Het is elf uur ‘s ochtends als hij bij haar flat aanbelt. Via de intercom zegt ze dat hij naar de derde verdieping moet. De deur zoemt open. In het trappenhuis schokt zijn lichaam alsof hij over klinkers fietst. Hij is nerveus. Boven is de gang gevuld met vergeelde posters, een stoffige nepplant, iets tussen een bijzettafel en een poef in: spullen te aftands voor in huis, maar goed genoeg voor een gemeenschappelijke ruimte. Met grote ogen zoekt Jonathan Conte naar nummer 15. Hij vindt de deur — hier moet hij zijn — en registreert vertraagd dat deze al openstaat. Dat scheelt, denkt hij, en stapt naar binnen.
Binnen treft hij een vrouw in pyjama. Hij kijkt haar op de rug. Ze staat op blote voeten op het kale beton van de leefruimte, omlijst door gordijnen. Aan het rvs-keukenblok herkent hij de sociale huur — thuis hebben ze er ook zo een. De studio is ingericht met vintage meubels die op een chique plek klasse zouden uitstralen, maar hier aandoen als de inboedel van een dode. De vrouw zoekt iets in een ladekast. Proppen van plastic tassen vallen op de vloer, langs haar blote enkels. Uit een van de lades haalt ze een supermarkttas, schudt die uit en strijkt hem glad op haar dijen. Nu hij ziet hoe ze woont, vindt hij het moeilijk om haar aan te vallen, maar dan bedenkt hij dat de flat waar hij en zijn moeder wonen nog kleiner is, de keuken nog armoediger en de meubels nog nietszeggender. Hij haalt het mes dat hij van K kreeg uit zijn binnenzak en klemt het in zijn hand.
Toen hij gisteren in de spiegel keek naar zijn grauwe, gevouwen gezicht en moest denken aan een leeggeknepen pakje Capri-Sun, of aan een boterhamzakje dat al weken in je tas zit, vroeg hij zich af of zijn uiterlijk wel geschikt is om iemand te overvallen. Maar nu ze hem ziet, schrikt ze en dat stemt hem enigszins tevreden. Op het kastje achter haar ziet hij nu de laptop liggen waarvoor hij gekomen is en als zijn blik daarheen gaat, legt ze in een mechanische beweging haar hand op het apparaat, alsof ze het nog wil zegenen voordat het van haar afgenomen wordt.
Eerder die dag was hij bij K geweest, die hem een klein pistool had overhandigd, maar dat had hij niet willen aannemen. Hij wist namelijk niet hoe het werkte. Een mes, zo had hij gezegd, zou ook wel voldoende zijn. Maar nu betwijfelt hij die keuze. Wat doe je eigenlijk met zo’n voorwerp wanneer iemand niet beweegt?
Het is 26 februari 2019 en zijn moeder denkt dat hij op zijn stageplek is. In plaats daarvan loopt hij nu naar deze vrouw toe, wier laptop hij wil stelen — een apparaat dat op Marktplaats te koop stond. Hij richt het mes op haar buik, zoals hij dat in gta doet wanneer hij hoeren neersteekt of een auto jat, en vraagt zich af of hij een game imiteert. Of imiteren games hem? Alsof de situatie nog niet te ver gevorderd is om te veinzen dat dit een normale afspraak is — waarin hij een laptop komt kopen en zij die aan hem geeft — slikt hij, richt zich direct tot de bevroren vrouw en perst eruit, in een stemgeluid dat klinkt als van iemand anders: ‘Mag ik de laptop zien?’
En dan vraagt ze hem, ondanks zijn grauwe kop, zijn lichaam, dat veel groter is dan dat van haar, en het lange dunne mes tussen hen in: ‘Mag ik het geld zien?’
Ze ziet er totaal niet dapper uit terwijl ze het zegt — eerder ontzettend zielig en verward, als een campagneposter van de ggz, en even overweegt hij het gewoon te laten, zijn excuses aan te bieden en naar buiten te lopen. En dan denkt hij aan het geld dat K hem beloofd had als hij de laptop zou brengen. En aan zijn moeder, die als schoonmaker werkt. Soms krijgt ze van klanten oude kleding: afgetrapte schoenen, een petticoat met een losse zoom. Spullen die zij niet meer willen, maar die voor haar wel kunnen, een beetje zoals de gemeenschappelijke gang waar hij net doorheen liep. Ze is er altijd blij mee, en hij vindt dat altijd gênant. Ze kan dan wel afdankertjes van mensen krijgen alsof ze een goed doel is, maar ze betalen haar ondertussen zo weinig dat het haar regelmatig niet lukt om de huur te betalen, laat staan dat er ooit iets overblijft voor hem.
‘Luister,’ zegt hij.
De vrouw staart hem aan.
‘Ik ga je niet betalen.’
De hand onbeweeglijk op het apparaat. Buiten lacht iemand hard op een terras, rijdt er een scooter voorbij.
Doe iets, denkt hij. Laat je tanden zien. Hij kijkt door een dun kokertje naar de vrouw. Aan het andere uiteinde gebeurt er niks. Met zijn lange, veel te lange arm maakt hij een steekbeweging naar haar. Zijn hand raakt haar buik, het mes belandt ergens in de ruimte. Is ze dood? Hij schreeuwt door het kokertje dat ze naar achter moet. Hij steekt zijn tong uit en blaast.
Het werkt. Haar lichaam deinst de flat in, de gladgestreken tas stijf in haar hand. Hij pakt het apparaat, stopt het in een van de plastic proppen op de grond, roept de ruimte in dat als ze de politie belt, hij of zijn vrienden haar komen vermoorden en dat ze weten waar ze woont. Dan trekt hij zich terug, stap voor stap naar achteren. Een muur raakt hem in zijn rug. De deurpost verschijnt in beeld, dan de gang, met de plant en de posters. De ruimte vouwt zich dicht. De vrouw in pyjama is nu alleen nog een herinnering. Hij draait zich om, de trap af met piepende zolen. De deur door, de straat op.

