Lapland, nationaal park Muddus (juli ‘21). In het arctische bos durf ik de aanlokkelijke, maar vreemde paars-gele bessen niet te eten. Ik zag een berenpootafdruk, en bleef uit de buurt. Na een week zonder woorden — gesproken, gelezen of geschreven — ruist het achter de bladeren, een generator of een helikopter lijkt het, maar het blijkt herrie die van binnen komt: ik had simpelweg nooit eerder langdurige, diepe stilte mee­gemaakt. Waar ik het liefste verblijf — soms de hele dag zonder iets te doen — is de begroeiing weerbarstig verdraaid. Een maand is genoeg om een plek een beetje te leren kennen. De ziel van het landschap heeft een rondje kunnen draaien. Aan het einde verwelkomen de bomen me.

Amsterdam (november ‘21). Bezoek aan het optreden van V.: video-opnames van ceremonies van over de hele wereld: mensen die dansen, zingen, bidden, op alle muren door en over elkaar heen geprojecteerd. We kijken naar de in elkaar overlopende mensengroepen op de muren. Drummende schimmen schitteren ook over onze lichamen. We dansen vanbinnen.
V.’s optreden faciliteert wat de schermen normaal alleen maar beloven. Wat ik anderen op mijn scherm zie doen, daaraan neem ik per definitie geen deel. Passief toekijken belooft vrede, maar zodra het scherm uitgaat, is er weer onrust. Namaakvrede kost ook aandacht, het enige waardoor verbinding groeit. De extreemrechtse, katholieke influencer roept met engelengezicht op tot vreemdelingenhaat. Als ik geen gelijk hoef te hebben, is mijn tegenstander de leraar die ik nodig heb. Wie droomt dat vreemdelingen verdwijnen, hoopt de eigen vervreemding te beëindigen. Liever dan naar ‘online intentionele content’ kijk ik naar synthetische beeldtroep: betekenisloos, maar gericht op collectiviteit.

Hilversum (januari ‘22). T. neemt me mee naar een oude fabriekshal omgebouwd tot wellnesscenter. De host spreekt in tongen en noemt dat goddelijke taal. We vlijen ons achterover — we zijn met zeker honderd — en de host legt kort een vinger met een druppel geurige olie op ieders voorhoofd. Tintelende explosies van energie. Naderhand gaat het over racepaarden en satanisten. De te koop aangeboden kunststoffen zeiltjes met goudkleurige opdruk — ‘portals’, die jou als je erop staat met hogere dimensies verbinden — zijn gemakkelijk als misleidende oplichterij af te doen — ook, en misschien wel zelfs, als ze werken — maar het overheersende gevoel bij de aanwezige yogamoeders, mental coaches en renteniers is: hier gebeurt iets waar we allemaal al lang naar verlangden. De onvrede en de onmacht glimmen even obsceen als de weelde. In deze samenleving is een certificaat mindfulness nodig om gezond te blijven, wie zei dat ook alweer? Anderen noemen het boeddhisme, zen, tao of vogels kijken: allemaal inadequate verwoordingen van de weg terug­vinden uit ballingschap. Dit zijn mijn mensen, al sta ik onmogelijk ver van ze af. We lezen niet meer dezelfde teksten.

Malmö (april ‘22). De negentiende-eeuwse vaklieden hebben in het kerkje hun best gedaan: de worteltakken en bladermotieven draaien over de zuilen en binten. De aanwezige familieleden en vrienden — bij elkaar een klein dorp — zingen. De lianen en bladertwijgen wentelen. De bewerkte takken zijn niet meteen te onderscheiden van de levende boomstammen waar ze ooit aan vastzaten. Beukenbladeren trillen in het zonlicht, door gekleurd glas naar binnen geblazen.
Ik herinner me de andere kinderen van het koortje, in de rij voor de hostie. Op zondagochtenden bleef ik in mijn eentje op het podium, stil voor het altaar, achter de pastoor. Ik kreeg de Zoon niet te eten, nam niet deel aan zijn verlossend sterven, en Jezus droeg niet een heerlijk moment al mijn lijden. Het waren de laatste jaren dat de dorpskerk werd gebruikt. Niemand kon zich meer wat voorstellen bij het mysterie van het brood getransformeerd tot het lichaam van God. De laatste pastoor raakte niet meer opgewonden van het idee even samen te vallen met zijn goddelijke lichaam. Alleen de zangjuf voelde tijdens haar lievelingskoraal — wanneer allen in harmonie samenvallen — genot tot in haar tenen.

