Ons leger is het enige met een filosoof. Omdat de commandant hem hoogacht en veel belang hecht aan zijn wijsgerige opmerkingen en uiteenzettingen, geniet hij bepaalde privileges: zo overnacht hij in een ruime en gerieflijke tent, net zoals hoge officieren, in plaats van de hemel als dak te hebben zoals de soldaten, en is hij de enige die niet marcheert: twee speciaal daarvoor aangestelde soldaten dragen hem in een heraldisch versierde eenpersoonskoets, een tent bevestigd op stokken, met daarin een ton waarop hij zit, want naar verluidt kan hij op een ton beter nadenken. De commandant heeft dit geregeld opdat hij zich volledig aan de beschouwing kan wijden: omdat we ons tempo aan de draagkoets moeten aanpassen, gaan we trager vooruit dan de vijandelijke legers, maar de commandant gelooft dat de vooruitziendheid van de filosoof die achterstand ruimschoots goedmaakt. De commandant gelooft in de wijsheid; hij meent dat alleen de filosoof een uitweg zal vinden uit het oorlogskluwen waar we nu al zo lang in vastzitten dat de jongsten onder ons de oorzaak alleen van verhalen en geruchten kennen, maar de meesten doen de moeite niet zich te informeren en lopen atavistisch mee als de vogels die in de herfst naar het zuiden trekken. Er ligt een glasachtige onverschilligheid over hun gezichten; je hebt de indruk dat ze elk moment uit elkaar zullen barsten als ze uit de dienst worden ontslagen.
De filosoof laat zich voorstaan op de eerbied waarmee de commandant hem bejegent; de meesten vinden de manier waarop hij koketteert met zijn geprivilegieerde positie onwelvoeglijk. Ik voor mij twijfel aan de legitimiteit van zijn afstamming, want de filosoof beweert Grieks te zijn maar is een volbloed Fransman; hij heeft nooit de moeite genomen deze geografische puzzel voor ons op te helderen. Zoals veel Fransen gedraagt hij zich alsof Frankrijk de wereld is waar alle andere landen een provincie van zijn, een houding die vooral uit zijn taalgebruik blijkt, want net zoals zijn landgenoten beschouwt hij andere talen als barbaarse dialecten waar hij met een boogje omheen loopt. Na al die jaren onder ons (oorspronkelijk om een simpel wiskundig mechanisme uit te leggen waarvan de commandant wist dat hij de enige in Europa was die het snapte, zodat hij in ruil voor een riante geldsom naar ons land was gelokt) heeft hij nog steeds amper een woord van onze taal geleerd — de commandant, die hierop geanticipeerd had en het weglachte zoals een grootvader het kwajongensgedrag van zijn lievelingskleinzoon vergoelijkt, verplichtte ons tot avondlessen Frans, viermaal per week, zodat we met hem konden communiceren. We gehoorzaamden hem omdat we erop vertrouwen dat hij het beste met ons voorheeft.
Evengoed boekt de commandant — met zijn gestalte van een alruin, zijn parelmoerkleurige baardje, zijn lange bruine laarzen en kleine gedrongen handen — maar weinig vooruitgang. Al vele jaren voeren we oorlog, maar we hebben nog niet één keer terreinwinst geboekt, nog niet één keer een vijandige compagnie weten te verrassen, nog niet één keer cruciaal logistiek materiaal weten te veroveren. Het komt hoogstzelden tot schermutselingen. De paar keer dat we daadwerkelijk onze degens tevoorschijn moesten halen, vocht de commandant als een leeuw, zijn kleine, geblokte lichaam bleek over een dierlijke kracht te beschikken, op geen enkele manier leek hij bang te zijn. Zo heeft hij zich in onze harten gegrift. Maar hij blijft een vreemde bevelhebber, van wie niemand goed begrijpt wat zijn eigenlijke plannen zijn. En toch komt hij dicht, heel dicht bij ons, en tilt hij ons op met zijn aura van goedgemutste, wereldwijze oom, zeker wanneer hij je speels bij je schouder pakt en luid lacht en je zijn adem en zweetgeur ruikt, allebei niet bijzonder appetijtelijk maar wel warm, een vreemde geborgenheid, een geur die je een huis aanbiedt in de leegte van de natuur waar we ons nu al zo lang in voortbewegen als kippen zonder kop, zonder vrouw, zonder kinderen, zonder ouders, geen dak boven ons hoofd, geen knetterende haard, geen croissant op zondag, geen rust op christelijke feestdagen.
