Redactioneel
Ik herinner me hoe achteloos ik het boek uit de kast trok. Ik paste met een vriendin op een huis in de Franse Pyreneeën. Een huis waarin elke muur bekleed was met boeken, gesorteerd op een manier waaruit onvoorwaardelijke liefde sprak. Ogenschijnlijk lukraak. Er stond een tekening van een vulkaan op het omslag, met daarboven de titel: Autobiography of Red. A Novel in Verse. De auteur, Anne Carson. Over Carson: ze woont in Canada. Verder niets. Ik verslond haar woorden op de koele tegels, regel voor regel, om ze weer uit te spugen in de tuin waar ik mijn vriendin trof, uren later. Rood, vleugels, Geryon, Herakles, lola loves god. Ze keek me aan alsof ik niet goed werd en dat was ook zo.
Voor de rest van die middag voelde ik me Geryon, de verlegen rode jongen met vleugels die hopeloos verliefd is op Herakles, de klassieke fuckboy. Deze twee personages komen samen voor in een Griekse anekdote die de dichter Stesichorus rond 600 v. Chr. verwerkte in een lang lyrisch gedicht. In dit gedicht vermoordt de held Herakles het monster Geryon, om er vervolgens vandoor te gaan met diens magische vee. Carson vertelt deze anekdote, net als Stesichorus, vanuit Geryons perspectief. In haar handen wordt hij echter niet vermoord maar verleid. Niet door een gebronsde held op sandalen, maar door een zestienjarige schoolverlater. Carsons Geryon voelt in kleuren en spreekt in strofen, maar hij draagt ook T-shirts, zoent in bushokjes, eet perziken uit blik. Je vergeet dat hij rood is, dat hij vleugels heeft, dat hij een monster is.
Je zou kunnen zeggen dat Carson van het eeuwenoude gedicht een hedendaagse queer coming-of-ageromcom heeft gemaakt. Jongen wordt verliefd op jongen. Die jongen verlaat hem. Jongen stopt zijn verdriet in kunst die nog geen kunst genoemd mag worden. Jaren later komen de jongens elkaar weer tegen, dit keer met een derde jongen in het spel. Ze gaan met z’n drieën op vakantie, ze zijn uitzinnig. Het is intens leuk, maar ook intens verdrietig. De toon is bloedserieus, maar ook ongekend grappig. Ondanks het label ‘poëzie’ las ik het als proza, hunkerend naar een bevredigend einde, zodat ik weer opnieuw kon beginnen met lezen.
Het loopt uiteindelijk goed af met Geryon. Hij bevrijdt zichzelf uit Herakles’ grip door een vulkaan in te vliegen en er ongedeerd weer uit te komen. Tijdens zijn vlucht maakt hij een foto, getiteld #1748, die het sluitstuk vormt van zijn autobiografie. Hij lacht geheimzinnig de vulkaan in, die tegelijkertijd als camera fungeert. De titel van de foto verwijst naar het gelijknamige gedicht van Emily Dickinson. Carson gebruikt dit gedicht als epigraaf. Het begint zo: ‘The reticent volcano keeps / His never slumbering plan —’. Het eindigt zo: ‘The only secret people keep, / is immortality’.
Het voelde alsof ik, op die Franse berg, per ongeluk twee stukjes van een losliggende legpuzzel aan elkaar had geklikt. Carson en Dickinson delen een geheim, en dat geheim bevindt zich in het oog van die zwijgzame vulkaan, #1748. Ik wilde, net als Geryon, de krater van de vulkaan in vliegen en onderdeel worden van dat geheim. Met bonzend hart vond ik mijn weg terug naar de koele poëziehoek. Daar, op dezelfde plank als Carson, was Dickinson. Ik sloeg het verzameld werk open, waar ik niet één maar vele vulkanen vond. Slapende vulkanen die verwoesting beloven maar die belofte — vooralsnog — niet nakomen. Levende vulkanen die ‘dorpen nuttigen als ontbijt’, met ‘lippen die niet kunnen liegen’. Het was het begin van een verliefdheid. Ik was op Dickinson en op Carson, maar vooral op de vulkanen.
