Redactioneel
Het was eind november maar merkwaardig mild; de lichte bries die er stond voelde haast lenteachtig aan. Doordat najaarsstormen waren uitgebleven, zat er ook nog veel blad aan de bomen. Op zijn route door het Wilhelminapark kwam Jonas langs een grote vijver en het scheen hem toe dat de weeë lucht die van het water opsteeg en de lamlendigheid van een dozijn dobberende ganzen volmaakt bij zijn stemming pasten.
Hij bleef staan, keek op zijn horloge — hij was te vroeg. Het huis van Gijs bevond zich aan de andere kant van het park, als hij honderd meter verder liep zou hij het tussen de stammen door zien. Je kon niet een kwartier voor de afgesproken tijd aankomen — daar had hij zelf een hekel aan, als iemand dat bij hem deed. Hij liep een eindje terug langs het water, schopte een geplet bierblikje voor zich uit.
Al vanaf de ochtend was hij ontevreden over zichzelf. Hij voelde zich de laatste jaren steeds ongemakkelijker tegenover zijn oudste schoolvriend, met wie hij zo om de drie, vier maanden afsprak. Hun ontmoetingen verliepen telkens op dezelfde manier: hij haalde Gijs op, vanaf het huis waar Gijs met zijn gezin woonde liepen ze met de hond aan de lijn de stad uit en dan over het jaagpad stroomopwaarts langs de Kromme Rijn naar Landgoed Amelisweerd, om daar in restaurant De Veldkeukeniets te drinken en soms ook te eten. Vervolgens keerden ze via een iets andere route terug. In de dagen voorafgaand aan zo’n wandeling welden allerlei gedachten en redeneringen in Jonas op, kanttekeningen bij Gijs’ doen en laten die in zijn ogen wezenlijk waren, eigenlijk gemaakt moesten worden, omdat ze betrekking hadden op onderwerpen die Jonas zelf belangwekkend vond. Maar om de een of andere reden lukte het hem elke keer niet daadwerkelijk iets uit te spreken, ging hij na afloop met een ontevreden gevoel naar huis en verweet zich zijn slappe houding. En ook vandaag, juist voor hij Gijs zou treffen, had hij nog steeds geen aanpak verzonnen die hoop gaf dat het nu anders zou gaan.
Ze kenden elkaar uit de eerste klas van de middelbare school. Ze fietsten dagelijks samen van de ene naar de andere kant van het dorp waarin ze opgroeiden, een kilometer of twee. In zijn herinnering naast elkaar slingerend of met losse handen, soms gekromd tegen wind, regen, hagel. Ze legden zich erop toe tien seconden voor de laatste bel het lokaal in te stappen. Hoe oud waren ze toen? Twaalf, nee elf jaar. Buiten zijn eigen familie was er niemand die hij zo lang kende als Gijs. Later waren ze in dezelfde stad gaan studeren en daar ook allebei blijven wonen. En nu waren ze vijftig jaar verder. Vijftig jaar! Ze zagen er beiden goed geconserveerd uit: geen buikje, gezonde uitstraling, sportief zelfs, allebei nog niet kalend en nauwelijks grijzend. Daar hielden de overeenkomsten op. Jonas had nooit een auto bezeten, lange tijd in een kraakpand gewoond, bescheiden geleefd. Gijs was rijk geworden, erg rijk. En hier lag meteen een klein probleem: elk commentaar van Jonas zou — misschien niet door Gijs zelf maar wel door zijn vrouw of een ander die het te horen kreeg — kunnen worden opgevat als jaloezie op Gijs’ welstand. Jonas wist zelf dat dat absoluut niet aan de orde was; hij gunde Gijs zijn fortuin en zou geen moment willen ruilen. Maar hij had vaak genoeg kunnen vaststellen dat van alle soorten roddel die mensen elkaar opdienden de suggestie van jaloezie het gretigst genuttigd werd.
Een groter obstakel was dat hij zich steeds opnieuw afvroeg of hij wel het recht had kritisch te zijn — of hij zich dan niet een ondankbare vriend betoonde. Want een deel van de meubelen die bij Jonas in huis stonden had Gijs hem geschonken, hij had in het verleden diverse malen een week op Gijs’ zeilboot in Friesland doorgebracht en Gijs had hem onlangs nog nuttig advies gegeven toen Jonas een nieuwe verhuurder kreeg. Zodra Jonas zich deze gunsten — en er waren er meer — te binnen bracht, voelde het allemaal ontzettend onloyaal. Maar even vlug sprak daar dan weer een andere innerlijke stem overheen dat Gijs almaar pretentieuzer en zelfgenoegzamer werd en dat Jonas dat, als hij hun vriendschap serieus nam, toch echt eens moest aankaarten.