De commandant is onze vroegste herinnering, want de oorlog is er al langer dan wijzelf. We traden uit het ei, in den beginne, voor het eerst overspoelde het zonlicht onze ogen, de wind trok ons naar buiten, we hoorden de vogels, de wereld werd overwelfd door lange beuken, als getuigen van onze komst, en vervolgens zagen we de commandant — het eerste haarscherpe beeld van onze herinnering, de commandant, teder glimlachend, buikig, besnord, met een flacon in zijn hand.
De eerste keer dat hij ons teleurstelde was toen we een omtrekkende beweging maakten (alle andere eenheden marcheerden de vijand tegemoet voor de grote veldslag) en we verdwaalden in het moeras, waarna hij zichtbaar gefrustreerd zijn kompas en de grote veldkaarten raadpleegde maar geen uitweg vond; ook luisterde hij niet naar de suggesties van pientere soldaten. Loup viel in een koude poel en raakte onderkoeld; we konden zijn leven ternauwernood redden. De commandant zei dat iemand de omtrekkende beweging moest maken; we hadden geen keuze. ‘Soms moet je mislukken,’ zei hij. ‘Soms geeft God je geen andere mogelijkheid.’ Hij zei dat we er gesterkt uit waren gekomen. ‘Ontberingen leiden tot grote daden.’
Na een kort overleg met de kopstukken van de soldaten kwamen we overeen dat we de commandant geloofden. Heldhaftigheid gaat niet per se gepaard met handigheid of pragmatisme. Zijn integriteit was ons meer waard dan de sluwheid van andere commandanten.
We hopen stellig dat het koningshuis hem zijn post niet afneemt, een mogelijkheid waar de commandant soms in duistere bewoordingen op alludeert, maar het moet gezegd dat hij op die momenten grote hoeveelheden whisky uit zijn flacon naar binnen heeft gegoten en dat het dan al laat is, zodat zijn ogen dichtvallen en zijn woorden gelardeerd zijn met flarden uit dromen en herinneringen die komen bovendrijven in de wolk van zijn roes. Hij begint onbedaarlijk te drinken als er grote grijze wolken laag in de lucht hangen, niet ver boven ons hoofd (het hoofd van Lange Floris, de grootste soldaat van de compagnie, zien we op zulke momenten vervagen in de nevel), die hij als een dreigende aanwezigheid lijkt te ervaren; alleen de filosoof kan hem dan troosten en tot rust brengen, maar dat doet hij maar zelden.

Soms glijdt de commandant enkele dagen weg in een van zijn atactische koortsen, dan stellen we ons kamp op een herbergzame plek op en blijven daar tot hij beter is, periodes die hij als een vernedering lijkt te beschouwen, te zien aan zijn beschaamde blik en verontschuldigend zwijgen; de filosoof waakt dan op zijn ton naast het bed van de commandant en legt tijdens hevige ijlbeurten zijn grote en nobele handen, waarvan de vingers gerimpeld zijn alsof hij urenlang in warm water heeft gelegen, op het voorhoofd van de commandant, onder het pre­velen met gesloten ogen van onverstaanbare woordjes, een soort toverformules. Enkele domme onverlaten onder ons geloven daarom dat hij een geestenbezweerder is, een magiër, en niet een filosoof (want we zien hem in feite maar weinig filosofie bedrijven, al kunnen we ons daar ook maar weinig bij voorstellen), maar dat beschouw ik als gevaarlijke ketterij, want ze trekken daarmee het oordeel van de commandant in twijfel. Gelukkig wordt hun al snel de mond gesnoerd.

Toen de filosoof aan de compagnie werd voorgesteld, op zijn eerste dag, gaf de commandant zich over aan bombastische taal om die op het eerste gezicht merkwaardige samenwerking te rechtvaardigen. ‘De gedachtewolk van de filosoof scheidt vonken vuur af,’ zei de commandant, ‘er spat licht vanaf, kolommen van rook en wijsheid; hij gaat ons de juiste weg wijzen. Het is moeilijk om in een oorlog het hoofd boven water te houden en de vuurtoren in de verte te blijven zien’ — tijdens plechtstatige toespraken haalde de commandant zijn spreekwoorden en zegswijzen door elkaar en verzon hij nieuwe — ‘maar hij zal ons daarbij helpen. De filosoof is een groot man. Vertrouw op hem.’