Sinds die herfst is de vulkaan de protagonist van mijn zoekgeschiedenis. Ik bekeek films, bezocht exposities, bestudeerde illustraties. In encyclopedieën en etymologieën glijdt mijn vinger als vanzelf naar de letter V. Vulcanus; smid van de goden, berg van vuur, vuurgod. Hellemond met vuurtong die de sterren streelt. Passage naar de onderwereld, waar rivieren van vuur stromen. Lichtbakens voor de sirenen in hun zoektocht naar Persephone. Vagina van de godin Pele, wier maandstonde zo nu en dan over de aarde vloeit. Gevang van de reus Typhon, die al woelend de aarde als een jas van zich af probeert te gooien. Veroorzaker van zwarte zomers, en daarmee bloedige revoluties. Achtergrond van koninklijke expedities en wetenschappelijke exercities. Maar vooral een verlangen dat, na een twaalf uur durende vlucht, eindelijk bevredigd zal worden. Of dat is mijn hoop.
In Nederland zijn er tot nu toe twee vulkanen gevonden. De ene in de Waddenzee, de andere in de Noordzee. Beide begraven onder duizenden meters schalie, zandsteen en zee. Niemand heeft ooit van ze gehoord. Dus besluit ik, samen met een vriendin, naar Mexico te reizen, naar een gezamenlijke vriend die onder een vulkaan woont. We zetten koers naar Cholula, ‘de plaats van degenen die ontsnappen’. Op een website voor toeristen staat een plaatje van de vulkaan zoals een kind hem tekent: steil, kegelvormig, als een toren naar de hemel. Ik kan me geen betere bestemming wensen.
In het vliegtuig lees ik het zoveelste boek over vulkanen. Geen dichtbundel dit keer, maar een boek vol weetjes. Passages over aardplaten die over elkaar heen bewegen op de snelheid waarop onze teennagels groeien, dat soort trivia. Ik kijk naar de dauw die zich heeft verzameld tussen de twee lagen raam, met daarachter een paar wolken en de zee, het blauwgrijze vlak dat die bewegende aardplaten verhult. Het was Empedocles die, 2400 jaar geleden, de vier elementen benoemde: water, lucht, vuur en aarde. Dat hij zoiets kon bedenken moest wel betekenen dat hij op gelijke voet stond met de goden. Om dat te bewijzen wierp hij zich in de krater van de Etna, overtuigd dat hij er weer uit zou klimmen om als god tussen de mensen voort te leven. Volgens een populaire legende spuwde de vulkaan echter alleen zijn sandalen uit. Empedocles ging, de elementen bleven.
Deze anekdote leert ons: als het tussen de mens en de vulkaan gaat, wint de vulkaan altijd. De mens is ijdel, waant zich groot. Maar oog in oog met de vulkaan weten we: ons leven gaat in een oogwenk voorbij. Dat gevoel van nietigheid kan lekker zijn, het spoort ons aan ons over te geven aan het wonder dat leven heet, maar het kan ook een verlangen aanboren om zelf groots te worden, om de vulkaan te doorgronden. Meestal gaan die gevoelens hand in hand. De benadering van een vulkaan brengt dan ook tegenstrijdige risico’s met zich mee: er is het gevaar van het vuur, maar ook het gevaar van de teleurstelling. Wat als de vulkaan waar ik naartoe vlieg niets met me doet, en slechts een naar zwavel stinkende berg blijkt te zijn?
Op het dak van ons tijdelijke huis zie ik voor het eerst een actieve vulkaan.
