Redactioneel
Alle vogels stammen af van dinosauriërs. Dat had ze weleens tegen het kind gezegd, als antwoord op de vraag waarom er een vogel op de vlag stond. Er zat iets geruststellends in dat idee: dat alles verandert, zich voortzet en op nieuwe manieren blijft bestaan — zoals de vogels.
Ze zat achter het bureau beneden, waar ooit het loket van het oude postkantoor was geweest. Achter haar bureau hing nu een vlag van ongebleekte katoen, met een handgeschilderde vogel in blauw en okergeel. De ruimte deed dienst als atelier, vergaderzaal en soms als toevluchtsoord; het kloppend hart van de Ambassade.
Over twee uur zou de ruimte volstromen voor de vergadering. Jules had de stoelen al klaargezet en de vlag recht gehangen — alleen de agenda ontbrak nog. Maar dat was meestal zo;
de onderwerpen dienden zich wel vaker op het laatste moment aan. Er moest nog een lijst worden bijgewerkt met namen van nieuwe leden — mensen die zich de laatste maanden hadden aangesloten en de verklaring hadden ondertekend. De lijst telde inmiddels achtentwintig namen.
Ze wilde het straks over de nieuwe verdragstekst hebben — die zin over menselijke waardigheid moest preciezer. Gisteren had ze hem al drie keer herschreven, en nog steeds wist ze de kern van haar gevoel niet te raken. Maar dat kwam zo: ze had beloofd pannenkoeken te bakken met het kind.
Boven hoorde ze het meisje praten. Het kind hield een toespraak, zoals ze dat vaker deed, voor de spiegel of voor de katten. Ze declameerde de wetten: ‘Niet stelen, niet liegen, niet doden, niet dwingen.’ Ze was even stil. ‘En iedereen mag zingen.’
Ze glimlachte, haar eigen gedachten recapitulerend, en haar blik bleef hangen bij de klok aan de muur. De secondewijzer bewoog schokkerig, alsof hij soms moed moest verzamelen. Buiten deze muren liep alles in de pas — de harten, de stemmen, de ademhalingen: alles sloeg een maat. Inmiddels wist zij: het klopte niet. Letterlijk niet. Elk ritme dat haar werd opgelegd voelde als een leugen. De klok, het register, de Agenda die de dagen opsplitste in werk, rust en afleiding — niets daarvan liep synchroon met haar.
Ooit had ze meegetikt — tot alles stilviel. Straten lagen leeg alsof de tijd zelf zich had teruggetrokken. Stemmen klonken nog wel, maar alleen door draden en schermen, zonder adem, zonder nabijheid. In dat desolate geluid had ze iets gehoord — een sluimer tussen de slagen. En toen ze dat eenmaal had gehoord, écht gehoord, werd ze wakker. Sindsdien weigerde ze te tikken; getikt noemden ze haar daarom.
Punt twee,’ klonk het boven plechtig, terwijl het kind met de houten lepel op de rand van de omgekeerde wasmand tikte. Ze zat midden op de vloer, benen gekruist als een echte voorzitster. De gordijnen stonden halfopen; door de kieren viel een streep licht over haar stad van blokken, luciferdoosjes en Playmobil. Op haar bed, onder de groene klamboe, keek een rij knuffels toe. ‘Iedereen is een eigen land. Niemand mag zonder toestemming of intentie van vrede zomaar binnenkomen. Dat heet jurisdictie.’
Eén kat zat op de grond naast haar, de andere twee lagen in de vensterbank. Ze vormden samen het kernteam van de Kinderraad. ‘Niet stelen, niet liegen, niet doden, niet dwingen,’ somde ze op. Even controleerde het meisje of de katten het hoorden. ‘En iedereen mag zingen,’ vervolgde ze, ‘maar alleen als het niet tegen iemand is.’ De katten keken niet op. Eén lag uitgestrekt op haar rug, een ander likte haar poot. ‘Jullie moeten wél meestemmen,’ mompelde ze wat beteuterd. De zwarte kat nieste. ‘Voor? Aangenomen!’ besloot ze.
