1.

Ik ben niet bang om te doen alsof. Ik ben niet bang om me voor te stellen hoe het is een ander lichaam te hebben dan dit menselijke lijf, dus vandaag doe ik alsof ik een vogel ben. Een kievit.
Op de grond breng ik vele malen meer tijd door dan in de lucht. Als ik stilsta en de wind benadert me van achteren, voel ik hoe mijn kuif tegen de groeirichting in opwaait. En als ik door de lucht buitel, voel ik hoe de wind de onderkant van mijn vleugels aait, of misschien aai ik de lucht met mijn bewegingen.
Omdat ik van overzicht houd, richt ik mijn blik voortdurend op de verte. Daarom zul je me in bomen of struiken niet vinden — beschutting voelt juist onveilig. Zelfs mijn nest wil ik niet verstoppen, want ik moet en zal de hemel zien.
Ik ben iemand die goed luistert, maar ik deins er net als de andere kieviten niet voor terug te praten. We roepen allemaal als we gevaar zien, en dan schieten we eensgezind naar boven. Vaak lukt het ons de kraaien of buizerds samen weg te jagen.
Mijn soortgenoten koester ik hierom, maar ik vervloek ze ook. Ze willen hun nesten altijd net te dicht bij dat van mij bouwen, waardoor er geregeld schermutselingen ontstaan. Ik haat het als ze zo brutaal zijn te geloven dat zij meer recht op deze grond hebben dan ik en zo mijn ruimte beperken.

2.

Als mens ben ik niet bang om te doen alsof, maar ik ben wel voorzichtig. Soms speculeer ik vooral, dan twijfel ik maar ik zet door om buiten het menselijke te treden.
Als kievit denk ik niet dat ik me ooit compleet veilig voel. Ik claim weliswaar een stuk grond en baken het als mijn terrein af met geschreeuw en geflapper, de kans dat er dieven en moordenaars komen is gigantisch. Deze alertheid hoort wellicht bij mij, want nooit lukt het me volledig te ontspannen.
Zouden andere vogels dat wel kunnen? Degenen die dicht bij ons blijven profiteren van onze bescherming; als er gevaar dreigt en wij schieten de lucht in, verzamelen ze zich vlak bij ons. Ik denk dat ik het prima vind om deze weide met hen te delen.
Zou ik in mijn korte leven doorhebben dat er elk jaar minder van mijn soortgenoten zijn? Dat er elk seizoen minder eieren uitkomen? Dat er steeds minder insecten zijn die wij kunnen eten? Zou ik de aandrang voelen om me voort te planten of zou ik geloven dat we altijd al met zo weinig zijn geweest?
Een tijd geleden maakte ik een ramp mee. Terwijl ik op mijn nestje zat hoorde ik een ronkend geluid dat mijn soortgenoten deed opvliegen. Ook ik ging de lucht in om het grote gevaarte te zien dat ons veld had betreden. We protesteerden luid en probeerden uit alle macht dat beest weg te jagen, maar het negeerde ons verzet en leek onaangedaan door onze duikvluchten.
Toen het mijn stuk grond voorbij was, vloog ik naar de plek waar ik mijn nest had gebouwd. Daar bekeek ik de verwoesting, cirkelde er vervolgens schreeuwend nog een paar keer boven, landde weer en wilde maar niet geloven dat ik alles had verloren.

3.