Hij is prachtig. De Popocatépetl wordt hij genoemd, de rokende berg. Een strijder, volgens een Azteekse mythe. Naast hem ligt de prinses Iztaccíhuatl, gestorven omdat ze dacht dat haar geliefde Popocatépetl de oorlog niet had overleefd. Bij terugkomst knielde hij, op de berg, naast haar levenloze lichaam, waarna de goden hen beiden met sneeuw bedekten. Hij voor altijd wakend, zij voor altijd slapend. Het verlangen van de twee geliefden; voor altijd gestild of voor altijd voortdurend? In stilte kijken we naar de rookpluim die tussen de lippen van ‘El Popo’ opstijgt, terwijl de honden om het huis cirkelen.
Onze vriend tilt, met opgetrokken wenkbrauwen, zijn camera op. Wat onhandig slaan we de armen om elkaars schouders. We glimlachen. Twee vriendinnen voor de vulkaan, versie 1. We leven. Ik denk aan de Schotse wetenschapper Mary Somerville, die in 1818 haar dochter Margaret op de schouders van een gids zette om de Vesuvius te beklimmen. In haar notities las ik hoe ze een ei bakt op roodgloeiende stenen terwijl haar petticoat in brand lijkt te staan. Eenmaal geconfronteerd met de eeuwenoude berg voel ik geen behoefte om de hete stenen onder mijn voeten te voelen. Ik ben overduidelijk geen Mary Somerville, met mijn tas vol mythen en poëzie. Tijdens de klim naar beneden, het dak af, slaat de twijfel toe: was het wel zo noodzakelijk dat ik deze vulkaan met mijn eigen ogen zou zien?
‘I have never seen “Volcanoes”,’ schrijft Emily Dickinson in haar eerste vulkanengedicht, ‘#175’. Ze werd geboren in 1830 in Amherst, Massachusetts. Ze stierf in 1886 in het huis waar ze geboren was. Ze bracht bijna al haar tijd door in haar slaapkamer. Daar liet ze een kist met 1789 gedichten achter, waarvan er tijdens haar leven maar tien gepubliceerd werden. Dickinson heeft (voor zover bekend) geen van deze publicaties geautoriseerd. Na haar dood werden haar gedichten door verschillende nabestaanden geredigeerd en gepubliceerd, volledig gestript van haar nu iconische syntaxis, interpunctie en hoofdlettergebruik. Pas in 1998, ruim honderd jaar na haar overlijden, werden de originele, onbewerkte gedichten als verzameld werk gepubliceerd, in hetzelfde jaar dat The Autobiography of Red verscheen.
Dickinson behoort inmiddels tot de meest gelezen en geliefde dichters in het Engelse taalgebied. De Amerikaanse dichter Adrienne Rich had grote invloed op de manier waarop we Dickinson vandaag de dag lezen. In het essay ‘Vesuvius at Home’ uit 1975 ontkracht Rich het beeld van Dickinson dat tot dan toe de boventoon voerde: een fragiel meisje in het wit, dat bloemen en versjes stuurde naar ongeziene vrienden. Een lady poet, een maagd, een wereldvreemde fee. In plaats daarvan laat Rich een dichter zien die wist wat ze deed, die vrijheid vond in een kamer die op slot kon, die zich bewust afsloot voor de buitenwereld om haar verlangen te volgen: ze wilde schrijven.
‘The woman who feels herself to be Vesuvius at home has a need for a mask,’ aldus Rich. Vanachter dat masker vond Dickinson de moed af te dalen naar daar waar het innerlijke vuur ongecontroleerd rondwaart. Wat ik op de berg zoek, vond zij in haar kamer. Ze hoefde geen vulkanen te zien, ze was er een. Onder het lieflijke gras gloeiden de vuurstenen. ‘It is always what is under pressure in us, especially under pressure of concealment — that explodes in poetry,’ schrijft Rich. 138 jaar na Dickinsons dood, 3400 kilometer van Amherst vandaan, voel ik de naschokken van haar uitbarstingen, terwijl ik naar een Mexicaanse berg kijk die zij nooit gezien heeft. Ik wil dichter bij Dickinson zijn, samen met haar de diepte in.