Driekwart jaar geleden, in februari of maart, had hij zich lopen opvreten toen Gijs tijdens hun wandeling begon af te geven op ‘woke’. Je kon tegenwoordig niks meer zeggen of doen, dixit Gijs, want dan werd je gecanceld. Hij vertelde op nogal verontruste toon dat een gezamenlijke kennis van vroeger, ook een oud-klasgenoot, die als leraar op een kunstacademie werkte, ter aanmoediging een hand op de schouder van een studente had gelegd en daarom geschorst was. Onvoorstelbaar! Bizar! Toevallig wist Jonas via een andere weg van de rel, en dat er wel meer loos was geweest dan alleen die hand op een schouder. Bovendien herinnerde hij zich de betreffende figuur als altijd al gefrustreerd tegenover meisjes; zijn eigen vriendin van toen had de jongen ‘een glurende glibber’ genoemd. Maar dit alles was voor Jonas niet het punt, het échte probleem was dat Gijs zich er allerminst druk over leek te maken dat de fascisten hadden gewonnen bij de laatste verkiezingen en een regering aan het vormen waren — daarover had Jonas die dag graag willen praten en dat niet alleen, hij had Gijs ermee willen confronteren, alsof het ook zijn schuld was dat die schoften nu salonfähig waren geworden. Vooraf had hij uitgeredeneerd dat de opkomst van extreemrechts te wijten viel aan de groeiende inkomensongelijkheid en de vaardigheid van de conservatieven en neoliberalen de schuld daarvan bij immigratie en zogenaamd linkse ideeën neer te leggen. En dat er dus een kabinet-Rost van Tonningen I aan zat te komen. Maar toen het erop aankwam wilden de exacte formuleringen hem niet te binnen schieten en had hij het erbij gelaten.
Afgelopen lente, tegen het einde van mei, had Gijs breeduit zijn ongenoegen verkondigd over een nieuwe huurwet, nog door een demissionaire minister bedacht om huurders beter te beschermen. Gijs, die eerst als advocaat had gewerkt en daarna jarenlang als mediator, was een tijdje geleden gestopt met juridisch werk en zat sindsdien, in zijn eigen woorden, samen met zijn vrouw ‘in het vastgoed’. Jonas gaf de voorkeur aan het woord huisjesmelker. Dit was de eerste keer geweest dat hij wél kritiek had geleverd — niet eens voorbereid, het was hem na afloop van Gijs’ jeremiade ontschoten: ‘Kunnen jullie nog wel rondkomen?’ Precies op dat moment was er een helikopter overgevlogen, Gijs keek omhoog, leek hem niet te hebben gehoord en Jonas kon het niet opbrengen zijn sneer te herhalen. Bovendien was hij zich tegelijkertijd gaan afvragen of het nu wel of niet getuigde van gebrek aan empathie bij Gijs om over zoiets te klagen tegen iemand die er financieel gezien anders aan toe was.
Bij hun laatste wandeling, ruim drie maanden geleden, had Gijs hem onthuld dat hij voortaan de levensfilosofie van het stoïcisme aanhing. Zijn stem had er innig optimistisch bij geklonken en hij had er een trots en tevreden gezicht bij opgezet — ongeveer als van iemand die onverwacht maar wel erg verdiend een lintje kreeg. Het leek Jonas een soort vervolg op wat Gijs hem een paar jaar daarvoor had verteld: dat hij met een groep leeftijdgenoten uit de advocatuur en het zakenleven in een leesclub zat. Daarna was hij zich gaandeweg gaan gedragen of hij een behoorlijke intellectueel was. Nee beste jongen, had Jonas een keer vermoeid gedacht (maar niet uitgesproken), je bent geen intellectueel als je De Telegraaf op je kookeiland hebt liggen. En nu dus dit. Toe maar, het stoïcisme! Het kwam Jonas zo pedant voor, dat hij het de eerste momenten vooral komisch had gevonden, maar daarna raakte hij geïrriteerd — want hoe moeilijk was het nu helemaal om het stoïcisme te belijden als je maatschappelijk geslaagd was, als zogezegd je immense kudde schapen allang op het droge stond te blaten, als het je vanaf je geboorte nooit had tegengezeten? Verdomd, hij zou heel wat meer onder de indruk zijn als hij de zwerver die vlak bij zijn huis onder de brug lag hoorde zeggen: mijnheer, ik ben stoïcijn! Ja, dat zou indruk maken! De manier waarop Gijs een filosofie had uitgezocht bij zijn bevoorrechte leven deed denken aan iemand die in een sterrenrestaurant een mooie fles wijn koos bij zijn vijfgangendiner.
Hij was aan de rand van de vijver blijven staan en staarde een tijdje naar het water, dat een grauwe, sombere kleur had. De ganzen, anders zo alert en achterdochtig, leken hem maar half op te merken. Wanneer was het begonnen, dat ze uit elkaar waren gegroeid? Jonas was sinds tien jaar veganist — dat was een verandering. Hij had een afkeer van hun christelijke geboortestreek ontwikkeld. Hij gaf taalles aan politieke vluchtelingen. Misschien waren ze altijd al verschillend geweest — andere ouders, vrienden — en kwam dat nu pas naar buiten. Hij keek weer op zijn horloge. Het was tijd, hij kon rustig aanbellen.
