gezicht.
De lucht die van de gladde zee opsteeg was niet te harden. Die had al na een dag of wat alle vertrekken van de Albatross bereikt en bleef daar hangen als een ontbindend verwijt. Soms ging Agnes buiten staan. Ze keek dan naar de plek waar haar land had gelegen, ergens achter de horizon, meende dat ook daar een rotte lucht vandaan op kwam zetten.
Ze waren terug naar het land gevaren, natuurlijk hadden ze het geprobeerd. Er was niets meer geweest. Geen haven, geen kade, geen grond. Alleen de gladde zee, overal het gladde water, rot, zout, zwijgend.
In haar leek constant iets te trillen, ze kon ieder moment openbarsten, als een knop, een trekbom, een nest insecten.
Speels duwde Agnes met een pipet tegen een hartklep. Van Hamelen zuchtte. Groene thee. Haar maag rommelde hoorbaar, het was al lang niet meer alleen Agnes die verging van de honger, hun voorraden raakten op, hun broeken zakten af, de kok lag te huilen in zijn hut, er gingen mensen dood en die moesten ze dan overboord werpen, waarop ze zonken als bakstenen, de zee hield zijn vissen, als die nog leefden, voor ze verborgen. Er was nog water voor een etmaal.
Het hart had naar zee gesmaakt, vond Van Hamelen. De zee zoals ze hem kende.
Agnes had het, terwijl iedereen in hongerslaap lag, gesmoord in zout, water, wier. In de hut van de beroepsduiker, die toen hij nog leefde soms verdacht naar alcohol had geroken, had ze een fles Surinaamse rum gevonden. Ze dronken zo snel dat ze even dachten dat de golfslag terug was, opgewonden gingen ze het dek op, hun neuzen moesten ze dichtknijpen tegen de stank. Maar daar lag de zee spiegelglad te wezen. Van Hamelen lachte Agnes uit om haar domme ideeën, haar stem kaatste over het water, ze kneep haar in haar zij.
‘Nog eens,’ zei Agnes, ze verdubbelde haast van geluk, ‘ik wil dat je dat nog eens doet.’
De professor deed het niet.
Alle anderen, of wie er nog restten, waren door hun rumoer ontwaakt. Ze zouden al het water opdrinken, de pannen leegschrapen, en dan zouden ze wachten op een wonder en dat zou niet komen.
Maar zij gingen liggen, Agnes en Van Hamelen. Ze zagen sterren die niets meer zeiden over hun plaats op aarde, hoorden het grommen van elkaars maag. Na de rum was er niets meer om hun keel mee te smeren behalve het bedorven water waar het schip op rustte. In hun hals klopten hun aderen op de maat van een bodemhart, onmenselijk traag. ¶

Collage door Jim Klok
Essay
Edel Dier
Poëzie
Binnenwaarts vindt de Staat zijn Koers
Essay
De Franse cefaloforen
Poëzie
Baarmoedertjes wraak
Beeld
Lichaamsdelen
Verhaal
Terminal
Verhaal
Clausule 4.3
Poëzie
heb je nog getwijfeld over belgië sinds er leven is op
Essay
Hoe 30 miljoen mensen uit Nederlands-Indië in 1893 staatloos gemaakt werden. Wie was de aanstichter?
Verhaal
Luchtig
Poëzie
titellozen
Verhaal
Knabbelen aan Gods vinger
Poëzie
—
Verhaal
Niemand wil hier echt zijn
Essay
Radicaal pessimisme: de pornografische verbeelding van Kathy Acker
Verhaal
1819
Surinaamse dagen