Limburg (augustus ‘22). A. weet van ieder gedeelte van de lindeboom waar hij het in en om het huis voor kan gebruiken. Hij weet van alle bomen in zijn bos hoe ze eraantoe zijn. Hij weet waar en wanneer welke paddenstoelen opkomen, en welke eetbaar zijn. Hij weet wanneer welke buurman voor welke klus kan worden benaderd, en ook wanneer die buur zelf hulp nodig heeft. Eens per jaar komt zijn familie samen bij de waterbron op het veldje, om die tijdelijk opnieuw aan te sluiten: evenveel praktische oefening als ritueel. A. heeft een baan en officiële functies, maar al dit belangrijke werk blijft onzichtbaar. Op de akte van eigendom van huis en land staan rechten, maar geen plichten of instructies. Die moet je zelf elders halen. Sommige dorpelingen vinden hem een vreemde. Maar op het kerkhof midden in het dorp liggen zijn grootouders vooraan.
Ik kom hier tot niets. De dagen worden opgeslokt door werkzaamheden die van alle kanten op me afkomen. Af en toe duikt S. op uit mijn manuscript, maar ik heb niet genoeg tijd voor haar. Steeds wanneer ze verschijnt, richt ze mijn aandacht op de volgende pelgrimstocht.
Ze heeft net te horen gekregen dat ze voor een officiële missie naar het tropisch regenwoud af zal reizen. Maar vanbinnen weet ze dat ze net als iedereen erheen gaat vanwege het daar gelokaliseerde ‘fenomeen van de versnellende biodiversiteit’. Ze staat op het punt zich voor het eerst over te geven aan de moorddadige weelde van de levende natuur.

Polen oerbos van Białowieża (november ‘22–februari ‘23). De boswachter leert me de beste manier om het verboden bos in te sluipen, en hoe je zelfs bij diepe vorst in de openlucht een goede overnachtingsplek vindt. Ik kijk naar de modderige rupsbandsporen, het geel van de vlindervleugel in de sneeuw, en het paarsverlichte raam van de grenswacht, omdat ik niet bij mezelf naar binnen kan kijken. Twee legers bezetten het bos van verschillende kanten. Ze jagen niet op elkaar, maar op dezelfde vluchte­lingen. In een tentje bij de splitsing van de bos­paden verblijven iedere nacht twee soldaten. Ze kennen het bos niet, want het zijn jongemannen uit andere delen van het land. Overdag tref ik de kadavers van het wild dat ze uit verveling hebben geschoten. De pagina’s schrijven zich vol: ik luister naar de activisten, bezoek gespeeld nonchalant het legerkamp, draag batterijen en water voor vluchtelingen. Maar mijn vrienden hier — allen al sinds lang ontworteld — vertrekken een voor een. De bezetting maakt bosovernachtingen en kampvuren onmogelijk. Het oerbos is opeens echt verboden gebied. Voor iedere beweging moet je door politiecheckpoints. Sommige dorpelingen hebben een handgemaakte poster voor het raam met wij steunen onze jongens. Hoe je naar de levende natuur kijkt, toont in welk kamp je terechtkomt. Beide legers staan in deze kwestie aan dezelfde kant. Met privileges kan de keus enigszins worden uitgesteld: zorg dat je altijd officiële connecties hebt, of doe alsof. Dreig nooit, wees niet arrogant, handel niet als prooi. Beweeg met de zekerheid van iemand die er thuishoort. Overal vandaan komen nieuwe beroepsactivisten, net als de soldaten. ‘Laat die shitty Amsterdam guy achter,’ raadt het hippiemeisje me aan, dat overnacht in een van de jagershutjes. Wanneer ook ik vertrek, zijn het de boswachter, de biologen en de paddenstoelenzoekers die ik mis, meer nog dan de nooit aanwijsbare, altijd voelbare, onheilspellende aanwezigheid van het bos.

Berlijn (maart ‘23). God is terug en Ze is zwart. Ik herken haar in een club. Ze fluistert: Ik heb vele namen, ik doe mee met wie je ook vrijt. Dansend strekken we ons uit tot in onze naasten. Ze heet G. en is een kwart Bulgaars. Onderwerping voelen: techno is overheerserscultuur. Het donker van de vloer slokt ons op. Sterf in mij.
Het is niet gemakkelijk, je naam loslaten: elke engel is — inderdaad — verschrikkelijk. Haar direct gevoelde aanwezigheid — geen allegorie, niet een idee, dit kennen is intimiteit — prikt door al mijn maskers, herschikt ze, voedt ze. Wildernis kun je liefhebben als een persoon. Maar geslachtsgemeenschap is slechts een van de vele vormen van communie. Ze verdwijnt bij het eerste woord: ik hoef het niet eens uit te spreken, me vereenzelvigen met de gedachte is genoeg om weer alleen te zijn.

