Elmer was een jongen en had de liefde nog niet gekend toen hij de Grote Kerk binnenging, een stellage beklom, onder een gewelf een meisje tussen de zuilen zag lopen, en viel.

Het meisje stond vlakbij, in het koor. Goud licht tekende haar haar, haar jurk was rood, de schouderbandjes waren smal en lieten haar schouders onbevangen glimmen. Ze hoorde zijn schreeuw, ze keek op van de folder met bezienswaardigheden, deed een stap naar achteren, en zag hem omlaag tuimelen en neervallen op de vloer die ook haar voeten droeg.

Ze bleef verstijfd staan. Hij lag op zijn buik, armen onder zijn lichaam, het ene been gevouwen, het andere verdraaid. Mond wijd open, bij zijn slaap een plasje bloed, eerder zwart dan rood. Met zijn glimmende broek en jack leek hij van een andere wereld.

Elmer was nog bij bewustzijn maar kon zijn benen niet bewegen. Hij vervloekte de ingeving die hem in de kerk had gebracht. Het was de eerste keer geweest, nooit eerder had hij naar binnen gedurfd. Als de meeste stadgenoten was hij altijd om de kerk heen gelopen. De stad zat met de kerk opgescheept, zij brak door het weefsel van huizen en straten heen, steeg er bovenuit en was ongenaakbaar. Maar hij had haar naar binnen zien gaan, en ze was mooi en ze trippelde over de klinkers en hij had gehoord dat meisjes in kerken nog mooier waren, dat hun schoonheid in de devote leegte alles overtrof.

Hij zag haar in een waas, het neerdalen van haar haar, haar borsten ingesnoerd, haar benen die in haar jurk verdwenen, haar blik die de ontzetting voorbij was en hem broos omvatte, hij zag de zuilen, ramen, spitsbogen, het gewelf dat hij net nog had kunnen aanraken, hij zag het licht dat groots en genadig was maar langzaam doofde. Ik ben een mug, dacht hij, geen mug maar een olifant. Toen gleed hij weg in duisternis.

Sindsdien was haar beeltenis op zijn netvlies gebrand, in een entourage van zuilen, praalgraven, muurschilderingen, traveeën, spitsbogen, hoge ramen. Ze was een icoon geworden, een heiligenbeeld. Het kluisterde hem aan de kerk. Daar zou alles samenkomen, daar zou hij alle pijnen doorstaan en haar terugzien. En als hij haar zou terugzien, dan zou hij andermaal voor haar neerstorten, hij zou haar voeten kussen en uit zijn kreupele lichaam herrijzen als een god.

Hij werd restaurateur. Zijn hele leven zou hij in kerken zijn en alleen maar hoeven afwachten. Ze hoorde bij kerken, eens zou ze zeker verschijnen. Dat zijn benen lam waren, was geen bezwaar. Zijn armen waren zo gespierd dat hij zich moeiteloos aan de buizen van de steigers omhoog trok en op het platform slingerde. Ook voor het bijwerken van de schilderingen had hij geen benen nodig, hij bewoog alleen met zijn bovenlichaam, neigde naar links, naar rechts, naar voren, naar achteren, en volgde met zijn kwast de contouren van bladerfiguren en heiligen, die eerst vaag waren, morsig als schimmel, maar door trefzekere plaatsing van streepjes en puntjes weer tot leven werden gewekt en ongegeneerd begonnen te stralen. Als hij een blaadje af had, een heilige zijn gezicht had teruggegeven, liet hij zijn arm zakken. Dan betrok zijn blik en gleed omlaag – misschien zou ook zij het floers van de tijd afleggen en tussen de zuilen opduiken.

Het restaureren ging hem goed af, hij kon zijn armen uren omhooghouden en legde een magie in de schilderingen die ze niet bezeten hadden. Hun helderheid schrijnde en deed de ogen van de mensen tranen. Al snel verspreidde zich zijn vermaardheid. Hij kwam in alle grote kerken van Europa, tastte hun muren af, blies bijbeltaferelen leven in en liet versieringen over de gewelven dansen.

Jaren van arbeid verstreken, Elmer werd ouder, zijn verschijning vager. Als alle mannen verloor hij zijn haren, zijn streken en het gros van zijn herinneringen. Maar de gloed van de liefde voor het meisje bleef in hem branden, zelfs toen hij in Siena trouwde met een afvallige non, die hem vijf kinderen schonk. Alleen had zijn verlangen haar contouren verloren en was abstract geworden. Hij wist niet meer hoe het meisje eruit had gezien, wat de kleur van haar haar was (goudblond), hoe haar benen eruit zagen (lang en verleidelijk), haar schouders (hartverscheurend), hoe haar blik was (het licht zelf!). Maar toen de Grote Kerk een restaurateur zocht, trok zijn lichaam van pijn samen en sprong ze ineens uit de krochten van zijn geest, verzadigd van details als een Vermeer.