P R O C E S – V E R B A A L
van bevindingen 

Aanleiding
Op dinsdag 26 februari 2019 omstreeks 12:25 uur kwam er bij de centrale meldkamer van politie een melding binnen van een overval in een woning. Er zou een vrouw onder bedreiging van een mes in haar woning op Heesterveld perceel 15 te Amsterdam beroofd zijn van haar laptop en haar telefoon. De verdachte zou sportief gekleed gaan en opvallend grote

  ogen    hebben.

Mijn moeder had kanker en zou doodgaan. Niet veel later bleek ook mijn vader ziek. We mochten niet meer plassen op de wc die zij gebruikten, omdat de chemo die zich in hun urine ophoopte schadelijk voor kinderen was. Mijn ouders cirkelden als muntjes in een ouderwetse spaarpot rond een gat tot ze erin zouden verdwijnen.
Het vooruitzicht van een leven zonder ouders maakte me bang. Zo bang dat de angst me soms volledig overnam. Paniekaanvallen noemde de huisarts het. Een naam voor een lichaam dat op tilt slaat van rouw.
Mijn vader stuurde me daarom naar een vrouw in een dorp verderop. Ze noemde zichzelf coach, en op haar website krulde de laatste letter van haar praktijknaam in de vorm van een vlinder. Om de week op dinsdag fietste ik erheen. Ze vroeg me dan mijn zorgen op briefjes te schrijven, die ze zorgvuldig opvouwde tot kleine vierkantjes. Daarna borg ze die vierkantjes op rituele wijze op in een luciferdoosje. Ik moest mijn ogen sluiten en dan zei ze: ‘En nu is het doosje met zorgen dicht, is dat niet fijn?’ Daarna fietste ik terug naar huis, langs de groene en de gele weilanden. En probeerde dat dichte doosje in gedachten te houden wanneer mijn dode ouders mijn hoofd weer vulden.
Omdat dit alles al zo vroeg in het doosje was geforceerd, leek alles wat daarna kwam er moeiteloos in te passen. Ook Jonathan paste met gemak. Jonathan, die me aanviel met een vleesmes in de flat waar ik woonde. Die me op een haar na miste toen hij met dat mes naar me uithaalde. Die een laptop en een telefoon meenam, en vingerafdrukken achterliet op mijn voordeur die hij met een harde klap achter zich dichtsloeg. Die zei dat hij me zou vermoorden als ik de politie zou bellen. En Jonathan: ik belde ze toch.
Met loeiende sirenes reden ze mijn hofje in. Met kwastjes namen ze de plekken af die ik je had zien aanraken. Jonathan, je was vrij snel gevonden. Je had al eens vastgezeten voor winkeldiefstal, en de vingerafdrukken leidden de politie direct naar je naam en je adres. Bovendien had je op Snapchat gedeeld dat je een woningoverval had gepleegd, begeleid door een van het lachen huilende smiley, en was je met het mes in je hand langs de portiekcamera’s van mijn flat gelopen, op heuphoogte voor je uitgestoken als een erectie.
In de weken erna kreeg ik af en toe bericht van de politie over vorderingen in het onderzoek naar bewijs. ‘Welk bewijs?’ vroeg ik, toen ik weer werd gebeld en dacht aan de vingerafdrukken, de camerabeelden en de Snapchat-bekentenis.
‘We moeten uitsluiten dat jullie elkaar al kenden, en dat dit een manier is om hem erin te luizen.’