Rotterdam (mei–juni ‘23). J. slaat voor iedere avondmaaltijd een kruis. Ik ben dan stil en wacht met eten. Tijdens de verbouwingswerkzaamheden zwijgen we. J. wil ook geen radio aan. Voor hem is het pand leesbaar: de verborgen constructies van de afgelopen eeuwen die bij de sloopwerkzaamheden soms tevoorschijn komen, vertellen hem hoe ze hier vroeger werkten. Met powertools omgaan is makkelijker als je vingers zich nog herinneren hoe het moet zonder motor. Mortel afwegen hoeft niet als je handen hebben leren luisteren naar het materiaal. Na anderhalf uur werken is de vermoeidheid weg, altijd. In zijn bus verzamelt J. het sloop­materiaal om later mee naar Polen te nemen. Hij draagt nooit een stofmasker. Tijdens de lunch steekt hij tenen knoflook en stukken gemberwortel tussen de plakken worst. Op zondag gaat hij naar de Poolse kerk die in de buurt bleek te staan. Soms ook op vrijdagavond, naar de mis van het Heilige Hart. In de koelbox — de enige plek in huis beschermd tegen bouwstof — bewaart hij zijn zondagse pak en schoenen. Na de mis heeft hij energie voor een week. We wisselen slechts de hoogstnoodzakelijke woorden uit, in het Duits. Hij is niet goed in uitleggen, maar door hem te observeren leer ik meer dan van welke studie dan ook. Warten auf den Tod, laat hij zich ontvallen, als ik hem vraag naar welke klus hij uitziet. De een kookt, de ander ruimt de werkvloer op en maakt plaats voor de matrasjes. Ik haal dagelijks de materialen en de boodschappen. Behalve voor de kerk komt J. het pand niet uit, totdat de klus klaar is.

Noordrijn-Westfalen, Hambacher Wald (september ‘23). De oudste boom in het strookje bos aan de rand van de bruinkoolmijn noemen ze de Levensboom, waar ze feesten bij houden. Eromheen wonen de activisten in boomhutten in boomtoppen met touwbruggen verbonden. Het bos kappen kan nu alleen nog maar met buitensporig geweld. Op satellietbeelden heeft een krater zo groot als een stad — de bruinkoolmijn — aan één kant een dunne, groene schil bos. Voor een wolf is het te klein. Iedere boomhutbewoner heeft een andere reden om niet in de reguliere maatschappij te wonen. Een tiental verblijft hier permanent, maar tijdens politieacties stromen er van alle kanten actievoerders toe. Het bos verandert dan in een festivalterrein zonder polsbandjes, munten of hiërarchie.
We worden wakker van het oorverdovende lawaai van de vogels om ons heen. In de nacht zijn we stiekem in de krater — die hier ‘de wond’ heet — afgedaald. Een kilometers breed gat, honderden meters diep de aarde in. Een jeep daar beneden is de enige indicatie dat het aarde-etende apparaat ernaast groter moet zijn dan een wolkenkrabber. Wanneer ik uit de mijn kom, valt me door lantaarnpalen in de verte voor het eerst op dat je door het bos heen kunt kijken. De Levensboom blijkt een gewone beuk, niet eens oud. Op de bast zitten sporen van het politievoertuig dat ertegenaan reed tijdens de grootste slag, toen cameraman P. van een touwbrug viel en overleed. Als er geen politiekordons zijn, en de drommen activisten naar huis zijn, blijven de boomhutbewoners met elkaar tussen de bladeren, in wolken tabak en hasj. Hoe zou S. het hier vinden, vraag ik me af. Ze is op het punt gekomen in het regenwoud waarop ze voor het eerst voelt dat ze het niet erg zou vinden als ze niet meer terug zou keren. Het is een fijn gevoel, maar ze durft zich er niet aan over te geven.