Ze verplaatste zich naar de zelfgebouwde stad en schoof een paar huisjes van blokken dichter bij elkaar, zodat ze één lange rij vormden. Zo stonden ze in het echt ook, in hun straat. Alleen het huis van mevrouw Ida had ze niet nagemaakt — die had van die enge tuinkabouters, met ogen die je altijd aankeken. Elk huisje had een vlaggetje van papier, gestift in bonte kleurencombinaties. Bij hun eigen huis, het blokje op de hoek, zette ze een extra hekje neer. Met een beetje fantasie leek het best, alleen het bordje naast de deur ontbrak — het gouden, dat haar moeder lang geleden zelf had opgehangen. Ze kon de letters nog niet lezen, maar dat hoefde ook niet; ze wist precies wat erop stond: eigen grond. niet betreden zonder toestemming of intentie van vrede. door binnentreden gaat u onherroepelijk akkoord met onze voorwaarden (art. 3.33 bw). Ze had weleens gevraagd wat ‘intentie’ betekende, en Jules had gezegd dat het iets was wat je bij anderen kon voelen, als je er goed op lette. Sindsdien luisterde ze vaak naar mensen die langsliepen, maar vrede had ze nog niet gehoord — misschien praatte het te zacht.
Ze boog zich voorover en zette een nieuw poppetje neer — een figuurtje in politie-uniform dat ooit bij Playmobil had gehoord. Ze duwde hem naar het hek. ‘Wat kom jij doen?’ vroeg ze streng. Ze dacht na, dan met een andere stem: ‘Ik kom alleen praten, mevrouwtje.’ ‘Kom je in vrede?’ Ze liet het poppetje knikken. ‘Oké. Dan mag je binnen. Maar niet weer dwingen, hè? Wij zijn autonoom.’
Buiten reed een auto langs — traag, met piepende remmen. Ze keek op. ‘Daar heb je ze weer,’ fluisterde ze tegen de katten. ‘De luisteraars.’
Ze giechelde, het was tenslotte een spel, en richtte zich weer tot haar poppetjes: ‘Wees niet bang, hoor. Wij verklikken niet.’
Buiten ritselde iets in de struiken onder het raam; de katten spitsten hun oren. Zij spitste haar neus en snoof — langzaam kroop de geur van pannenkoeken haar kamer in. Ze liet de poppetjes staan zoals ze stonden, het kapsel van het politiepoppetje iets te ver over zijn gezicht gedraaid, en liep naar beneden. Haar stad bleef stilliggen, alsof iedereen het met elkaar eens was — tenminste tot ze terugkwam.
In de Ambassade werden de seizoenen gevolgd, maar alleen als het uitkwam.
Jules stond bij het keukenraam, een mok lauwe koffie in zijn hand. Buiten, boven de daken van de rijtjeshuizen, trok een zwerm vogels samen — eerst chaotisch, toen in één beweging richting zuiden. Wat een zaligheid, dacht hij, om alleen te gehoorzamen aan het ritme van de natuur. ‘Weet je wat ik daar altijd zo mooi aan vind?’ vroeg hij. Achter het bord met pannenkoeken haalde het kind haar schouders op, haar voeten bungelend onder de stoel. ‘Dat ze gewoon vertrekken. Ze luisteren alleen naar de wind, naar elkaar misschien. Intuïtief — zo hoort het bij mensen eigenlijk ook.’
‘Alle vogels zijn dinosauriërs,’ antwoordde het meisje terwijl ze wat stroop van haar vingers likte.
‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg hij half lachend en half argwanend. Hij kon niet goed bepalen of ze hem uitdaagde of hem herinnerde aan een manier van kijken die hij kwijt was geraakt — als was zij de ware ambassadrice van hun republiek in wording. Vrijheid in haar zuiverste vorm, dacht hij, nog niet belast met gekaderde betekenissen of beleid. Ze haalde haar schouders op en dacht na. ‘Misschien komen de dinosauriërs ooit wel weer teruggevlogen!’
Hij moest lachen. Het meisje keek hem aan, serieus, toen weer naar haar bord. ‘Mama zegt dat jij altijd heel veel weet,’ zei ze. ‘Ach,’ — hij maakte een luchtig gebaar — ‘het blijft een leerproces; ontrafelen, ontdekken en onderzoeken… Ik weet vooral wat ik niet meer geloof.’
