Volmaakt

Lieve Niña,

Twee volmaakte jonge vrouwen zitten aan een tafeltje naast mij op een terras vlak bij het Science Park. Ik heb daar afgesproken met een natuurkundige die over zwarte gaten spreekt alsof het provincies in Frankrijk zijn. Als zij ‘zwaartekracht’ zegt, vermoed ik dat ze iets anders bedoelt dan de zwaarte waaraan ik denk bij dat woord, dat me vooral aan de aarde bindt. Ik probeer te ontsnappen aan de onvermijdelijke gedachte aan de dood wanneer het woord ‘aarde’ valt.

Ik probeer ruimtelijker, minder vanuit mijzelf te denken, zoals de natuurkundige die met een enkel armgebaar het melkwegstelsel uit kan beelden. Waar blijft ze?

De jonge vrouwen zitten rechtop en eten een salade. Ze hebben het brood, dat ernaast staat in een mandje, niet aangeraakt.

Het haar van de jonge vrouwen glanst en hangt met een gestylede losse krul over een schouder. Ze spiegelen elkaar. Ze houden hun ontblote buiken in, zelfs als ze uitademen.

Ademen ze wel? Ik ben bang dat de meisjes dood zijn en dat volmaaktheid daar iets mee te maken heeft.

Misschien heb ik de afgelopen tijd te veel boeken gelezen over het uitgebuite vrouwenlichaam in de geschiedenis en zie ik in alles de verstoorde relatie met het lichaam terugkeren. Toen ik gedichten van Ida Gerhardt opsloeg om afleiding te zoeken (en, toegegeven, omdat ik binnenkort een lezing over haar werk moet geven – waarom zeg ik ‘ja’ op zulke uitnodigingen?) kwam ik tot mijn verbijstering geen enkele vermelding van haar lichaam tegen, wat me verontrust. Waar is het lichaam van Ida Gerhardt?

Als ik het me goed herinner gaat jouw nieuwe boek over een vermoorde vrouw, en viel jou bij je onderzoek op dat er altijd meer aandacht uitgaat naar de moordenaar dan naar het slachtoffer. Ik ben benieuwd hoe jij naar dit alles kijkt, of een deel ervan, want ik gooi nu wel veel tegelijk jouw kant op…

Liefs,
Maria



Lieve Maria,

Leuk: je begint met een zwart gat en eindigt bij het vrouwenlichaam… Laat Freud het niet horen!

Een vriendin merkte laatst op dat ze geen enkele vrouw kent die géén (min of meer) verstoorde relatie heeft met eten. Ik wilde daar onmiddellijk tegenin gaan, ik hou niet van dat soort clichés, en ook niet van vrouwen met een ‘verstoorde relatie’ tot wat dan ook eigenlijk. Maar toen ik er even over nadacht en in mijn hoofd langs een hele rij vriendinnen en verwanten ging, moest ik toegeven dat ze gelijk leek te hebben. Hoe leuk en belangrijk ik eten ook vind, hoe graag ik ook kook voor vrienden en geliefden, ook voor mij is eten nooit een geheel onbezorgde, vrije aangelegenheid. Bij alles wat ik in mijn mond stop is er een bewustzijn dat corrigeert, straft of sust. Er is altijd een waardeoordeel, soms luid toeterend, meestal afgesteld op een meer ambiance-achtig volume dat er zozeer bij hoort dat ik het bijna niet meer hoor.

Enfin, het lichaam dus. Het vrouwen-lichaam. Er is nooit een neutrale positie. Ouderwets: het ontkennen. Modern: het laten zien, doorvoelen en bevrijden. Om de een of andere reden word ik van dat laatste ook een beetje benauwd. Ik heb er geen zin in, wil eigenlijk helemaal niet over mijn lichaam schrijven of denken, of laat ik het zo zeggen: ik zie niet in waarom ik het via schrijven of denken zou moeten bevrijden.

Jij was het lichaam van Ida Gerhardt kwijt toen je haar poëzie herlas, maar is dat niet ook gewoon best prettig? Is dat niet ook het bevrijdende van lezen en schrijven, dat gebrek aan lichamelijkheid? En: zouden we er ooit van schrikken dat, pak ‘m beet, Gerrit Kouwenaar in zijn gedichten nauwelijks een (mannen)lichaam lijkt te hebben?

De reden dat ik een beetje bokkig ben vanwege dat hele vrouwenlichaam is dat ik er natuurlijk ook nooit onderuit kom. Het klopt dat ik in mijn boek schrijf over een meisje dat, naar alle waarschijnlijkheid, is vermoord. Er is heel weinig over de toedracht en de precieze omstandigheden bekend, en daarom is er een wildgroei aan verhalen ontstaan. In veel van die verhalen dient haar lichaam als een projectiescherm voor allerhande ideeën over meisjes en vrouwen. Omdat er geen daders in beeld zijn, laat staan verdachten, verwacht men antwoorden van het slachtoffer zelf (dat uiteraard niet meer kan spreken). Was ze te wild geweest, te onvoorzichtig, te luid, te schaars gekleed, te dronken? Had ze zich te gewillig aangeboden? Haar lichaam zwijgt, maar nooit helemaal: het openbaart zichzelf als lichaam, en als zodanig ook als medeschuldige aan de eigen ondergang.

Ik las ergens dat Homerus maar een paar keer het woord ‘lichaam’ gebruikt in de Ilias en de Odyssee, en dan altijd om er een lijk mee aan te duiden. Misschien is dat, uiteindelijk, waarom ik het zo lastig vind om over ‘het lichaam’ na te denken, laat staan te schrijven: het moet belichaamd worden om te kunnen leven.

Liefs,
Niña

Maria Barnas (1973) is dichter en beeldend kunstenaar. Haar meest recente dichtbundel is Diamant zonder r. Ze schreef 'Uit ons bestaan' bij de tentoonstelling slice of life with swallowed spiral (2023) van Eva Spierenburg in Drawing Centre Diepenheim.


Meer van deze auteur

Niña Weijers (1987) schreef de romans De consequenties (2014) en Kamers antikamers (2019). In 2022 bundelde ze haar columns en essays in Zelf doen. In het najaar van 2023 verscheen Cassandra, haar eerste non-fictieboek.



Meer van deze auteur