Gelderland, Bolderikboerderij (oktober ‘23). In aandachtige stilte ontmoeten we het land als actieve aanwezigheid. Dat is opgenomen in de statuten van de nieuwe woongemeenschap in de oude polder. Een nieuw pact van samenleven vormgeven kan alleen in relatie tot wildernis. Maar iedere wildernis is altijd anders, je kunt er geen vaststaand beeld of idee van hebben. Er bestaat geen vaste set regels die leidt tot een bevrijdende manier van leven: voor ieder specifiek landschap moet iedere gemeenschap die telkens opnieuw uitvinden. Hier zoeken de bewoners regelmatig de drie oude wilgen op aan de rand van het moeras, om te luisteren. Ik las er een keer een hoofdstuk uit het manuscript over S. voor. Zij begeeft zich tenslotte ook in de wildernis. De luisteraars waren aardig, maar de tekst is er nog niet.
Zo eenvoudig als het kan zijn om het land te zien als een levende gemeenschap waar je zelf deel van uitmaakt, zo moeilijk is het om die blik om te zetten in praktische, collectieve actie. Vrijwilligers halen groenten van het met paarden bewerkte land, maar de meeste bewoners blijven afhankelijk van fabriekseten. Het moeras naast het dorp begint langzaam aardig te verwilderen. Toch heeft het vooral een symboolfunctie. Op twee uur rijden bevindt zich de Tweede Maasvlakte, waar machinekranen zo groot als een dorp containers verwerken voor een continent, gevoed en gesteund vanuit olievoorraden, erts­aders en ruggengraten elders ter wereld. Vriend L. kreeg van het havenbedrijf toestemming om op de voor mensen verboden vlakte zijn geluidsapparatuur te luisteren te zetten. Onbedorven wildernis vraagt iedere aanwezigheid — menselijk, niet-menselijk, meer-dan-menselijk — om bij te dragen aan diversiteit, gezondheid en stabiliteit van het geheel.

Londen, Bethnal Green Nature Reserve (maart ‘24). Midden in hip Oost-Londen lag sinds de oorlog het braakliggende stukje land waar een gebombardeerde kerk had gestaan. Twee activisten cultiveerden er tussen de brokstukken decennialang een micronatuurreservaat. De buurt­genoten hebben inmiddels wortels over de hele wereld. Samen runnen ze op het minuscule terrein een medicinale tuin, voedselbedden, composthopen, en ieder jaar komen er meer soorten vleermuizen, vogels en insecten. Mijn vriend komt eens per week op de fiets om te helpen. Londen is een bos: die kijk houdt hijde hele week vast. Hij hergebruikt bouwmaterialen, eet geen vlees, vliegt nauwelijks, brengt zo min mogelijk schade toe. En misschien nog belangrijker vanuit het perspectief van de ecoheilige: hij heeft geen kinderen. Gedroeg iedereen zich maar zo. Zijn bijdrage valt weg tegenover de onvoorstelbare verspilling om hem heen, maar hij ergert zich pas echt — terecht of niet — aan het idee dat zijn besparing binnen gemeenschappelijke normen de verkwisting van anderen de ruimte geeft.
In het stedelijke mininatuurheiligdom zit je beschut, terwijl de taxi’s voorbijrijden en de vliegtuigsporen overwaaien. Vanachter de overwoekerde ruïnekerk doemen door de bladeren heen in de verte de wolkenkrabbers van de City op, nog futuristischer dan ze er ooit in computertekeningen uit hebben moeten zien. In hun midden gloeien de beginselen van oorlog.