Elmer begreep dat hij alles opnieuw zou moeten meemaken. Hij kuste zijn vrouw, streek zijn kinderen over hun bol, en betrok een hotelkamer met uitzicht op de kerk. Elke ochtend stond hij met een vage opwinding op. Dan schoof hij de gordijnen open en zat in zijn hemd voor het raam en zag hoe de kerktoren, grauw tegen een grauwe hemel, de eerste zonnestralen ving en oranjeroze opgloeide. Soms kon hij de gedachte niet onderdrukken dat het zijn blik was die de kerk deed gloeien. Dan kleurde zijn oog de hemel blauw en liet de toren nog feller stralen, tot hij zich als een gouden toorts verhief boven de slapende daken. Als de zon ook de huizen bereikte, toog hij naar zijn werk.

De kerk had eerst gezinderd van zijn hunkering. Maar toen ze na een paar weken nog niet was verschenen, begonnen de muren te bloeden. En toen ook het bloeden stokte, trok het leven eruit. Zonder haar was de kerk als een grafsteen. Zijn schilderen leed eronder. Het waren merendeels eenvoudige arabesken tussen de bogen, bladpatronen, maar zijn plaatsing van streepjes en puntjes werd onzeker, zijn kleuren verpieterden, zijn verf pakte slecht, bladderde na het opdrogen en dwarrelde als as omlaag. Zijn blik was dof en zijn armen voelden zwaar, hij had moeite zich aan de buizen omhoog te hijsen, en als hij buiten adem boven kwam, stroomde de donkerte vanuit het gewelf toe en kromp het licht in de ramen en moest hij zich vasthouden aan de steiger om niet over de rand te vallen.

Toen op een ochtend de hemel loodgrijs was, besloot Elmer ontslag te nemen. Maar in de kerk heerste een enorme drukte. Een schoonmaakploeg was in de zijbeuken en transepten uitgezwermd en veegde stof op hopen, het hout van de kerkbanken werd in de was gezet, agenten liepen nerveus rond, vrouwen droegen bloemstukken met lelies en anjers naar binnen. De koster werd van alle kanten belaagd en rende heen en weer tussen mannen in donkere pakken. ‘Morgen, morgen, mijn beste,’ riep hij toen Elmer hem aansprak, en schoot weer weg.

Elmer duwde zich uit zijn rolstoel en trok zich in de steiger omhoog. Bij elke buis rustte hij uit, de buis met handen en voeten omklemmend als een luiaard. Bovenaan waren zijn krachten gesloopt en moest een collega hem op het platform hijsen. ‘Vandaag is geen dag om over te slaan,’ zei hij, ‘maar als ik jou was zou ik de rest van de week in bed blijven.’

Elmer keek omlaag, naar de mensen. Hij had zijn kwast in zijn handen maar verroerde zich niet. Van buiten kwam weinig licht, lampen bestreken het gewelf met roze glazuur. Het lawaai van hamers, beitels en schuurmachines was overweldigend. Toen de werklui even inhielden klonk er onder het gewelf dun gezang en zag hij hoe de beelden van de doden zich oprichtten, hun benen over de rand van de praalgraven sloegen en zich uitrekten, Sint-Cristoffel kwam van de muur en banjerde door de kerk, tikkend met zijn stok, ranken woekerden over de traveeën en kropen langs de zuilen omlaag, de kerk groeide in mum van tijd dicht en te midden van de donkere vegetatie dromden beelden samen onderaan de steiger, ook Maria, die tussen de stenen figuren oplichtte als een vlam en haar armen naar hem uitstrekte.

Hij boog voorover, maar de ranken hadden hem omwikkeld, hij kon zich amper bewegen, hij moest ze voor zijn ogen wegslaan om haar te kunnen zien, hij moest zijn mond vrijhouden om nog te kunnen ademen, en hij zakte weg in koortsige sluimer en werd opgeschrikt toen de herrie weer losbarstte.

Even later viel de kerk stil en bleef ook het gezang weg. Hij begon te trillen, hij voelde hoe de lucht samentrok en neigde over de rand. De kerk was leeg, alleen bij de ingang hadden zich mensen verzameld. De koster herkende hij, en de mannen in pak, een van hen had een zilveren ketting om zijn hals. Ze stonden er stijf bij, met hun handen voor hun kruis. Als op een teken weken ze uiteen en toonden in hun midden een man en een vrouw. De man onderscheidde zich door zijn bolle, blozende hoofd, de vrouw droeg een rood mantelpak, had een strik voor haar buik en een roze glans in haar haar. Voor haar borst hield ze een boeket met witte bloemen.

De groep verdween tussen de zuilen, kwam ergens anders weer tevoorschijn en schuifelde langs muurschilderingen en panelen. Soms hielden ze halt en hoorde Elmer het brommen van de man, haar stem die zacht klonk en vragen stelde. De man leidde haar naar een grafmonument en begon weer te vertellen, maar ze leek hem niet te horen, ze staarde naar het stenen beeld, een man lag tussen twee vrouwen in, ze boog over de voorste vrouw heen, strekte haar arm, legde haar hand op de borst van de man als om zijn hartslag te voelen.