We geloven de commandant op zijn woord, maar het was moeilijk geen argwaan te koesteren tegen de filosoof, die ik althans meestal niet zo goed begrijp. En dat schijnt hij te weten: soms kijkt hij na een opmerking van wijsgerige strekking eventjes met een monkellachje in mijn richting, terwijl zijn bedaarde donkerbruine ogen oplichten, wachtend op een teken van begrip, tot ik ten slotte overtuigend probeer te knikken alsof ik het doorgrond heb, maar hij schudt dan glimlachend zijn hoofd en loopt weg, zonder nog aandacht aan me te schenken. Ik weet niet waarom hij bij ons blijft als hij toch weet dat we hem nooit zullen begrijpen. Misschien omdat hij gedragen wordt en zich op zijn ton uitsluitend aan de beschouwing kan wijden, wat toch de lievelingsbezigheid van filosofen schijnt te zijn. Ik denk niet dat hij in Frankrijk gedragen werd.
De filosoof klaagt de laatste tijd veel over het weer. Hij zit klappertandend ineengedoken op zijn ton, en ziet er verwilderd uit: zijn lange bruine haren hebben de textuur van stro aangenomen, zijn snor en mouche is hij langzaam maar zeker gaan veronachtzamen, alsof hij de zin van het zorgvuldig tuinieren van zijn baardgroei niet meer inzag. Het beduimelde en uitbundig geglosseerde exemplaar van de Confessiones van Augustinus (een boek waarvan hij het belang al vaak heeft proberen te onderstrepen), dat hij bijna altijd onder zijn arm vasthoudt en ‘s nachts voor het slapengaan onder zijn kussen legt, is uit elkaar aan het vallen, zuchtend onder 
de vele ontberingen. Er is een soldaat aangesteld als meereizende bibliotheek, die in een leren rugzak de benodigde boeken van de filosoof op zijn rug torst, een zwaar karwei; om de zoveel tijd vraagt de filosoof nieuwe boeken aan. De commandant gehoorzaamt onmiddellijk, want hij is ervan overtuigd dat de filosoof bezig is een uitweg uit het labyrint te vinden en dat hij het koninginnenstuk van zijn plannen in zijn lectuur zal vinden. De filosoof beaamt dit, maar soms twijfel ik een beetje aan zijn integriteit, want ik heb eens op een nacht in een boekwerk van Hegel gesnuffeld (weliswaar is het ten strengste verboden aan de boeken van de filosoof te komen, maar ik kon mijn nieuwsgierigheid na al die jaren niet bedwingen en kocht de wandelende bibliotheek om), en hoewel ik er maar weinig van begreep, kon zelfs een kind zien dat het niets te maken had met oorlog voeren. Ik begin daarom te vrezen dat de filosoof een te abstracte blik op de werkelijkheid heeft, maar houd dergelijke twijfels voor me, om praatjes onder de soldaten te vermijden.
Gisteren werden we in een hinderlaag gelokt door vijandige troepen en verloren we acht man, onder wie de oudste van de soldaten, Simeon. Nu ben ik de oudste. Halsoverkop vluchtten we naar de rivier, waar we ons verschuilden achter een rotspartij; de commandant zorgde er heldhaftig voor dat de achterste mannen niet aan de sabels werden geregen. Na een tijdje staakte de vijand de achtervolging en trok zich terug. De soldaten die de draagkoets van de filosoof torsten, waren hun rol inmiddels zo gewoon dat ze zelfs niet op de gedachte waren gekomen de filosoof op eigen krachten te laten rennen; op miraculeuze wijze hadden ze het gehaald. 