Met de as van de Popocatépetl nog in mijn neusgaten keer ik terug naar huis, terug naar #1748, de bron van mijn zoektocht. ‘Can human nature not survive / without a listener?’ vraagt Dickinson zich af in de tweede stanza. De nimmer slapende vulkaan die ze in het gedicht beschrijft geeft zijn geheimen niet prijs, maar Dickinsons vraag impliceert dat zij haar twijfels had of de mens tot hetzelfde in staat is. Dickinson was huiverig voor publicatie, faam was een gevaarlijk goed. Toch zocht ze, via haar brieven, haar toehoorders. Zo schreef ze in 1862, op een stoutmoedig moment, een brief aan de predikant en redacteur Thomas W. Higginson. ‘Bent u te zeer bezet om te zeggen of mijn Vers leeft? […] Zou u denken dat het ademt —’. Mijn oog blijft hangen op het woord ‘ademen’.
Dickinson wist dat haar woorden meer kans hadden om te overleven als ze zich konden verplaatsen, de toekomst in. In haar boek Eros, bitterzoet beschrijft Carson hoe, al in de vroegste metaforen, het ‘adem’ of ‘vleugels’ zijn die woorden in beweging zetten. Een verplaatsing die, als rimpels in het water, naschokken in de toehoorder teweegbrengt. Eros is de god die verantwoordelijk is voor deze vervoering. Hij schenkt de woorden vleugels, zodat ze via de adem van de spreker bij de toehoorder terechtkomen, maar hij schenkt ook de verliefde vleugels, zodat zij in contact kan komen met iets wat buiten haar bereik ligt. De net niet verkregen betekenis, de nog ongeplukte appel, het sluimerende geheim in de vulkaan.
In de Griekse Oudheid stonden de vleugels van Eros symbool voor een onweerstaanbare macht. ‘Wanneer je verliefd wordt, raast verandering gevleugeld door je heen, en kun je er niets tegen doen dat je je greep verliest op dat gekoesterde wezen, je zelf,’ schrijft Carson. Eenmaal gevleugeld hopen we het afwezige aanwezig te kunnen maken, het verre te laten samensmelten met het nabije. Als verliefde reis je alvast vooruit naar een punt in de tijd dat ‘dan’ heet, wanneer je eindelijk een hap zult nemen van de zo lang begeerde appel. Maar zodra ‘dan’ ‘nu’ inhaalt is dat bitterzoete moment verdwenen, en vind je jezelf opnieuw terug. Maar die ‘ik’ zal niet hetzelfde zijn. Eros is een werkwoord. Het begin van het worden.
‘Sometimes a journey makes itself necessary,’ opent Carson het hoofdstuk waarin Herakles aan Geryon vraagt of hij ooit een vulkaan heeft gezien. Het antwoord is nee. Dus reizen ze naar de andere kant van het eiland, naar Hades, waar Herakles’ grootmoeder woont. Zij heeft de meest recente uitbarsting vastgelegd op een foto, die na een sluitertijd van vijftien minuten de berg zowel in verstilling als in uitbarsting toont. Geryon raakt niet zozeer geïntrigeerd door de vulkaan zelf als wel door die foto. Samen met de fotograaf probeert hij te achterhalen waarom dat beeld hem zo ontstemt. Hij haalt Yeats aan, iets over vrolijkheid te midden van onheil. Dat is niet wat zij bedoelt. Ze komen er niet uit, vallen stil. Terwijl ze naar woorden zoeken houdt Herakles het kort: ‘A photograph is just a bunch of light hitting a plate.’ Even later dumpt hij Geryon.
Carson verklaart haar levenslange liefde voor vulkanen in Carsonese termen: ‘They are dead easy to paint.’ Meer heeft ze er niet over te zeggen. In de spaarzame interviews die ik lees maakt ze glashelder dat ze het liever niet heeft over zoiets banaals als de betekenis van haar poëzie. In plaats daarvan haalt ze veelvuldig de filosoof Simone Weil aan: ‘contradiction is the test of reality’. Ze beschrijft contradictie als een nuttige mentale gebeurtenis, omdat die ongerijmdheid de geest als het ware losmaakt, zodat je weer verder kunt met denken. Voor Weil was contradictie het begin- en het eindpunt van het denken. Geen bestemming maar een beweging.
