*
Op de rode bank zit ze
  in de lichte kamer. de gordijnen hebben
haar gezicht erop, bewegen wanneer zij het wil,
              mijn gordijnen.
      haar rode jasje trekt ze uit, een
    wit shirt heeft ze aan, tot helemaal
  onder haar adams; onder haar kraag
          een strikje.     ze is een vrouw
maar nu is ze een meisje; nu zijn we twee.
              de bank is wit
  en de kamer is lichter. ze schildert zichzelf
en ik ben haar waterkom; ze schildert
  een naakt meisje ja ik ben jouw zeg ik.
op de naakte bank ligt ze
en de kamer is nog lichter

    *
Haar hand rust op tafel, de tafel houdt haar hand vast.
  het ademen bestaat en haar jurk bergt het. haar schoon-
heid is een vriespunt daar waar zij mij opwacht.

nu na het schaamrood het ontstoken is, een doek
  om in te adem, haar borst geweven echo’s, ze blinden
me in tot dit innerlijke, tot dit ontvonkene, tot —

    *
De zwaarte van water, op haar aangezicht
  blaakt het, dieper dan het verdronkene.
Taal van bedding — overstemd — hoe?
            Liefste, ik begin te
denken je leliënhanden in linnen, of
  sperwerskind in armen; tussen je oksels
en langs je borsten glanzen je haren;
  waar plaats je toch je voeten
dan op mijn schouders? — hoe het
  ademloze aan lippen?
            Liefste, ons ritselen,
  huid van rivier.

    *
  Hier binnen voel ik mij geplaatst,
aangeraakt door rastervormig strijklicht
Goud wit blauw en bruin, of
  grijs bruin donkerblauw en dieprood;
haar vingertoppen raken aan haar kin, of
  zij tilt een kan bijna op

De deur staat op een kier, de deur is mij open geheel;
  de symbolen worden zo erg op de achtergrond
  gedreven, dat ze lijken te verdwijnen
terwijl zij nadenkt

    *

Ik voel verdriet als ik naar de meisjes kijk,
zoals ze spelen met hun lange haren,
  Amstelveld keerkring van wiekslagen.

De duif vliegt, alweer, alweer haar straat in.

  En mij blauwt jouw verdwijnpunten oog.

    *
  iedere dag weer nieuweling in het mindere,
telkens achtergelaten door het asynchrone,
  op zoek naar in een lichaam wat bodemverheffing,
terwijl de stapelgolven hun verdronkenen bezingen.

  alsof de grijze eiken — mauve tamarisken —
gezichten zijn van een zuiver verleden
  (parels om haar nek, parel aan haar oor)
omstuwend een trillen, een uitwaaieren is,
  zoals zo vaak —langs de lengte— loop ik
in Amstele richting, en het me van voren
  aanraakt, wat lichteloos was, het maandag—
avonde, eindelijk op straat rustige, in blikveld
  niemande —de wind zwelt aan— spoor
van stilte, zeggende
  ‘ik denk over je na.’
die andere ogen, ze
sluiten zich; het is voelbaar,
  de minder brede schouders, de vollere borst,
de langere haren, de heupen breder, vanbinnen
  beter, het leven beter, zoals zij daar in plaats van
zou lopen.

‘ik denk over je na’ en over het einde,
  het weggerukt—worden, op zoek naar in
een lichaam wat niet veroudert.

Izaak Nauta (2002) is dichter. In zijn liefdespoëzie probeert hij de kloof te dichten tussen ik en ander, man en vrouw, verleden en heden. Zijn bundel In Amstele richting trapt een autobiografische reeks af waar hij zijn hele leven aan wil werken, genaamd Het gedicht zonder eind.

Meer van deze auteur