Met angstige blik had de filosoof tussen zijn gordijntjes naar het strijdgewoel zitten kijken. Er brandde een miezerig kampvuur; het motregende; gewonden werden zo goed en kwaad als het ging verzorgd; voor de duizendste maal aten we spek met bonen uit onze gamellen. Het moreel was laag. Misschien voor het eerst gloorde er fatalisme in de ogen van de commandant, alsof hij aan zijn lotsbestemming begon te twijfelen. Soms zag ik hem kijken naar de filosoof, die onder een boom zat te lezen, een sfinx. Niemand sprak; iedereen zat te kauwen en in het niets te kijken, ontmoedigd, maar zonder de moed die wanhoop uit te spreken. Ook de vlammen dansten met een onmiskenbare wanhoop. De donkergrijze hemel viel op ons neer, omzwachtelde onze dromen, die als gedachtewolkjes boven ons hoofd hingen en die we misschien nooit meer zouden terugzien. Lange tijd leek het dat niets ooit zou veranderen, dat we in een oneindige ommegang zaten van aarzeling en indolentie, rondtrekkend in het almaar uitdijende boslandschap van onze voorvaderen, in een vreemde dans verwikkeld met de vijand, maar nu had de vijand dan toch kans gezien een streep te trekken onder de oneindigheid. Als ratten waren we in de val gelokt; veel meer van ons hadden kunnen sneuvelen. Dat de vijand ons nu met rust liet, was waarschijnlijk de stilte voor de storm. Niemand wist wanneer ze ons opnieuw zouden aanvallen; iedereen wist dat dat moment nakende was.
Na het eten stond de commandant plotseling op en stapte met driftige passen naar de filosoof. Hij gebaarde dat ik moest volgen, als vertegenwoordiger van de soldaten. Ik zag zijn lodderige ogen, zijn slordige stoppels, de rode vlekken op zijn gezicht, waarschijnlijk het gevolg van drankmisbruik. In niet mis te verstane bewoordingen zei hij de filosoof de wacht aan, erop wijzend dat hij was aangesteld om de compagnie te dienen met zijn ideeën: veel was daar nog niet van terecht­gekomen. De filosoof schraapte zijn keel. ‘Niemand had deze hinderlaag kunnen voorkomen,’ zei hij. ‘Soms moet je gewoon toegeven dat de tegenstander een geniale zet heeft gedaan, net als bij schaak. We hebben enkele manschappen ver­loren, maar het is nu aan ons een geniale tegenzet te doen.’ Gespannen keek de commandant hem aan, wachtend op het vervolg. ‘Alleen is dat momenteel onmogelijk,’ ging de filosoof verder. ‘Ik heb nog iets meer tijd nodig.’ Hij pakte de commandant vast bij zijn schouder. ‘Ik beloof je dat ik binnen afzienbare tijd met een uitgeschreven meesterplan kom.’
De commandant en ik wandelden terug in stilte. Hij stapte langzamer dan gewoonlijk. Op een gegeven moment hield hij halt, zuchtte diep. Hij peinsde. Wilde hij praten? Wachtte hij op iets? Onrustig wiebelde ik op mijn benen — ik rook zijn zweetgeur, zijn goedkope eau de cologne, de geur die verbonden is met mijn diepste herinneringen, mijn oudste dromen. Het was de eerste keer in de vele jaren dat ik dienstdeed onder de commandant dat ik hem een rechtstreekse vraag over zijn bedoelingen wilde stellen, maar dat voelde aan als majesteitsschennis. Ik zou wachten tot hij een vraag zou stellen. ‘Er moet een andere manier zijn om oorlog te voeren,’ zei de commandant. ‘Ik blijf wachten op de filosoof — hij zal wel met iets op de proppen komen. Hij móét. Hij zal!’ Meer spraken we niet. Ik wist niet of dit de eerste keer was dat hij een soldaat in vertrouwen nam. Ik zag de andere soldaten hun wonden likken, indommelend bij het vuur. Geboren in de oorlog, voorbestemd te sterven in de oorlog, zonder ooit de oorlog in twijfel te trekken, zonder ooit te begrijpen waarom de oorlog gevoerd werd. Dat is bezijden de kwestie. Wat ons verbindt en voortdrijft is het geloof in de commandant.

Zittend bij het vuur keek ik naar de filosoof, die een laatste kans had gekregen. Hij zat te lezen, verdiept in zijn boek alsof we niet net in een militaire hinderlaag gelopen waren; hij had iets verveelds over zich. Toen keek ik weer naar de commandant, die nu zat te eten aan de waterkant. Als de filosoof uiteindelijk met een oplossing zou komen, een nieuw pad zou uitstippelen voor onze manier van oorlog voeren, zou het hele leven van de commandant gerechtvaardigd zijn — misschien zouden dan zelfs de verloren jaren, de gestorven manschappen, de blunders en vergissingen vergeven geworden. Ik keek naar de filosoof, zag dat hij nu naar de lucht zat te kijken.
