Een plotselinge toename van mijn tijdelijkheid

Een plotselinge toename van mijn tijdelijkheid.
Ik sta hier maar ontdekt te zijn.
Ik waan me onbeschut.
Moet ik gaan schuiven met pionnen.
Het komt me voor dat ik ongerust ben.
Alsof er iets nog bij kon.
Ben ik geen onvoltooid verleden tijd?
Het begint hier maar te gonzen.
Is het tijd voor een horloge,
of voor het vervangen
van mijn broeken?

Een plotselinge toename van mijn tijdelijkheid.
Ik zou graag willen worden opgebeld.
Waarom heb ik geen gesprek met vrienden?
Zal ik naar buiten gaan of in het park lopen.
Ik heb contouren als de gravelstenen.
Alsof er iets nog bij kon.
Heeft iemand hier een rugzak?
Zo snel groeide ik nog nooit.

Alles begint hier licht en zwaar
te voelen.
Neemt iemand mijn OV-kaart mee?
Moet ik nog een vriend betalen?
Denk ik nog aan het opdoen
van mijn crème?
Ik die over straten ren,
alsof ik ooit geboren ben.

Er is hier weinig veranderd, alleen
een toename van tijdelijkheid.
Kinderen die langsrennen als foto’s.
Ik wist niet dat er iets nog bij kon.
Ik grijp mijn sleutels,
mijn vingers voelen ontheemd.
Blootgesteld te zijn
van kruin
tot aan mijn erfelijke tenen.
O, wij zullen doorgaan.
Ik was zelden zo terloops.




Na de ceremonie

Ze vertellen me dat na de ceremonie
het hele leven stil zal vallen.
Het diploma in je handen, de laatste
schoolmeester vertrokken.

Niemand leest meer alle boeken.
Een gong wacht werkeloos in een hoek.
De zieken zullen verzorgd worden
door stilgevallen handen.
In de balzaal vinden we haarspelden
van de gasten.
Een priester zoekt zijn woorden
die hij ooit had bij het altaar.

Lang na de ceremonie
zullen de mooiste dingen gebeuren.
Iedereen zal de koorts ontwennen.
De prijs zal nergens meer zijn.
We zullen elkaar kunnen verdoemen
maar het zal nergens meer op lijken.
We kunnen elkaar onterven
of vallen over elkaars handen,
want dat soort dingen gebeuren
na de ceremonie.
Tijd dat dingen struikelend vallen
in onze armen.
Ik zoek een plaats om mezelf
te zijn.




Je stond op in een wereld

Je stond op in een wereld die geen ruimte had
voor vragen, eerder was alles een museum
en besloot het soms op te raken.
Ik voelde me een veld vol mogelijkheden.
Het was toen dat ik inzag:
sommige mensen zijn straatnaamborden,
zullen lopen en springen van daken,
andere beelden zich in dat ze lijken
op sterren. Andere liften soms
heel even
in de buik van een walvis mee.

Ook staan er mensen op de route
die het liefste gevonden willen worden,
hun handen spreiden en brokkelen,
tikkertje spelen en stapvoets gaan,
minder worden dan een ruïne,
op uitkijk komen en een kelder zijn.

Ik ben zo oud geworden.
Ik merk dat ik koortsachtig moet doen.
Misschien ga ik nog naar Nineveh.
Vandaag beieren de klokken
en ik wil de zwaluwen berichten.

David Bogaers (1994) schrijft gedichten. Daarnaast schrijft hij muziek als popact Het Laatste Woord. Hij studeerde filosofie en conflictstudies. Gedichten van hem verschenen eerder in Liter en Het Liegend Konijn.

Meer van deze auteur