Als ik nooit iets zeg, dacht hij terwijl hij met ferme passen zijn wandeling door het park hervatte, en hij komt er toevallig toch eens achter hoe ik over sommige dingen van hem denk, dan zal hij me een lafaard en een huichelaar vinden. En terecht!
Hij klapte uit ergernis een paar keer in zijn handen om een troepje duiven dat voor hem op het pad scharrelde op te jagen. Die uitbarsting bracht zijn gedachten niet verder — maar hoe dan, dacht hij opeens weer, hoe deed een ander zoiets? En toch: het moest een keer gebeuren. Wat was zo’n vriendschap uiteindelijk waard als je de ander niet de waarheid kon zeggen!
Hij kwam bij de uitgang van het park, moest wachten voor wat verkeer, keek de gevels van de statige oude huizen aan de overkant van de straat langs. Vier verdiepingen, sommige vijf, als ze een souterrain hadden. De meeste voorbeeldig gerestaureerd, met bel-etages, veel jugendstil en glas in lood. Toch goed dat het nog niet allemaal kantoren waren geworden. Maar, dacht hij er meteen bij, er kunnen in één zo’n huis ook tien mensen wonen — met gemak.
Toen de laatste auto was gepasseerd stak hij over, in rechte lijn naar de voordeur waar Gijs’ achternaam in ranke letters op was gekalligrafeerd, en nam zich voor om, zodra hij zo dadelijk over de drempel stapte, iets bots te zeggen.
Een pias, dacht hij plotseling bijna hardop. Je bent een pias geworden, Gijs!
Na het aanbellen begon ergens diep in het huis de hond te blaffen maar vooralsnog zag Jonas achter het matglazen ruitje in de voordeur niets bewegen. Hij dacht weer aan de laatste wandeling; Gijs had weliswaar verklaard het stoïcisme aan te hangen maar niet duidelijk gemaakt hoe dat een weerslag kreeg op zijn leven. Daar moest hij vandaag ook naar vragen.
Achter het ruitje groeide een schim, de deur week — en net als bij voorgaande keren liet Jonas zich overrompelen door de innemendheid die van zijn vriend uitging. Hij kende niemand anders met zo’n goedaardige en rustgevende uitstraling. Tot in het detail verzorgd; keurige kleding maar niet oubollig of te bekakt en niet opzichtig duur. Destijds had hij het volstrekt logisch gevonden dat Gijs mediator was geworden; het beroep leek speciaal voor hem bedacht, hij was wel de laatste met wie je je kon voorstellen ruzie te krijgen.
‘Jonas,’ zei Gijs met de ironische glimlach die Jonas al een halve eeuw kende, en reikte hem de hand. ‘Kom verder.’
In de hal hing nog het parfum van Marijke, de vrouw van Gijs. Jonas bukte zich even om de hond, die uitzinnig om hem heen draaide, een aai te geven en volgde Gijs naar de keuken, die zich aan de tuinkant op de begane grond bevond.
‘Drinken we nog koffie,’ vroeg Gijs over zijn schouder, ‘of gaan we meteen? Zag bij het weerbericht dat het aan het eind van de middag gaat miezeren.’
‘Laten we dan meteen gaan,’ zei Jonas terwijl hij de keuken in stapte, een groot vierkant vertrek met een laag plafond. Het was opgeruimd en schoon; alles glansde en fonkelde, van de zwarte natuurstenen vloer tot de twee zoemende turquoise Amerikaanse ijskasten en een hoge kast met glazen deur waarin flessen wijn op constante temperatuur werden bewaard. De deur naar de tuin stond open. Gijs had zich omgedraaid en reikte hem met gestrekte arm een pakje aan.
‘Alsjeblieft.’
Jonas nam het aan, het was zo te zien een vrij dun boekje, in cadeaupapier, diepblauw met een patroon van sikkelmaantjes en sinterklazen op schimmels. ‘Wil je dat ik het nu uitpak?’ vroeg hij. Gijs knikte.
Terwijl Jonas het papier bij de plakbandjes loswurmde, zei Gijs: ‘Nog voor je verjaardag. Beetje laat misschien, maar toch.’
‘Goh wat leuk,’ zei Jonas. ‘Dankjewel.
Dank u Sinterklaasje.’ Hij hoorde zelf hoe zijn stem alweer een milde toon had aangenomen.
Hij hield het boekje voor zich omhoog. Het was een novelle van een schrijver die hij bewonderde en wiens naam hij tijdens een van hun wandelingen had laten vallen. Hij had deze titel in de kast staan maar in een veel minder mooie uitvoering. Hij keek Gijs aan. ‘Dankjewel, wat aardig van je.’