Je kunt niet eindeloos doen alsof. Er loopt een insect over mijn arm, waardoor ik teruggeworpen word in dit lijf dat nooit heeft kunnen vliegen of nestelen.
Ik hoor een kievit maar zie hem of haar niet. Als ik van dit stuk grond waar we op uitgenodigd zijn weg zou lopen, als ik de weelderige begroeiing en de tuinen die sinds een paar jaar voor mens en dier zijn ingericht, zou verlaten en het weiland rechts van me zou betreden, zou ik het nest van de kievit misschien wel vinden. Maar dat doe ik niet want dat weiland is van iemand. Van een mens bedoel ik, van een mens die waarschijnlijk niet wil delen.
Elk stuk grond op de wereld is door mensen geclaimd. We hebben lijnen getrokken, we hebben gegraven, gebombardeerd, gezaaid, gebouwd, gejaagd, gepompt, gespit en vergiftigd, en dat alles vooral voor ons eigen gewin.
Zelfs een meent zoals die eeuwen geleden bestond is nooit werkelijk gemeenschappelijke grond geweest, omdat hij alleen van mensen was. We delen hem, beweerden ze, maar met ‘we’ bedoelden ze nooit andere dieren. Of ja, misschien wel de koeien, varkens en schapen die ze als hun eigendom zagen, die mochten er wel komen, maar dan alleen als en zolang de mensen het toestonden.
Dit stuk grond waar we nu op lopen bij De Tuinen van de Egel is dan ook geen meent te noemen; hier betekent delen wel dat alle soorten er mogen komen.
We lopen tussen rijen bomen die aan hun lot zijn overgelaten zodat de natuur zelf kan bepalen wat en wie hier zal groeien. Mensen komen hier nauwelijks meer en als ze er zijn, laten ze alles wat eetbaar is hangen voor de dieren.
Plots schiet een eindje verderop een ree weg tussen de bomen. Zou het dier hier al eerder geweest zijn? Zouden deze bomenrijen een veilige haven zijn waar hij of zij geregeld komt schuilen? Hoelang nadat dit stuk grond is overgenomen door de huidige boeren zou dit ree gemerkt hebben dat er nauwelijks mensen komen?
Onze voetstappen zijn luid en we ritselen als we langs de bramenstruiken lopen. Had ik maar hoeven, dan zou ik veel minder wezens schrik aanjagen.

4.

Mensen hebben geen territoria, geen leefgebieden. We hebben woonplaatsen, huizen of naties. Wie territoriaal is, schreeuwt als iemand zijn thuis nadert en is bereid te vechten om zijn stuk grond te behouden. Nee, wat wij doen is vele malen beschaafder. Al die hekken waarmee we de routes van anderen versperren, alle wapens waarmee we indringers weren, al dat gif waarmee we gedachteloos vermoorden, zijn onmogelijk als uitingen van territoriaal gedrag te definiëren.
Een paar kilometer verderop, ergens in Deventer, staat een hertenkamp. De herten hebben daar geen territorium en ook geen leefgebied, ze hebben slechts een gevangenis. Vluchten kunnen ze nooit en daarom voelen ze zich misschien nooit veilig.

5.

Ik denk dat mensen bang zijn voor de gevolgen van het doen alsof. Ze verschuilen zich achter het taboe op antropomorfisme, wat we geacht worden te allen tijde te vermijden.
Het probleem is dat mensen enkel vanuit hun eigen wereldbeeld vertrekken en hun gedachten en gevoelens als uitgangspunt nemen, zonder moeite te doen om het dierlijke perspectief centraal te stellen. Terwijl we met alle kennis die we nu hebben kunnen proberen andere ervaringen te begrijpen: we weten bijvoorbeeld dat sommige dieren trillingen voelen, dat andere heel hoge geluiden horen, en dat weer andere complexe manieren hebben om hun zwerm mee te lokken naar een plek waar ze beter kunnen overleven.
Als je eenmaal begrijpt dat de wereld op een oneindige hoeveelheid manieren te ondergaan en te begrijpen is, zal de antropocentrische hegemonie afbrokkelen. Je eigen soort blijkt niet het middelpunt, niet uitzonderlijk. De wereld daarbuiten blijkt zelfs te gedijen bij jouw afwezigheid.
Als boeren eens zouden doen alsof ze kieviten zijn, zouden ze dan ooit nog op hun tractoren durven rijden?

6.

Deze oase kent zijn beperkingen. Rondom deze lap grond zijn obstakels neergezet om grenzen af te bakenen, het vergif van de overige velden weet ook de bladeren hier te vinden en de agressieve geluiden van de machines verstoren vele gesprekken.
En deze oase biedt slechts voor een beperkt aantal dieren een thuis of een rustpunt. De kievit hiernaast heeft er weinig aan, die wil alleen maar vertoeven op weilanden — die omgeving is voor hem of haar een oase. Nu voedt de ene plek misschien wel net als de andere: wie weet leven er hier steeds meer insecten, die zich langzaam verspreiden naar het belendende veld, waar de kievit ze kan opeten.

7.

