Gorssel, 4 mei 2026

Enkel een haag.
Enkel een haag van stervende takken en opschot
     schermt af van het wilde dat woekert daarbuiten
         als leliën raaigras netels eenvormige distels.

Op de eerste plaats — aldus Terentius Varro — komt de natuurlijke omheining. Daartoe worden heesters of doornstruiken aangeplant. Zij heeft wortels en leeft en hoeft niet bang te zijn voor de brandende fakkel van een toevallig voorbijlopende losbol.

Wat zweven daar uivers hoog onder druppende wolken?
Zoeken zij eiken voor nesten of bouwde men die al eerder?
Houden zij ons in het oog om ons te behoeden?
Kwamen zij hier uit een zuidland of
     heeft hen een stichting van broeders gebaard —
     broeders met warme machines in dompige kassen?

Ik fiets op een fiets die toebehoort aan een meent — maar een meent die wel huur int — naar de winterdijk van de nog betrekkelijk jonge rivier — want water telt jeugd in eonen — in de hoop het door oevers gefnuikte water noordwest- en daarna noordoostwaarts te kunnen zien vluchten. Waarna het weer westwaarts mag glijden maar dat is niet hier. Weinig is hier. Al het buitendijks land blijkt bezet en omrasterd. Verboden de toegang tot gras klei gejodel van wulpen. Ontzegd vrij zicht op wat stroomt. Stroom althans stel ik mij voor op grond van wat ik mij herinner.

Binnen de heining.
Binnen het hek dat inperkt omsluit en verschanst
     gedijt een liefde voor wat zich ontplooit
         in een hof die beloken ontzet kweekt
         op een enk die zich voegt naar wat groeide —
             wat eeuwen lang groeide en viel
             wat opnieuw en opnieuw.

Wat profeteerde Empedokles ook weer aan de voet van de kolkende Etna? Niets van wat sterfelijk is kent ontstaan noch bestaat er een dodelijk einde in verderf. Er is slechts menging en uitwisseling binnen al wat gemengd is en dat is wat bij mensen ontstaan heet. Liefde brengt elementen samen. Conflict brengt scheiding teweeg. Zo beschrijven de dingen onafgebroken hun kringloop.

Boven de tuinen trekt ieder uur
     een cessna ronkend haar kringen
     een drone zijn spiedende cirkels:
     verdacht is onthouding van gifstof
     funest allergie voor stikstof
     debiel is geloof in het goede.

In geval van dreigend gevaar spant de doorgaans ontspannen egel haar stekelhuid op als natuurlijke haag tegen wie haar zachtmoedig lichaam zou willen schenden. De bol die zij dan vormt lijkt een weerbare kosmos. Besloten gaarde waarin bloed pulseert. Wat als een balorige jongen haar in de oneindigheid schiet?

Binnen de muur van geruis.
Binnen de tochtige vesting van zwartkop en geelgors.
Binnen de wallen van later vast welig struweel
     bevrijden wij duldend kershout van rubberen ketens
     die snijden in zwijgzaam strubbelend vlees van honderden basten.

Wat noemen wij binnen? Wat buiten? Welke kant van de heg biedt eigenlijk welke vrijheid?

Wij moeten een tuin.
We eisen een bed om te spelen
     het spel van zaden en vruchten en aarde
         waarin wat bloeide rot.

De eerste boeken zegt men werden geschreven op boombast. Vaak vindt men in noordelijke bossen krullende lappen berkenbast die de mijmerende wandelaar of alerte vogelaar ertoe uitnodigen ze te beschrijven. De bomen zelf laten zich intussen gelaten beklimmen door zwammen die hen als voedingsbodem beschouwen.

In bomen kerven wij tekens die late geslachten
         vervaagd maar vergroot zullen lezen —
     tergend verweerde getuigen van koppige wilskracht.

Zie je — zingt de Siciliaan Calpurnius — hoe de tekst de openingen nu nog groen houdt en zich nog niet verwijdt tot uitgedroogde gaping? Kom dichterbij en kijk dan kun je de diep in de schors gekorven verzen beter doorlopen. Werd wie dit lied dicteerde van elders aangeblazen? Klinkt hier een stem met adem uit geurende humus? Wat fluistert ze nu?

Enkel de bodem.
Enkel de grond houdt jou vast.

Piet Gerbrandy (1958) is classicus, dichter en redacteur van De Gids. Hij publiceerde o.m. Niets dan dit.  Een lijflied voor de ziel (2023, poëzie) en Het woord en de wereld. Duidingen van een dichter (essays, 2025).

Meer van deze auteur