Gijs keek naar Jonas’ voeten. ‘Goed voorbereid zie ik. Het zal modderig zijn. Ik doe ook even stevige stappers aan. Heb al geluncht, trouwens.’ En hij was de keuken alweer uit gelopen, Jonas hoorde hem met een paar treden tegelijk de trap naar boven nemen. Hij bleef in het midden van de keuken staan. De hond kwam vanuit de tuin naar binnen gekwispeld, felgele tennisbal in zijn bek. Jonas vouwde het boek weer in de verpakking en legde het op een hoek van het kookeiland. Er lag geen Telegraaf, realiseerde hij zich. Ook niet op de wat lagere ronde eettafel in een hoek van de ruimte. Dat was zover hij zich kon herinneren voor het eerst. Nu schoot hem te binnen dat hij zich daarover toch iets had laten ontvallen — de laatste keer had hij bij het binnenkomen gezegd, meer tegen zichzelf dan tegen Gijs maar niettemin: ‘Ah, de telekots!’ Zou Gijs zich dat hebben aangetrokken? Het kon toeval zijn. Hij hoorde Gijs naar beneden komen. ‘Gijs, ik mis De Telegraaf!’ kon hij nu roepen. Maar het voelde lomp om dat ook echt te doen na zo’n vriendelijke ontvangst. In plaats daarvan wees hij toen Gijs de keuken binnenkwam naar het kookeiland en zei: ‘Ik laat je boek nog even hier, ik heb geen tas bij me. Neem het wel mee als we straks terugkomen. Is dat oké?’
Aanvankelijk verliep de conversatie langs uitgesleten lijnen. Jonas vroeg hoe oud Pippa, de hond, inmiddels was en hoe het ging met Gijs’ hoogbejaarde vader, die tijdens hun vorige wandeling nog herstelde van een kleine operatie. Gijs kaatste de geijktheid terug met een vraag over Jonas’ broer die onlangs was hertrouwd en of de nieuwbouw aan de overkant van het kanaal waaraan Jonas woonde al vorderde. Wat langer werd stilgestaan bij de dood van iemand die ze beiden via anderen min of meer hadden gekend — niet van vroeger maar uit de stad. De situatie was tragikomisch geweest: toen de kennis in het ziekenhuis belandde was hij aanvankelijk niet zozeer bezig met zijn snel verslechterende gezondheid als wel met de mogelijkheid dat er plots vier vrouwen aan zijn bed zouden staan die niet van elkaars bestaan wisten. Ze hadden de overledene geen van beiden erg gemogen tijdens zijn leven maar probeerden nu toch met enig mededogen op hem terug te kijken, wat nog niet meteen meeviel. Maar dit was, dacht Jonas, wel weer precies hoe hun gesprekken altijd verliepen. Gijs was geen mediator meer maar hij sprak als het over mensen ging geen kwaad, probeerde elke zaak van verschillende kanten te beschouwen en minstens een klein beetje rooskleurigheid en harmonie te vinden. Het was Jonas het laatste jaar ook opgevallen dat wanneer hijzelf iets negatiefs inbracht Gijs algauw van onderwerp veranderde. Toen hun bespiegelingen over de simultaanspeler stokten zei Gijs, zich oprichtend nadat hij de riem van de hond had losgehaakt: ‘Kijk nou eens.’ Hij wees naar een plas waarboven een wolk muggen danste. ‘Muggen in november, dat is toch bijzonder?’ Hij gooide de tennisbal vooruit, Pippa schoot erachteraan.
‘Ja bizar,’ zei Jonas. ‘Het is zelfs benauwd, vind je niet?’
Een vlucht stadsparkieten streek neer in een boom waar ze op dat moment onderdoor liepen, het was of ze hem met hun schelle gekraai toesnauwden: ‘Doe het! Doe het dan toch! Zeg toch eens wat je echt denkt!’
Maar waarom had Gijs hem dat boek ook gegeven? Nu was het twee keer zo ingewikkeld geworden. Jij geeft mij een boek, ik geef jou ervanlangs? Het probleem scheen hem opeens volstrekt onoplosbaar: als hij niks zei was hij niet oprecht maar zich wel uitspreken zou — ja wat? Afstand scheppen? Waarschijnlijk toch, ja. Hij stelde zich voor hoe ze, door zijn kritiek, nog meer van elkaar zouden vervreemden. Geen echte ruzie maar vanaf dat punt, vanaf vandaag dus, zou een verwijdering ontstaan tot uiteindelijk het contact helemaal verflauwde en afstierf — hij had dat diverse malen om zich heen zien gebeuren en ook zelf weleens meegemaakt. Ja, zo zou het kunnen gaan en wat een ellendige herinnering zou er dan overblijven!
‘Ik ben trouwens sinds drie weken officieel bejaard,’ zei Gijs vrolijk, terwijl ze over een zanderig voetpad onder de ringweg door liepen en met het riviertje aan hun linkerhand het gebied betraden waar zich ook het landgoed bevond.
‘Hoe dat zo?’
Gijs vertelde dat hij met een kennis naar een klassiek concert in Amsterdam was geweest en na afloop — ze stonden in een tram met beiden een hand aan een verticale stang — had een jongen van een jaar of achttien, negentien die daar naast hen met zijn vriendin zat gevraagd: wilt u misschien zitten?