Ik haal een stuk plastic uit de aarde en ben bang dat ik anderen altijd maar angst aanjaag. Op dit stuk grond is dit witte plastic een veelvoorkomende relikwie uit de tijd dat er hier intensief fruit verbouwd werd en de boer de scherven van zijn aardbeienpotjes niet altijd opruimde.
Hoe diep zou je moeten graven om die scherven niet meer te vinden? Zou je dan bij een aardlaag uitkomen van toen deze grond nog wel echt gedeeld werd?
Ik doe alsof ik een kever ben die tijdens het graven op een harde muur stuit. Dat belemmert me even, maar ik blijf doorgraven tot ik wortels heb gevonden.
Wortels vol microplastic, aarde vol micro­plastic, water vol microplastic.
Als mens ben ik bang voor de erfenis van mijn soort. Terwijl ik de aarde schoffel rond de rijen aan gewassen die voor mensen bedoeld zijn, probeer ik de brokken plastic te verzamelen, maar er is geen beginnen aan. Er zal geen eind aan komen. Zolang al deze relikwieën van vernietiging er liggen, zullen we dit stuk grond misschien wel nooit echt gedeelde grond kunnen noemen.
Als kever ben ik misschien bang. Kevers schrikken als ze potentieel gevaar zien of voelen, daarvan zijn we zeker, maar of daar angst bij komt kijken valt zonder verder onderzoek niet te zeggen.
Mijn geschoffel zal nu door allerlei kevers opgepikt worden die mij via de trillingen in hun ledematen steeds dichterbij voelen komen. Ik zie niet wat daar onder de grond gebeurt, heb er geen idee van wie vlucht en wie verstart, wie ik vermoord en wie ik laat leven.

8.

Hoor ik telkens maar één kievit? Horen ze niet met meer te zijn? Het is de tijd in het jaar waarin de kuikens uitkomen, dus er moet nog beschermd worden. Of zouden de eieren het niet eens tot nu toe gered hebben?
Ik ben niet bang om te verdwijnen, soms verlang ik er zelfs naar om het verval niet mee te hoeven maken. Maar het voelt ook als de makkelijke uitweg: ik wil niet na hoeven denken over de verantwoordelijkheid die we moeten nemen. Over wie al het plastic in al die aardlagen opruimt of wie alle wapens vernietigt.

9.

Bij de kersenbomen aan het begin van het perceel komen nauwelijks mensen, die grond is net als de bomenrijen aan de achterkant ook bedoeld voor niet-menselijke gemeenschappen. Het schijnt een beetje luguber te zijn tussen die bomenrijen, wat donker en verlaten. Verlaten omdat je voelt dat mensen er al lang niet zijn geweest. Verlaten omdat je voelt dat er ander leven groeit, dat zich voor jou verstopt.
Ik ben er niet wezen kijken, ik onderdrukte mijn ontdekkingsdrang. Ik wilde dat er een plek was waar ik niet kwam en waar ik aan de verbeelding moest overlaten wie daar wonen en komen.
Misschien wordt de grond gedeeld zolang er ergens geen mensen zijn. Zodra wij er zijn proberen wij de omgeving te beïnvloeden.
Ik denk dat ik me te veel verlies in de gedachte dat wij niet zouden moeten bestaan, alsof het realistisch is dat wij allemaal zouden verdwijnen. Maar het lijkt onmogelijk dat wij ons gedrag op grote schaal aan zouden passen en dat veel meer weilanden plaatsmaken voor oases waar mensen nauwelijks komen.
Misschien doe ik maar alsof ik een mens ben die meer geeft om de natuur dan om zichzelf, want zodra ik hier weg ben ga ook ik door met consumeren. Ik stop weliswaar niet eigenhandig plastic in de grond, maar ik voorkom niet dat anderen dat doen en ik ruim de scherven en brokken die overal liggen niet op.

10.

Ik voel niet hoe een insect over mijn broek loopt, ik hoor geen hoeven over de aarde lopen, ik speur niet de lucht af om potentieel gevaar te ontdekken.
Ik ben bang voor het einde van anderen. ¶

Mina Etemad (1987) is journalist, schrijver en theaterrecensent voor de Volkskrant. In 2026 verscheen haar literaire memoir De zangvogel. Over Iran, ontheemding en een schuldgevoel dat nooit verdwijnt.

Meer van deze auteur