Ze kwamen naar de steiger. Toen ze vlakbij waren, zag Elmer haar kuiten, haar muiltjes die rood waren. De doodshoofden in de grafstenen bekeek ze, familiewapens; ze had moeite haar evenwicht te bewaren op hun reliëf. De zon brak door de ramen, haar haar ontlook, haar huid straalde, in haar handen het wit van het boeket. Ze keek omhoog en glimlachte hem toe en alles aan haar ademde de lome vitaliteit van een kat.

Hij hield zich vast aan het platform, helde steeds verder over de rand. Hij wilde in haar glimlach verdwijnen, hij wilde opgaan in haar blik, die de tijd brak en zijn wachten bezegelde.

Het was alsof de steiger meewerkte en hem bij haar wilde brengen, want ineens gleden de planken weg, zuilen kantelden, muren en ramen vielen voorover, de vloer kwam dichterbij, het gewelf schoot van hem weg; hij zag de vrouw, die haar blik had afgewend en verder liep, hij voelde de plank, die zich vervreemdde van zijn grip, hij wilde bij haar zijn en liet los, maar werd om zijn middel gegrepen en weer op het platform gehesen.

‘Zij is het… zij is het…’ stamelde hij, en achter hem zijn collega: ‘Wat denk je, natuurlijk is zij het, maar hou alsjeblieft je gemak, je zou haar schoentjes maar bevuilen als je…’ De laatste woorden verstond hij niet meer, hij verloor zijn bewustzijn.

Vallen is niet eenvoudig. dacht Elmer. Vroeger ging het vanzelf maar nu lijkt het een onmogelijkheid. Ik zou van Pont Neuf kunnen springen en vastgegrepen worden, ik zou me van de Eiffeltoren kunnen laten vallen en door een net worden opgevangen, ik zou me van het World Trade Centre willen storten en de torens in puin aantreffen. Een zwemmer die zichzelf wil verdrinken heeft het makkelijker.

Hij lag in neonlicht, ordners grijnsden hem toe. Ze hadden hem het kantoor van de koster binnengesleept en op een deken gelegd. Twee ziekenbroeders bogen over hem heen en pakten hem vast, maar hij wuifde ze weg en zei dat er niets aan de hand was, hij was hooguit oververmoeid.

Door de koster werd hij naar het hotel gereden. Daar viel hij in slaap en werd na een etmaal wakker, fris en licht. Door het raam van zijn kamer zag hij de Grote Kerk. De lucht was helder, de toren leek uit de hemel gesneden, de stenen en bogen tekenden scherp af, zo scherp dat ze hun realiteit verloren en ontastbaar schenen. Ik kan haar beter vergeten, dacht hij. Ik ben dichtbij geweest, ik heb haar kunnen zien, maar ik zal nooit door de barrière van haar verschijning kunnen breken. Ik kan alleen bij haar komen als ik dwars door haar heen val.

Hij voelde zich opgelucht en beklom de steiger. Zijn collega nam hem bezorgd op, ging door met werken toen hij zag dat hem niets mankeerde, keek nog een keer om, trok een krant onder zijn billen vandaan en wierp hem naast Elmer neer. ‘Toch een lekker ding,’ zei hij.

Daar was ze weer, daar lag ze uitgevouwen, haar foto besloeg de volle breedte van de krant. Hij pakte de krant, hield hem voor zijn ogen. Scherp was de foto niet, hij zag puntjes die her en der samenklonterden en tezamen haar beeltenis vormden. Maar ze was het helemaal: haar huid fluweel, haar haar dat golfde en een klein en blank oor vrijgaf, de ernstige voor langs haar mondhoek. Ze keek omhoog, naar het gewelf, en de man keek met haar mee. Haar blik was aandachtig en vol verwachting, alsof zich een openbaring zou voltrekken.

Ze keek naar hem. Hij zat daarboven, hij was daar tegen het gewelf geplakt.

Dichter kwam hij naar de rand en boog naar haar toe. Hij voelde de bemoediging in haar blik, het wenken van haar glimlach. Ze liet hem niet los, hoe moest hij háár dan loslaten? Hij wankelde, veerde terug, helde weer naar voren, achter zijn rug een schreeuw, gestommel, toen opende hij zijn handen en liet het platform schieten.

Hij viel met gespreide armen en benen en de vrouw deinsde terug en keek verschrikt omhoog, hij viel en de vloer week uiteen, een pijnscheut deed zijn lichaam sidderen en zijn benen vulden zich met kracht, hij viel en in de diepte stond het meisje in de rode jurk, hij viel en viel maar kwam niet dichterbij, hij zwaaide naar haar en ze bloosde en lachte verlegen, zwaaide terug.

Edzard Mik (1960) debuteerde IN 1995 met de roman De bouwmeester en schreef verder onder meer Mont Blanc (2012) en Goede Tijden (2010). Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s en essays. Zijn meest recente boek, Waar de zee begint, een liefdesroman die zich in Athene afspeelt, verscheen in 2014. Behalve romans schreef Mik korte verhalen, libretto’s en scenario’s voor korte films. Essays over beeldende kunst, theater, architectuur en literatuur publiceerde hij in De GidsNRC HandelsbladVrij Nederland en De Groene Amsterdammer.

Meer van deze auteur