‘Eerste keer van mijn leven,’ zei Gijs. ‘Ik reis anders nooit met het openbaar vervoer en dan overkomt je verdomme zoiets.’
Terwijl Jonas begripvol meelachte, besefte hij dat ook dit kritiek blokkeerde: Gijs bezat naast zijn zelfingenomenheid soms toch nog zelfspot. Het was makkelijker geweest als hij zichzelf honderd procent van de tijd serieus nam.
‘Zo zie je maar,’ zei Gijs nadat hij de tennisbal weer vooruit had gegooid, ‘mocht je je nog in de kracht van je leven wanen, in de ogen van een ander loop je al bijna met een rollator.’
Het was druk op het jaagpad. Aan de linkerkant glansde achter een rietkraag nog steeds het riviertje, rechts bevond zich een afrastering met prikkeldraad en daarachter weilanden. Soms week de bewolking uiteen en kwam de laagstaande middagzon tevoorschijn om een zwaarmoedig koperen schijnsel te werpen op een rij eiken in de verte. Er waren, wellicht vanwege het zachte weer, veel wandelaars en ze moesten vaak achter elkaar gaan lopen om tegemoetkomenden langs te laten. Op zulke momenten, waarop Gijs de hond weer even aanlijnde en bij zich hield, viel het gesprek stil en één keer, nadat ze langs een kersenboomgaard waren gekomen en bij een smal bruggetje over een afwateringssloot achter elkaar opgesteld bleven wachten voor een heel gezelschap, kwamen flarden van vorige wandelingen terug in Jonas’ gedachten. Nooit was er een wanklank geweest, nooit had hij onomwonden lucht gegeven aan een ergernis, terwijl hij normaal gesproken prima in staat was assertief te zijn. Bij zijn baantje als pianobegeleider van een paar zangkoren bijvoorbeeld, en onlangs nog bij een onenigheid die hij en enkele buren hadden met de gemeente rondom plannen voor de groenvoorziening. Daar had hij zelfs het initiatief genomen. Hoe kon hij dan nu zo machteloos zijn? Ja, Gijs had zelfspot en was de vreedzaamheid en gulheid zelve maar het kwam waarschijnlijk ook door de geschiedenis die ze samen hadden. Bij een ruzie met de gemeente of collega’s stond weinig op het spel, bij Gijs bestond het risico dat een deel van zijn herinneringen werd aangetast. Een oudste vriend, dat was iets speciaals; als hij zich van Gijs vervreemdde, zou hij zich vervreemden van zijn eigen jeugd — maar waarom wist hij dat opeens zo stellig, wat was er dat zo absoluut voelde aan het dilemma? Misschien, dacht hij terwijl hij zag hoe een windvlaag rimpels in het riviertje duwde, lag het besloten in de situatie zelf, het mechaniek van de tijd, waarin je in vijftig jaar zowel een ander werd als dezelfde bleef en was dat het echte probleem: die twee verschillende personen lieten zich niet verenigen in je huidige gedrag of karakter en daarom was de omgang met mensen die je erg lang kende altijd onbevredigend. Het had gegolden voor het contact met zijn ouders — ook dat was de laatste jaren voor hun dood steeds moeizamer gegaan. Het leek hem niet vergezocht, deze overweging — hij kon haar zo aan Gijs voorleggen, eventueel als zijn eigen filosofie spiegelen aan dat stoïcisme van hem, en misschien kwam er dan iets op gang, vanwaaruit hij vervolgens, op een natuurlijke manier, ook wat van zijn ongemak kon ventileren?
‘Gijs —’ begon hij.
‘Wacht even,’ zei Gijs terwijl hij bleef staan. ‘Ze heeft er geen zin meer in.’
Jonas keek Gijs na terwijl deze een stuk terugliep om de tennisbal op te rapen, die Pippa in de grasstrook langs het pad had laten vallen. Des te beter, dacht Jonas. Nu kon hij zijn inzicht een moment laten bezinken en zo dadelijk in het restaurant rustig op tafel schuiven. Zijn aandacht werd getrokken door een geluid dat vanachter de weilanden kwam; in de verte zag hij de trein naar Arnhem langsrazen.
Nee, zelfgemaakte glühwein,’ zei Gijs. ‘Het is wel geen koud weer maar laten we die proberen, ben ik benieuwd naar.’
Op het terras van De Veldkeuken, voormalig koetshuis bij het naastgelegen landhuis, zaten onder een immense kastanje mensen ontspannen te drinken en te praten alsof het een heel ander seizoen was. Nu en dan zonk ergens vanuit de boom in schommelende val een groot verkleurd blad naar het plaveisel.
‘Buiten of binnen?’ vroeg Gijs terwijl Jonas het krijtbord naast de ingang bestudeerde waarop de glühwein aangeprezen stond.
‘Liever binnen,’ zei Jonas. ‘Of is dat lastig met Pippa?’