Schotland, intentionele gemeenschap Findhorn (april ‘24). Om er te komen liep ik met mijn rolkoffer in de armen uren door velden en langs greppels, want er is hier geen openbaar vervoer meer. Bij aankomst liep ik door tot aan de oude, ongebruikte, maar keurig onderhouden caravan in het midden van het dorp. Daar belandden ooit de stichters van deze gemeenschap — net hun baan kwijt — toen ze besloten opnieuw te beginnen. Nu staat naast de caravan wat ze het ‘heiligdom’ noemen. Je kunt er op ieder moment naar binnen, als je maar stil bent. Terwijl je er zit, komt er altijd wel een ander bij, of gaat er iemand weg. De ruimte is kaal, maar dankzij deze spel­regels is dit mijn favoriete plek. De meesten houden hier hun ogen dicht, sommigen kijken rond, maar er is nooit oogcontact.
Mijn gastheer geeft me een rol: assistent-bosverzorger. Maar er is niet veel bos te verzorgen, en ik help vooral het educatieve centrum opknappen. De vergaderingen zijn langdurig en traag: voordat er beslissingen kunnen worden genomen, wordt iedereen geacht een mentale toestand te hebben bereikt waarin ieder het beste voorheeft met het geheel. Voor de zelfbenoemde geriatrische hippies behoeft dat geen verklaring. Er wordt veel gelachen. Het hoogst haalbare is de autonome vrijstaat. De meeste bezoekers van buiten verwachten een soort nieuw-inheemse gemeenschap. Ik had gehoopt iemand te treffen die mee wilde, maar niemand geeft zich op. Ik wandel dagen over een in onbruik geraakt treinspoor door heide, moeras en heuvels. Groot-Brittannië koestert diepgewortelde tradities, maar lijkt wel vergeten dat dit eilandenrijk in feite een gematigd regenwoud is. Nu vind je alleen nog her en der een stukje oerbos niet groter dan een museum. Op een heuveltop overnacht ik beschut tussen dennenbomen. De nacht bij vollemaan is kort en onrustig. Met al mijn kleren aan in de slaapzak op de isolatiedeken wapen ik me tegen de kou, starend naar de boomtoppen. Wat doen de Findhorners ‘s nachts in hun heiligdom? In stilte bij elkaar aanwezig zijn creëert gemeenschap, iets heel anders dan communicatie of connectie door technologie. Bij het eerste licht wandel ik verder.

Westelijke Sahara, oase Benmaroude (december ‘24–januari ‘25). De auto strandde in het zachte zand. Verder dan dit kon de stadsauto me niet brengen. Y. en K., door mij ongezien, bleken me al uren eerder te hebben gespot. Gutsy move. Ze helpen me uit het losse zand, instrueren me hoe ik veilig bij hun compound kan komen. De gebouwtjes zijn van leem, met zand gevulde waterflessen en constructieschuim. Ze vlijen zich in het duinlandschap, net zaadhulzen die in zandrichels zijn neergedaald. Ik ben gekomen om in alle rust het boek af te maken, maar ik doe iets veel belangrijkers: niets. K. runt de compound en Y. kan dagen — soms weken — in de woestijn slapen met de geiten. Soms stuit hij op vluchtelingen die hij door het landschap begeleidt. Tijdens de nacht bevriest de vlakte. Het sterrenspektakel boven me houdt me wakker, maar geeft ook energie. In de beschaafde wereld is de sterrenhemel gedoofd, schitteren de idolen. De vorige bewoner van mijn cel schreef in het dagboek: ‘Verlossing bestaat in steden alleen als fantasie.’ Na één zo’n nacht op niet meer dan een matje ben ik gebroken. Je moet ook nog eens oppassen bij elke stap: kameraad schorpioen verstopt zich graag in rotsspleten. Na een paar dagen wordt de verhouding omgedraaid: dan volgt Y. de geiten, en is hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk van hun melk. De verandering van ingeleverd comfort in bevrijding gaat traag. Ik vraag K. naar het jubeljaar, wanneer tijdelijk het werk wordt losgelaten, alle beesten worden vrijgelaten, en ze leven van wat het land hun geeft. Ze hebben het al lang niet meer gedaan. Zij was ooit theatermaker. Ieder bezoek aan kerk, of in het verlengde daarvan aan museum, theater of club is volgens haar slechts tijdelijke vervanging voor wildernis. De bevrijding die ze hier ervaren, vindt alleen plaats door een wederkerige relatie met de wildernisgemeenschap om hen heen. Ik kan me erin vinden zolang als het me lukt om me de moorddadigheid van de moderniteit als inhumane wildernis voor te stellen.

Marskolonie, Nieuw-Mexico (maart ‘25). Een groep wetenschappers en ontwerpers bouwde een Marskolonie in de woestijn — gefinancierd door tech-investeerders — om te testen hoe het zou kunnen werken. Over tientallen hectares worden vrachtladingen erts, zand en zout gestort, in een fantasieontwerp gebaseerd op de rode planeet. De compound heeft eigen zuurstofproductie; er zijn kunstmatige dag- en nachtritmes; eigen kweekgroentes en labvlees; en er zijn ruimtes voor vertier. De groep is samengesteld vanuit de gedachte een hele planeet te kunnen bevolken. Onderling doet de grap de ronde dat, mocht tijdens het experiment een nieuwe wereldoorlog uitbreken, ze inderdaad een hele planeet opnieuw zullen moeten bevolken, alleen niet de planeet waarvoor ze hebben getraind.
Ik ben er niet bij, maar ik lees over een spontaan festival dat ontstond onder de Mars­kolonisten: wat begon als een feest ontaardde in een orgie. De aanwezigen beten in de rode aarde, en slikten het buitenaards aandoende stof door. Een reis naar Mars is gedoemd, maar ik begrijp waarom je zou willen gaan.

