Zelfs de braafste mensen vinden in een uithoek van hun hart nog een klein vonkje sympathie voor de schelm die op wetteloze wijze even gemakkelijk alles verliest als alles wint, en daarbij niet ophoudt de schijnheiligheid van de bestaande orde te kakken te zetten. De figuur van de ongrijpbare bedrieger, de oplichter die spot met alle wetten en fatsoen, is van alle tijden. Hij is weliswaar amoreel, harteloos en meedogenloos zelfzuchtig, maar ook een figuur die een in iedereen sluimerend, diep verlangen vertegenwoordigt. Daarmee is hij een magneet voor erotiek, humor en wraakfantasieën.
De hypnotische kracht die van dit mythische personage uitgaat, wordt aan­gewakkerd als mensen het vermoeden krijgen dat de wetten, de moraal, de orde waarin ze leven berusten op onbetrouwbare, partijdige, ja leugenachtige waarden. Je zou kunnen zeggen dat de paniek en machteloosheid die daarop volgen de vruchtbare kiemgrond produceren waarin de populariteit van de schelm, in zijn dubbele hoedanigheid van demon en bevrijder, kan gedijen. In zulke tijden leven wij. De wereld die tot een jaar of tien geleden bestond leek (ondanks alle gebreken) overtuigend gebaseerd op ethisch humanisme, liberale democratie en een sociaal gereguleerde vrije economie. Er was een geopolitieke orde die ervoor zorgde dat we konden omgaan met delen van de wereld waarin men het anders deed. Natuurlijk waren al die fijne waarden en verworvenheden altijd al behalve reëel en algemeen geaccepteerd ook onvolmaakt, twijfelachtig, en waren ze gebaseerd op structureel geweld en mondiale ongelijkheid. Maar ze deden dienst als maatstaf voor denken en handelen. Nu worden die fundamenten van de sociaalliberale consensus betwist, en schijnen ze futiel, weerloos, wereldvreemd. Hun overtuigingskracht is twijfelachtig geworden.

Een schip vol dwazen

In 1857, op 1 april, verscheen een roman van Herman Melville. De titel luidde The Confidence-Man: His Masquerade. Met de rampzalige ontvangst ervan was zijn loopbaan als romanschrijver voorbij. In de jaren erna schreef hij gedichten die niemand wilde publiceren, en hij nam een baan op het douanekantoor. Geldgebrek, depressies, drank en tragedies in de familie (ziektes en zelfmoord bij zijn kinderen) droegen bij aan het beeld van een geknakt, misschien wel geestelijk gestoord ex-auteur. In de twintigste eeuw werd Melville herontdekt en nu is hij alsnog een klassiek schrijver.
The Confidence-Man is een kort, raadselachtig boek dat je kunt beschouwen als het vuurwerk waarmee de auteur zowel zijn verlangens voor als zijn wanhoop over de Verenigde Staten nog een keer wilde laten schitteren. Alle 45 hoofdstukken spelen zich af aan boord van het stoomschip Fidèle, dat op 1 april, Fools’ Day, vanuit Saint Louis vertrekt om over de Mississippi naar New Orleans te varen. Die eind­bestemming wordt niet bereikt, het boek beschrijft alleen die ene dag en de nacht erna. Op een paar na bevatten alle hoofdstukken weergaves van ontmoetingen tussen passagiers van de raderboot en de gesprekken die ze voeren.
Er is een hoofdpersoon, maar hij wordt nergens beschreven als een personage van vlees en bloed. Zoals de ondertitel al zegt, zijn we getuige van een reeks vermommingen waarin hij de anderen tegemoettreedt. Van hemzelf komen we niets te weten. Vanuit de blik van een alwetende verteller zien we hem in steeds andere gedaanten zijn reisgenoten dubieuze handelswaar, liefdadige donaties of aandelen aansmeren of iets afhandig maken. Maar het is duidelijk dat het hem niet om het geldelijk gewin gaat. Van begin tot eind draait het in de roman om de notie van ‘goede wil’, van naastenliefde. De confidence man stelt het morele sentiment op de proef dat door iedereen om hem heen als het fundament van een christelijke samenleving wordt aangemerkt.
Zijn eerste gedaante is die van een enigszins verfomfaaide reiziger zonder bagage in een crèmekleurig pak. Hij staat bij de afvaart zwijgend op het dek met een lei in de hand, waarop hij met krijt citaten schrijft uit Paulus’ Korintiërs 1:13. De liefde is lankmoedig, rekent het kwaad niet toe, verdraagt alles, gelooft alles, vergaat nimmermeer. Bedoeld is hier de naastenliefde, agapè in het Grieks, en bij uitbreiding ook de zogenaamde broederliefde die de Franse en Amerikaanse Revoluties hoog in het vaandel hadden. Gelijke rechten voor de wet, religieuze en politieke vrijheid en een maatschappij gebaseerd op naastenliefde, dat zou het superieure en unieke van de Verenigde Staten uitmaken. Althans, dat was het heersende zelfbeeld van de Amerikanen.