‘Nee hoor, die gaat braaf liggen. Goed opgevoed. Ging eerder toch ook prima?’ Gijs duwde de eerste van twee glazen deuren open en ging hem voor naar de hoge ruimte met een schuin balkenplafond waar vroeger rijtuigen hadden gestaan. Het was druk en lawaaiig en het rook naar warm brood. Er zaten hoofdzakelijk gasten van ongeveer hun leeftijd en wat vrouwen van rond de dertig, de laatsten steeds in groepjes van drie of vier en met salades voor zich. De bediening was jonger dan Jonas zich herinnerde, studenten waarschijnlijk. Het geheel had in zijn ogen een prettig chaotische uitstraling. Ze gingen aan een tafeltje tegenover elkaar zitten. De hond rolde zich inderdaad meteen in slaaphouding naast de stoel waarop Gijs zat. Een lang, fragiel ogend meisje met een tattoo in haar nek kwam de bestelling opnemen. Iets in Jonas zette zich al schrap: hij wilde straks hoe dan ook afrekenen want als hij Gijs liet betalen, en dat zou deze zeker doen als Jonas hem de kans gaf, was hij vandaag dubbel getrakteerd en zou hij zich helemaal bezwaard voelen als het nog tot een discussie kwam.
‘We gaan met kerst en oudjaar met de kinderen naar Florence,’ zei Gijs toen de serveerster van hen wegliep.
‘O wat mooi,’ zei Jonas. ‘Florence — prachtig.’ Vliegen natuurlijk, dacht hij erbij. Ach ja, je zult je ook eens druk maken over het klimaat. Hij hoorde zichzelf vragen: ‘De kinderen willen nog mee? Hoe oud zijn ze nu? Bastiaan achttien en Anne-Sophie… zestien?’
Gijs knikte. Hij boog zich opzij om Pippa’s riem te verschikken en haalde daarna een hondensnoepje tevoorschijn. Jonas herinnerde zich dat hij eens had gevraagd wat Gijs speciaal vond aan het vaderschap en ook het obligate antwoord: dat hij door zijn zoontje, toen een jaar of vijf, onvoorwaardelijk als zijn grote held werd gezien. En dat Gijs daar even later met een ironische frons op had laten volgen ‘voor zolang het duurt, natuurlijk’.
‘We hebben voor Bastiaan trouwens —’ begon Gijs maar hij hield zijn woorden in omdat op dat moment twee grote, dampende glazen voor hen werden neergezet. Ze keken er allebei verbaasd naar, er was kennelijk witte wijn gebruikt in plaats van rode, iets dat Jonas niet eerder had gezien. In de diafane, parelmoerkleurige vloeistof zweefde een flinter sinaasappelschil als een gevallen sikkelmaantje. Gijs omvatte met twee handen zijn glas, bracht het naar zijn mond en blies terwijl hij Jonas aankeek.
‘Heerlijk!’ zei hij met grote ogen na de eerste voorzichtige slok.
Jonas moest glimlachen om Gijs’ enthousiasme. Hij blies en dronk zelf ook en voelde zich volstromen met een koesterende, licht verdovende warmte. De glühwein was inderdaad verrukkelijk, en krachtiger van smaak dan hij zich kon herinneren ooit te hebben geproefd. Maar na nog een paar slokken realiseerde hij zich dat hij een fout had begaan. De drank maakte, ook omdat hij in al zijn opgekropte ontevredenheid was vergeten te lunchen, zijn gedachten meteen stroperig. En dat was niet het ergst — had hij maar een kwade dronk, dan zou die hem nu wellicht kunnen helpen. Hij reageerde echter al sinds zijn puberteit tegenovergesteld; anderen werden luidruchtig of zelfs agressief maar alcohol maakte hem extreem positief, maakte dat hij iedereen om zich heen aardig vond en ook zelf de aardigste mens ter wereld gevonden wilde worden. Hij keek naar Gijs, die met een geconcentreerde blik opnieuw proefde. Hij zette het glas neer en schoof het van zich af naar het midden van de tafel.
‘Echt goed hè?’ zei Gijs met opgetogen verwondering. ‘Je zou haast het recept vragen.’
‘Ja,’ zei Jonas. ‘Echt goed.’ Hij haalde een keer diep adem. ‘Je begon wat te vertellen over Bastiaan,’ vervolgde hij.