San Francisco de Asis, Amazone-regenwoud (april–mei ‘25). Het dorp bestaat pas twee generaties, daarvoor leefden deze families op een nomadische manier, waarschijnlijk millennia. De trage transformatie tot sloppenwijk is begonnen. Op enkele dagen lopen door het bos leven nog families zoals vroeger. Vlakbij staat een boom die oud genoeg is om de eerste Spanjaarden te hebben zien aankomen. Een zeldzaamheid, want bomen worden hier niet oud. Tropische jaarringen zijn ook nog eens notoir onbetrouwbaar: soms worden decennia overgeslagen, of in een enkel seizoen groeien meerdere ringen. Misschien heeft deze boom nog de prehistorische, stedelijke Amazone-culturen meegemaakt. De levensboom, de boom van de kennis van goed en kwaad, de omgekeerde boom met de wortels tot in de hemel, het zijn symbolische beelden, waarvan de betekenis er zo dik op ligt, dat ik er niets mee kan. Maar zo’n boom in het echt is opeens voelbaar. Vanwege de begroeiing eromheen is de kroon vanaf de grond niet te zien. Metershoge wortelschotten verdelen de ruimte rondom de stam in compartimenten. Worteltakken kronkelen tientallen meters in alle richtingen. Waar ik me maar begeef schieten vleermuizen, reuzenduizendpoten en vreemdere insecten weg.
Mijn hoofdpersoon S. is niet zo’n schrijver, maar op haar missie houdt ze een dagboek bij: ‘Schrijven is zich een weg naar gemeenschap zoeken uit zelfverkozen eenzaamheid.’ Geen idee waar ze het vandaan heeft. Ik kwam hiernaartoe in haar voetsporen, om de diversiteit van het tropische regenwoud te ervaren. Maar als ze me uitnodigen voor een helende ceremonie in het dorp, zeg ik geen nee. Zoals veel hier is het hoogst oncomfortabel, het heiligdom die nacht niet meer dan een plastic zeil. Alleen de gemurmelde liedjes bieden houvast. ‘De essentie van het bos’ drinken wekt rillingen op, zweet, tranen, kots, diarree en stuiptrekkingen. Uren voelt de dood nabij. M’n zelf wordt verorberd. Ik kom de grote boom weer tegen, nu zie ik wel de kroon.
De eerste dag terug in de stad, Leticia, Amazone-stad waar geen wegen naartoe leiden, alleen rivieren, krijg ik bij de eerste koffie in weken de hele plot cadeau.

Italië, Agro Pontino (oktober ‘25). Jaarlijks schieten we één wild zwijn. Het moeilijkste gedeelte is om te leren wanneer het is geoorloofd. Het gaat om het hoe van het nemen, ik hoor de woorden in de stem van N. Met de worsten doet de familie het hele jaar. De oude buurvrouw weet nog hoe je uit de ingewanden de toekomst leest. Zulke fluisteringen hoor je pas als je hebt leren luisteren naar de dieren die je voeden, en van de vraatzuchtige liefde van de wolf hebt geproefd. Je bent sexy als je eet. Verteren is al het begin van weten, zei N. We nemen truffels mee van het bergbosje, maar laten de meeste achter. In de zomer kun je de zwijnen horen knorren onder de boomhut. Soms verschijnen ze achter het huis, bij de composthopen, waar de bijenman z’n kasten heeft. De kinderen komen daar niet graag. Opnieuw verbinding leren voelen met de brede gemeenschap van andersoortigen om je heen is een trage stap, ondenkbaar groot, misschien wel net zo’n schok als het ooit moet zijn geweest de natuur uit, de cultuur in. Ik heb hier nog geen oogstfeest meegemaakt, ik zal ervoor terugkomen. Op alle belangrijke momenten verschijnt de paus op het scherm. Voor mij is de strekking steeds: op een dag word ik zelf gegeten. ¶

Van Dirk Vis (1981) — schrijver, dichter en Gids-redacteur — verschijnt binnenkort Study Trip, over psychedelica voor onderzoek en kunst. Dit essay is het zesde in de reeks ‘Polarisatie, oorlog en samenleven’ en kwam mede tot stand met financiële steun van Stichting Lira Fonds.

Meer van deze auteur