De vulkaan is een plek waar de wereld zichzelf tegenspreekt. Eenvoudig te schilderen, maar onmogelijk te omvatten. Door vulkanen in te zetten in hun werk lijken Dickinson en Carson te suggereren dat de werkelijkheid te complex is om rechtstreeks benaderd te worden. Bij Dickinson manifesteert zich dit in haar beroemde ‘slant truth’, de waarheid die je alleen zijdelings kunt benaderen. Bij Carson vind je het terug in haar voorkeur voor het onvolledige, het fragmentarische, de ellips. En ik? Ik beweeg met hen mee, in cirkels.
Soms maakt een reis zichzelf noodzakelijk. Direct na aankomst vroeg ik naar de klim. Die is zwaar, volgens hen die onder de vulkaan wonen. De lucht ijl, het grind los. Het vereist training, een gids. De volgende dag beklimmen we een eeuwenoude piramide, waarop een katholieke kerk schaamteloos pronkt. Hoe dichter we bij de kerk komen, hoe minder interesse we hebben in het bouwwerk. In plaats daarvan kijken we naar de vulkaan. Ik herken dit uitzicht, ik zag het eerder in brochures. De perfecte tekening. Ik hield mezelf voor dat mijn gebrek aan spieren en kennis me ervan weerhield de klim te maken, maar ik wist ook dat als ik de berg werkelijk zou bereiken, dit beeld uiteen zou vallen. De vulkaan die ik zo liefhad zou worden wat hij al die tijd was: een vormeloze mengeling van steen, zwavel, rook. Ik bleef liever ongetraind.
We bleven drie weken lang rond de Popocatépetl heen cirkelen, zonder ooit dichtbij te komen. Ik zag hem vanaf het dak, de achterbank, vanaf tempels en heuvels. Ik hield hem in mijn vizier terwijl hij van kleur verschoot, van lichtroze naar diepzwart, stoïcijns zijn rookpluim uitblazend, alsof het niets was. In bed oefende ik de uitspraak van zijn naam, maar telkens viel hij uiteen tot as op mijn tong. Thuis scrol ik door de foto’s van de vulkaan; ze zijn bewogen, onscherp, uit balans. Ongrijpbaar, zoals ik hem graag zie. Mijn verlangen om deze vulkaan te kennen bleek kansloos, maar daar ben ik nooit teleurgesteld over geweest. Ik koester de aanblik, niet de ontmoeting. De beweging, niet de bestemming. De vulkaan bleef zwijgen, maar ik had voor een tijdje vleugels. Dat is genoeg, voorlopig. ¶
Literatuur:
Welk een waagstuk is een brief, brieven van Emily Dickinson, gekozen en vertaald door Bert Keizer, Ambo/Anthos, 2008
Autobiography of Red. A Novel in Verse, Anne Carson, Alfred A. Knopf, New York, 1998
Eros the Bittersweet, Anne Carson, Princeton University Press, 1986; Eros, bitterzoet vertaald door Jip Lemmens, Octavo Publicaties, 2022
The Poems of Emily Dickinson, edited by R.W. Franklin, The Belknap Press of Harvard University Press, 1999
Poëzie
De tuinen
Essay
Scheppen in autonome grond
Poëzie
Gedichten
Essay
Mozaïek en kiemcel
Verhaal
Gedeelde grond
Poëzie
Oden in de spooktuin
Essay
Verlangen naar gezamenlijkheid
Poëzie
Hagen
Essay
Met Otto in De Tuinen van de Egel
Poëzie
Missa botanica
Beeld
Garden
Verhaal
Zusterstemmen
Essay
Albidas
Verhaal
Onderverlicht
Poëzie
Stillevens
Poëzie
Naar het noorden
Stripverhaal
Closed due to weather
Beeld
Oproep van de tuinders
Beeld