‘O ja,’ zei Gijs. ‘Bastiaan is een jaartje aan het rondkijken zoals je weet, en hij gaat volgend jaar na de zomer in Groningen studeren. Dus we hebben daar alvast iets in het oude centrum gekocht, een mooi historisch pand vlak bij de Martinitoren. Je kent het daar toch wel? We laten het de komende maanden verbouwen zodat hij er met een paar andere studenten kan gaan wonen.’ Hij babbelde nog een poosje door over zijn plannen met het huis, stopte opeens en zei: ‘Vind je het wel lekker? Je laat het toch niet koud worden?’ Hij tikte zijn glas tegen dat van Jonas en dronk opnieuw. Jonas voelde een intense triestheid over zich komen, pakte zijn glas. Hij kende Bastiaan vanaf zijn geboorte en had een zeker zwak voor hem. Een schuwe, erg beleefde, beschermd opgegroeide jongen, die behalve op de tennisbaan nog nooit weerstand had ondervonden. Hoeveel beter zou het voor hem zijn om te moeten hospiteren, om in zijn eerste jaren als student op zes verschillende kamers te wonen, om eens een slechtbetaald baantje te hebben… Maar misschien had hij niet het recht zo over het kind van een ander te denken, Gijs was een liefdevolle vader en deed wat naar zijn idee in het belang was van zijn zoon. Tegelijkertijd viel ook deze wereldvreemdheid of eerder wereldblindheid van Gijs keurig op zijn plek naast alle andere bedenkingen.
‘Hij kan trouwens niet wachten om bij het corps te gaan,’ zei Gijs op een toon alsof dat vanzelfsprekend was. Jonas verslikte zich, voelde iets in het verkeerde keelgat steken, hoestte een kruidnagel op. Toen hij tot rust gekomen was spotte Gijs welwillend: ‘Te gulzig gedronken — lekker hè?’ Hij rechtte zich, zocht met zijn blik de serveerster, trok met zijn wijsvinger een cirkel boven hun glazen en zei: ‘Mogen we er nog twee?’
Het was zinloos. Misschien moest hij het voor vandaag loslaten. De drank had hem moe en warrig gemaakt — zelfs als het lukte iets uit te spreken, zou het op een rommelige manier gaan en dat was niet de bedoeling. Als hij het deed, dan toch zeker in goed opgebouwde, klinkende argumentaties waar hij zich de rest van zijn leven niet voor hoefde te schamen.
‘Er komt een reünie,’ zei Gijs. ‘Wist je dat? Ergens in april. De school bestaat dan honderd jaar.’
Jonas schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat wist ik niet.’
‘Benieuwd wie er komen,’ zei Gijs terwijl twee nieuwe glazen voor hen werden neergezet. En hoe het met die zou gaan, en met die — en bij elke oud-klasgenoot diepte Gijs een typerende, grappige anekdote op. Jonas bedacht dat hij dat zelf ook deed wanneer anderen hem vroegen naar zijn vriendschap met Gijs. Hij had altijd dezelfde geschiedenis paraat: dat Gijs in militaire dienst een snor had laten staan die hem totaal misstond en daarom door iedereen werd uitgelachen maar dat hij daar des te koppiger van was geworden en het geval pas na een jaar of zes, toen niemand hem er meer op aansprak, had afgeschoren. Dat getuigde in Jonas’ ogen van karakter — het leek hem een aardig verhaal om zijn vriend te omschrijven.
Wat vertelde Gijs omgekeerd over hem wanneer iemand ernaar vroeg, hoe zag Gijs hem? Daar had hij nog nooit over nagedacht. Misschien net zo’n voor de hand liggend verhaal. Dat ze eens een week in Praag hadden rondgelopen, waar Gijs door iemand op een fiets omver was gereden en van zijn tas beroofd en dat Jonas schreeuwend en scheldend achter de dief was aangerend die, toen hij hem eindelijk te pakken kreeg en al in een houdgreep had, de verkeerde bleek te zijn. En wat zou Gijs werkelijk van hem denken? Misschien doorzag hij hem, had hij Jonas’ ongenoegen allang in de gaten en wachtte hij geamuseerd af en wat was hij dan eigenlijk in Gijs’ ogen: een meeprater, een verweekte kennis? Wat hij natuurlijk ook was, als het zo doorging.
Gijs had nooit kritiek op hem. Had hij dat echt niet, of zou het uit zijn mediator-mentaliteit voortkomen of waren er andere oorzaken? Misschien ook omdat ze al zo lang bevriend waren. Of omdat hun financiële positie ongelijk was. Ja, wie weet. Het was beter geweest als hij nooit Gijs’ hulp bij allerlei gelegenheden had geaccepteerd — was dat niet de werkelijke rot in hun vriendschap?
‘We hebben daar al een paar restaurants geboekt,’ zei Gijs, terugkomend op de kerstvakantie. ‘Zo makkelijk hoe dat tegenwoordig kan.’ Jonas knikte. Ja, hij past daar wel, dacht hij, in Florence — met zijn nog steeds bijna zwarte, keurig gefriseerde haar en zijn altijd subtiel gebronsde gezicht dat iets klassieks en ook diplomatieks had. Hij zou voor een gedistingeerde Italiaan kunnen doorgaan. Je zag hem daar zo rondlopen, met zijn weloverwogenheid, zijn keurige manieren en zijn liefde voor goed eten, musea, klassieke concerten. Ook al kan hij dan zelf niet koken of schilderen en geen instrument bespelen, dacht hij erachteraan.