De politie verzamelde bewijs door voor twee weken je telefoon af te tappen. De getranscribeerde gesprekken bevatten vertalingen: bij WO stond met pen geschreven: WO = woningoverval. Je sprak uitgebreid met je opdrachtgever over je ‘WO’tje’, dat het zo goed was gelukt. Je plande nieuwe overvallen. ‘Heb je nog klannies?’ vroeg je heel stoer = klanten (politievertaling) — ‘mensen die ik kan prikken?’ = (steken).
Ik kreeg die gesprekken pas veel later te zien, toen ik het strafdossier opvroeg omdat ik je niet uit mijn hoofd kreeg. Of eigenlijk: omdat ik háár niet uit mijn hoofd kreeg. Je noemde haar toen je me schreef. Dat ze bang was dat het aan haar lag. Dat ze iedere dag huilde vanwege die angst. Dat zij de enige was geweest die je had bezocht sinds je vastzat.
Hoe meer ik mijn moeder al die jaren in een luciferdoosje had proberen te stoppen, hoe meer ze er was geweest. Ze had er niet minder kunnen zijn — maar in haar niet-zijn was ze overal. Aan het begin en het eind van alle verhalen. In hoe ik dingen onderverdeelde in goed en kwaad. In alle keuzes die ik maakte. Dus dat je je moeder aan het huilen had gemaakt met je gedrag, vond ik dan ook veel erger dan dat je mij met een mes had aangevallen.
Toen je me in dezelfde brief vroeg of ik met je in gesprek wilde over wat er was gebeurd, wilde ik je helemaal niet helpen. Jij was toen nog gewoon Jonathan — Jonathan die me voor een paar honderd euro bijna had neergestoken.
Ik wilde je moeder helpen. Omdat ik de mijne nooit heb kunnen helpen. Daar begint dit verhaal.

Nadat ik mijn woningovervaller had opgezocht in Rijks Justitiële Jeugdinrichting de Hunnerberg in Nijmegen, werd een artikel van mijn hand gepubliceerd over slachtoffer-daderbemiddeling, ons gesprek en mijn ervaringen. Vanuit gevangenissen uit het hele land kreeg ik vervolgens de vraag of ik met hun gedetineerden in gesprek wilde. ‘Ook een ontmoeting met een willekeurig slachtoffer kan recidive verminderen.’ Van penitentiaire inrichting naar penitentiaire inrichting ging ik met hen in gesprek. Eerst omdat hun motieven geruststellender waren dan het idee dat geweld willekeurig is. Gaandeweg omdat ik begon te begrijpen dat mensen, zodra ze het kunnen verwoorden, beter in staat zijn te dragen wat hun is overkomen. Vaak hoorde ik: ‘Ik zeg het maar gewoon zoals het is.’ Dan wist ik dat er iets zou volgen wat nog herschikt moest worden tot iets wat bewoonbaar wordt. Zoeken naar woorden voor wat zich aan taal wil onttrekken, lijkt op schrijven. Ik voelde me erin thuis. Op een gegeven moment ben ik verhalen gaan opschrijven. Sommige van die verhalen keren terug in het boek waaruit deze tekst afkomstig is. ¶

Gwen van der Zwan publiceerde in 2022 haar debuutroman Zuigertje. Ze regisseert documentaires, schrijft artikelen, doorliep de Rietveld Academie en rondt momenteel een master religiewetenschappen af. Daarnaast werkt ze aan haar tweede boek.

Meer van deze auteur