Buiten ritselde de appelboom, zijn bladeren vormden op de grond een tapijt van afgeworpen rood en goud. ‘Kijk, het is heel simpel,’ zei hij. ‘Hun vrijheid is de grootste leugen die ze ons hebben verkocht. We denken dat we kiezen, maar we volgen gewoon het ritme dat anderen voor ons hebben bepaald — netjes binnen de lijnen die zij trekken. Maar de waarheid heeft altijd een lek — daar komt het licht door naar binnen. Steeds meer mensen beginnen dat te zien. Maar om het licht te herkennen moet je niet wegkijken van het duister.’ Toen het kind niet reageerde vervolgde hij zijn pleidooi. ‘We zijn allemaal geboren, en of je nou in God gelooft of niet, we zijn allemaal schepsels van hetzelfde geheel. Gelijk. Niemand heeft wat over jou te zeggen, tenzij je hem daar toestemming voor geeft. En zolang je geen strafbare feiten pleegt’ — hij zette zijn mok met een ferme beweging op de tafel — ‘heeft niemand formeel wat over je te zeggen.’
Het kind knikte — dat wist ze allang.
‘Geloof jij in die God?’ vroeg ze.
Haar vraag overrompelde hem. ‘Dat ben ik nog aan het uitzoeken. Maar goed en kwaad, daar geloof ik heilig in. Misschien moet het eerst erger worden, maar er komt een tijd dat we in het licht komen te staan — dat het duister gezien wordt zoals het echt is.’
Kortstondig keek ze hem vragend aan, haar hoofd een beetje scheef. ‘Ik geloof een beetje in God,’ zei ze. ‘En in mama.’
Hij glimlachte en overwoog haar uit te leggen dat er verschillende manieren van geloven waren, maar besloot die missie vroegtijdig te staken. Hij wist: gelijk hebben en gelijk krijgen zijn twee verschillende dingen — niet alleen in discussies met kinderen.
In zijn ooghoek verscheen Marja in de deuropening, haar blik rustend op het kind. ‘Wat hoor ik nou? Geloof jij in mij?’ vroeg ze half lachend. ‘Dat is fijn om te horen. Betekent dat ook dat je de tafel afruimt als wij zo gaan vergaderen?’
‘Nee hoor,’ zei het kind opgewekt, ‘want jij hebt formeel niks over mij te zeggen.’
De stoelen stonden nog in een kring. Koffiemokken, halfvolle glazen, een bord met een vergeten stuk van de taart die een van de nieuwe leden mee had gebracht — de resten van een vergadering die te lang had geduurd. Ze liep met een vochtige doek langs de tafel, veegde koffieringen weg en schoof de stoelen terug op hun plek.
De Ambassade moest een plek worden waar samenleven opnieuw uitgevonden kon worden — een oefenterrein voor onafhankelijkheid, een samenzijn dat juist in losheid zijn kracht vindt. Maar in de praktijk was dat nog niet zo eenvoudig, zo was tijdens de vergadering ook weer gebleken. Idealen bewegen nou eenmaal trager dan mensen. Iedereen was voor vrijheid, maar zelden voor dezelfde versie ervan. Terwijl ze opruimde bedacht ze hoe kwetsbaar het allemaal was: één verkeerde zin, één verkeerde naam, en de hele kring zou uit elkaar spatten. Ze noemden het een oefening in vrede, al voelde het soms eerder als tuinieren in dorre grond. Zo gek was dat ook weer niet: als je twee verschillende planten bij elkaar in een pot zet groeien die ook niet zomaar, dat werkt alleen bij hoogst gunstige omstandigheden — extra licht, de juiste grond, een goede kas. Maar ze probéérden het tenminste. De nieuwe verdragstekst was nog steeds niet af.
De discussie van vanmiddag was open geëindigd — ook in goede bedoelingen kan besluitvorming vastlopen. Jules zou daar zo vast het zijne van vinden. Hij was gekomen in een tijd dat de Ambassade alleen uit haar en het kind bestond. Ze had hem opgevangen na de Gebeurtenissen, hij was net als zij een van de eersten geweest die weigerden mee te tikken tijdens het uur van de waarheid. Hij beschouwde zichzelf sindsdien als klokkenluider, al bleef het voor anderen onduidelijk of hij iets had gedaan of juist iets had nagelaten. Een klokkenluider was wellicht ook een wat groot woord — mannen hadden er nu eenmaal een handje van hun inzicht iets te overschatten. Toch wist hij de titel met een zekere overtuiging te dragen. Ze zag het, glimlachte er soms om — en bewonderde hem desondanks: zijn onverzettelijkheid, zijn toewijding aan vrijheid en het blootleggen van de waarheid. En ze hadden het hem maar wat moeilijk gemaakt; bijna alles had hij verloren, behalve zijn onwrikbare overtuiging.