Plots duwde Gijs zijn glühwein van zich af en legde zijn handen plat voor zich op tafel. Hij had de helft opgedronken. Zijn gezicht was rood aangelopen en zijn ogen leken vochtig, kennelijk was hij ook niet ongevoelig voor de warmte en de alcohol.
‘Nee — genoeg,’ mompelde hij met een mengeling van verbazing en korzeligheid, terwijl hij een stukje sinaasappelschil van zijn onderlip plukte en dat als een oranje visje liet terugvallen in het glas. ‘Echt zo’n drankje waar je ineens klaar mee bent.’ Hij tuitte zijn mond in een uitdrukking van spijt, keek Jonas aan.
‘Je drinkt het toch eigenlijk meer voor de sfeer dan voor de smaak. Zo ouderwets winters, lekker warm tussen je handen, het ruikt naar kaneel en wat er verder nog in mag zitten, je denkt aan vroeger, de ijsbaan en sneeuw — maar als je dat weghaalt proef je vooral dat het veel te zoet is. Ik ben sowieso tegenwoordig meer van de droge wijnen.’
Jonas pakte zijn eigen glas, dronk het leeg, haalde zijn vingertoppen over zijn lippen en zei: ‘Wat zegt het stoïcisme daarover?’
Maar het kwam er goedgezind uit, en zo vatte Gijs het ook op.
In het parkgedeelte van het landgoed was het vochtig, er dampte een geur van schimmels en rottend blad. Ze liepen over een liniaalrechte laan met aan weerszijden jonge beukenaanplant. Onder een laagje platgelopen aarde ging oud plaveisel schuil — verweerde keien die er, zo stelde Jonas zich voor, al lagen toen hier koetsen voorbijhobbelden. Nu liepen er alleen nog mensen overheen zoals hijzelf, die het woord koets kenden maar er nooit een vanbinnen hadden gezien.
Pippa was sinds haar middagdutje weer hyperactief, elke weggesmeten bal werd ijverig teruggebracht. En terwijl Gijs gooiend en oprapend over zijn kinderen sprak en ze nogal ophemelde (dochter Anne-Sophie speelde fantastisch klarinet en Bastiaan was zo populair bij de meisjes), drong tot Jonas door dat hij dit herkende, dat het paste bij een neiging die hij de afgelopen jaren vaker had waargenomen: mannelijke leeftijdgenoten die de hoop hadden laten varen zelf een stempel op hun tijd en de wereld te kunnen drukken, iets te bewerkstelligen waardoor men na hun dood aan hen zou blijven denken, gingen obsessief hun familiegeschiedenis documenteren of vervielen tot klakkeloze aanbidding van hun kroost. Vaak ook beide.
Zou hij, als hij Gijs vandaag voor het eerst van zijn leven tegenkwam, met hem bevriend raken? Het scheen hem toe dat elke nieuwe gedachte die hij over hun vriendschap had, de kwestie onmogelijker maakte.
Waar was het begonnen, wanneer had hij zich voor het eerst gestoord aan zijn vriend — waarschijnlijk de keer toen Gijs, destijds nog mediator, over zijn werk had opgemerkt: ‘De mensen accepteren niet meer dat ze soms ook pech hebben.’ Op het eerste gezicht geen rare uitspraak; tot je inzag dat ze werd gedaan door iemand die zorgeloos zijn leven in een huis van een paar miljoen uitzong — dan kreeg zo’n statement iets hautains en gevoelloos.
Gijs week van het pad en liep tussen twee schriele boompjes door naar een droge greppel waar de bal in was gerold. Jonas bleef staan wachten, merkte dat de zoete smaak van de glühwein in zijn mond was blijven hangen. Hij slikte maar dat veranderde niets. Hij had het warm in zijn jas, knoopte die van boven naar onder los. In de verte recht voor hem, kant van de stad, kwam een donkere, grijsblauwe lucht opzetten. Tegelijkertijd brak meer naar het zuidwesten de zon nog even tevoorschijn. Hij keek met samengeknepen ogen tegen het al verkleurende, naar avondgloed verschietende licht in. De temperatuur paste niet meer bij het seizoen maar de zon stond natuurlijk even laag aan de hemel als in alle andere novembers uit de geschiedenis van de mensheid. Die constatering gaf hem opeens een wrang, haast misselijkmakend gevoel. Hij slikte nog eens, bleef de smaak van de glühwein proeven. ¶
Essay
Aan een windvlaag
Poëzie
O
Essay
Controle, of ordenende herhaling
Poëzie
universalia
Verhaal
Met een kwal naar het einde van de wereld
Essay
Kleine krijgsmannen
Poëzie
Indirecte rede
Essay
De ene na de andere
Gidslezing
Stralende duisternis
Poëzie
Gedichten uit ‘In Amstele richting’
Poëzie
Derealisatie
Essay
Landschap van angst
Poëzie
—
Verhaal
We moeten de kinderen redden
Stripverhaal
Die Poppies
Beeld
Joy in Paperwork
Beeld