De filosoof is spoorloos verdwenen. De wachtpost van de vroege ochtend zei dat de filosoof (die nooit op wacht hoefde te staan) hem was komen aflossen, omdat hij beweerde toch niet te kunnen slapen. Zijn boeken heeft hij meegenomen; de ton heeft hij achtergelaten. De commandant trekt de waarschijnlijkheid van een vlucht in twijfel: volgens hem is de filosoof gaan wandelen om inspiratie op te doen. ‘Hij moest even alleen zijn,’ zei de commandant. ‘Filosofen gedragen zich anders dan wij, we kunnen hem niet begrijpen. Hij zal wel terugkomen.’ Voor het eerst was er gemor te horen, maar het doofde snel uit. ‘We wachten drie dagen,’ zei de commandant, met gekruiste armen bij het vuur gezeten. ‘Als hij over drie dagen nog niet terug is, beschouwen we hem als verloren.’ ‘En wat doen we dan?’ vroeg ik. ‘Dat zien we dan wel,’ zei de commandant, ‘het heeft geen zin op de zaken vooruit te lopen.’
De eerste dag kwam er een boodschapper van de andere compagnies ons waarschuwen dat de vijand troepen aan het mobiliseren was en spoedig aan een groot offensief zou beginnen; we konden ons beter terugtrekken, dieper het binnenland in. De commandant nam akte van het advies, maar legde het naast zich neer. ‘Pas over twee dagen, als de filosoof nog niet teruggekeerd is, zullen we ons terugtrekken,’ zei hij.
De beuken ruisen. Er wordt weinig gesproken, nog minder dan normaal. De commandant zegt niets. Als ik naar hem kijk, zie ik een geslagen hond, en toch houdt hij zich vast aan zijn koppige hoop dat de filosoof met een geniale vondst zal terugkeren. Hij kauwt op die hoop. Erg laag in de lucht hangen dicht opeengepakte grijze wolken. De commandant drinkt nog meer dan normaal. Hij heeft geen wachtposten uitgezet. ‘De vijand zal wel niet komen als ze nog aan het mobiliseren zijn,’ zei hij.
Bij sommigen zie je bezorgdheid, ze weten niet goed wat ze met de nieuwe situatie aan moeten. Ze kijken naar mij, alsof ik het heft in handen moet nemen. Ik gun de commandant zijn drie dagen. Zijn hoop is iets groots en zwaars, ik kan hem bijna voelen, hij ligt verscholen ergens in zijn ogen, hangt samen met zijn geur, zijn buikigheid. Ik voel me als een tak die kan breken bij een hevige windstoot, maar de commandant is een pilaar. Hij is iets anders dan wij allemaal. Onhandig en onbeholpen, maar onwrikbaar, en warm, en teder. Niemand kwam ooit zo dicht als de commandant; het is of hij ons heeft gevormd uit klei. Als wij niet zouden geloven in zijn geloof, zou de wereld een trieste plaats zijn.
De tweede dag ging voorbij; de derde dag was al halverwege zonder teken van de filosoof. De commandant geeft geen krimp; de grote kwestie hangt boven ons hoofd, maar niemand praat erover. Rookwolken in het oosten; de lucht is donkergrijs. Soms lijkt het of we stemmen horen, marcherende laarzen. Ik kijk niet meer om, ik kijk ook niet meer naar de lucht of de beuken, alleen nog maar naar de commandant, die in het vuur staart. Ik weet niet of ik nog geloof in de mogelijke komst van de filosoof, maar ik weet wel dat ik in de commandant geloof.
Ik hoor nu onmiskenbaar voetstappen naderen, degens die uit hun schede worden getrokken. Verschrikt uiten onze soldaten kreten van verwarring; sommige kiezen onverwijld het hazenpad — bewijs van onze naïveteit, alsof ze niet verderop opgewacht zullen worden. De hinderlaag sluit zich rond ons als een net. Ik zie hoe de commandant opstaat en zich omdraait. Hij kijkt naar de naderende vijand achter me, de Dood die zich zal openbaren te midden van chaos en hoefgetrappel, zonder in beweging te schieten, het is moeilijk zijn blik te lezen — ¶

Ben Clark

P. Kubala (1996) is werkzaam in het onderwijs en publiceert over film voor Streven Vrijplaats en over literatuur voor De Reactor; verhalen en vertalingen van zijn hand verschenen in DW B en Deus Ex Machina. Zijn monumentale debuutroman Het onverschillige dorp is nog op zoek naar een geschikte uitgever.

Meer van deze auteur