Ook haar pad naar vrijheid had de nodige hobbels gekend. Als onderwijzeres had ze het geprobeerd, meetikken. Eerst was er nog ruimte voor taal, voor kinderen, voor verhalen. Tot ze het gevoel kreeg dat ze geen ruimte meer had
om de kinderen aan te kijken, enkel nog om hun scores te zien. Tot ze alleen nog formulieren invulde over formulieren, vinkjes zette, resultaat aftikte — zelfs spel moest een leerdoel dienen. Het was meer dan werk; het was een ritme dat haar dwong mee te bewegen, een tempo dat ze niet kon volgen zonder zichzelf te verliezen. Ze had nog geprobeerd het systeem te veranderen, tot de wereld stilviel. Toen pas hoorde ze hoe luid het tikken was geweest. Ze had nog wel even getwijfeld of ze gek was. Maar zij was niet gek — de wereld was gek. Getikt.
Daarna begon ze opnieuw. Dat was het eigenlijk: het scheppen van een eigen werkelijkheid, niet door de wereld af te wijzen, maar door haar opnieuw te benoemen, stukje voor stukje. Je toe-eigenen wat ooit gedachteloos van je was overgenomen — jouw blik, jouw adem, jouw waarheid. Buiten liep het leven volgens een scenario dat een ander had geschreven: iedereen kende zijn tekst, maar niemand wist meer wanneer hij hem had geleerd. En precies in het gedachteloze begint de leugen.
Tegen die geest wilde ze het kind grootbrengen: zelfstandig en mondig, onafhankelijk in haar denken en zijn. Op school leerden ze slechts één narratief — geschiedenis wordt immers geschreven door de overwinnaars. Dat is de ironie: een meervoud aan mensen belichaamt het systeem, toch is het altijd een en dezelfde spreker — het is niets dan een kakofonie van één stem, en juist daarom weet je nooit wie er spreekt, wie er verantwoordelijk is.
Hier aan tafel kon ze het zelf bepalen. Het kind zat te tekenen, stiften kriskras over het papier. Ze oefenden samen het alfabet, springend van a naar p.
‘De p van “poes”!’
‘En de letter q,’ vroeg ze, ‘weet je die nog?’
Het kind keek peinzend voor zich uit. ‘De q van “haan”,’ zei ze beslist.
Ze schoot in de lach. Uiteraard — kukeleku. Niks meer aan doen, dacht ze.
Het kind schoof haar tekening naar haar toe. ‘Jij ook,’ zei ze. ‘Teken eens iets.’
Ze pakte een potlood, hield het boven het papier. ‘Wat moet ik tekenen dan?’ vroeg ze.
‘Mag je zelf weten,’ zei het kind zonder op te kijken, ‘misschien een vogeldino.’
‘Een wat?’
‘Een vogeldino, zoals die op de vlag.’
Ze keek naar de beweging van een kinderhand, het gemak waarmee ze het witte vlak betrad, en zette een aarzelende lijn naast die van haar dochter, en toen nog één. De lijnen raakten elkaar niet, maar leken toch samen te bewegen.
Ze wilde nog iets zeggen over opruimen, over hoe vol de tafel alweer lag met bekers, stiften zonder dop en kruimels pannenkoek. De mouwen van het kind zaten onder de kleurige strepen en haar eigen schoen plakte — ze hoopte stroop. Maar het leek haar zonde van het moment; zo maakte het kind de wereld tot haar eigen domein. ‘Als die vogel maar niet opnieuw op de muur belandt,’ zei ze ten slotte.
‘Tuurlijk wel,’ antwoordde het kind triomfantelijk. ‘Hoe moet hij anders terugvliegen?’
Ze glimlachte. Er trad een stilte in en weer werd ze het tikken van de klok gewaar. Was het omdat ze wakker was dat ze niet schrok toen er plots op de deur werd gebonsd? Niet luid maar duidelijk. Als lamme vleugels tegen glas, drie slagen op de deur. ¶
Verhaal
We hadden nergens om naartoe te gaan
Essay
Diefstal
Beeld
Shifting Sitting
Poëzie
—
Essay
Witte wieven
Verhaal
Alle water
Essay
De kunst van het veranderen
Beeld
Submerged Heritage / Verzonken Leven / Soengoe Kondre
Verhaal
Met wie spreek ik
Poëzie
Eros
Essay
Poor Little Rich Girl
Poëzie
Sterfgebed
Verhaal
Hún Houzee werd een Heil
Essay
De antwoorden
Poëzie
Bijna weg
De vrouw die Japans wilde leren
Essay
Oostersch. De soefische poëzie van J.H. Leopold
Stripverhaal