Slavernij, genocide, roofkapitalisme

In alle gedaanten die de confidence man aanneemt zet hij een fileermes in pijnlijke kwesties, die dat zelfbeeld blootleggen als fictie of leugen. Ze blijken rechtvaardigingen te leveren voor onrecht en geweld. Het gaat met name om de slavernij in het Zuiden, de uitroeiing van de inheemse Amerikanen en de roofzucht die rond Wall Street heerst en de politiek domineert. Op min of meer magische wijze neemt hij de gedaante aan van een oude, kreupele zwarte bedelaar, Black Guinea. Sinds de Fugitive Slave Act van 1850 (onderdeel van een reeks wetten die evenwicht moesten brengen in de Senaat tussen slavenstaten en vrije staten) was iedereen die gold als ‘vrije’ zwarte verplicht om met een juridisch document aan te tonen dat hij geen gevluchte slaaf was, ook in de Noordelijke staten waar slavernij verboden was. Het leidde tot enorme corruptie, omdat de gerechtscommissies die de certificaten uitreikten twee keer zoveel geld geboden werd voor het oordeel dat iemand een ontvluchte slaaf was dan voor de verklaring tot vrij burger. Zelfs in het Noorden waren Afro-Amerikanen nu niet meer veilig voor slavenjagers. De Fidèle vertrekt vanuit Missouri, de staat die op dat moment twee met elkaar strijdende overheden heeft: eentje die van Missouri een slavenstaat wil maken en een andere die wil dat men zich voegt bij het vrije Noorden. Natuurlijk heeft Black Guinea geen juridisch document en zo is hij overgeleverd aan wat hij een paar honest gentlemen noemt die aan boord zijn en hem kennen, zodat ze kunnen instaan voor zijn oprechtheid. Degenen die hij noemt zijn allemaal personages die hijzelf in een volgende vermomming zal spelen.
In het jaar dat Melville het boek schreef, was duidelijk dat een burgeroorlog tussen de slavenstaten en het Noorden aanstaande was. In de Senaat dreigde Jefferson Davis, de latere leider van de Confederatie, al met afscheiding. Een andere Zuidelijke senator, Preston Brooks, knuppelde in het Capitool een Noordelijke senator, Charles Sumner, bijna dood, nadat die op de onhoudbaarheid en onmenselijkheid van het slavernijsysteem had gewezen. Interessant is dat Melville zijn confidence man over de slavernij laat zeggen dat uitbuiting, geweld en ontmenselijking losstaan van huidskleur en dat het dus ook bestaat als er geen racisme in het geding is, zoals in de fabrieken in het Noorden. Of aan de mensonterende behandeling die de recent uit het verhongerende Ierland gevluchte immigranten ten deel viel. Het fileermes van de ongrijpbare hoofdpersoon legt bloot dat in de politieke strijd over de afschaffing van de slavernij niemand schone handen heeft.
In 1856, als Melville het boek schrijft, woedt ook de Derde Seminole Oorlog in Florida. Sinds de Indian Removal Act van 1830 wil de overheid de laatste inheemse volkeren onder­werpen en weghalen uit hun leefomgeving en ze opsluiten in een apart Indian Territory in Oklahoma, dat onder militair gezag staat. De moerassen en wouden van Florida zijn ideaal om daar lang weerstand tegen te bieden. Het leger heeft gedurende vijf decennia drie oorlogen gevoerd om de milities van Seminole-indianen en gevluchte slaven, maroons, die zich trots Black Seminoles noemden, te verslaan. In een van zijn vermommingen zamelt de confidence man geld in voor een weeshuis en opvang voor Seminole-vrouwen en -kinderen. Dat lokt een verhitte discussie uit met een Indian hater. De simplistische generalisaties waarop zijn rassentheorie gebaseerd is, verkruimelen in een paar bladzijden.
De loze beloftes tot rijkdom van de ver­koper van aandelen en verzekeringen die de confidence man vervolgens doet, klinken opvallend actueel in de oren. Het is of je naar een crypto-influencer luistert, die het als bewijs van morele voortreffelijkheid ziet als je zonder je te bekommeren om de risico’s of de consequenties voor anderen meedogenloos het snelle geld najaagt.
In de tweede helft van het boek treedt de confidence man op als Frank Goodman, ook aangeduid als de kosmopoliet. Hij is er vooral op uit te laten zien dat het beroep op naastenliefde, liefdadigheid en goed vertrouwen kan worden gebruikt als een agressieve ontkenning van de realiteit van onrecht, lijden en misdaad. Wanneer het kan ondermijnt de kosmopoliet het agressieve wij-zij-denken, xenofobie, fundamentalistisch religieus en moreel geklets en de verheerlijking van rijkdom en succes. Wie dacht dat de hoofdpersoon een oplichter verbeeldt die alleen iedereen dupeert, of nog erger, een satanisch principe moet voorstellen, heeft het mis.
Het laatste hoofdstuk is dubbelzinnig en leest als een allegorie. Het is nacht geworden. In een kajuit waar al een paar mensen slapen, zit een exemplarisch brave en goedwillende Amerikaan, een gepensioneerde boer, in een voor openbaar gebruik neergelegde bijbel te lezen. Er brandt een lamp die rond is als een zon, met daaronder iets wat op een gehoornd altaar lijkt. Erachter staat een figuur in een pij. Boven zijn onder de kap verborgen hoofd straalt een halo.
Frank Goodman de kosmopoliet komt binnen, maakt een praatje en leest ook even in de openbare bijbel. Hij stuit op nogal misantropische wijsheden, die de gelovigen oproepen niet alleen vreemden en zogenaamde vrienden, maar juist ook de allerdierbaarsten te wantrouwen, wanneer ze zuiver contact met God willen bereiken. Dat legt hij de oude boer voor: als dit Bijbelse wijsheid is, waar is dan de naastenliefde, de goede wil?! Is het geen zonde om de schepselen te wantrouwen aangezien je daarmee de Schepper wantrouwt? Is dwaasheid, namelijk altijd goed van vertrouwen zijn, niet beter dan dit soort koude wijsheid? De oude man laat zien: dit komt uit een apocrief boek, Wijsheid van Jezus Sirach, dat rond 180 voor Christus in het Hebreeuws geschreven werd. Apocrief of niet apocrief, woord van God of niet, het is onzeker en willekeurig. De autoriteit van de Bijbel lijdt schipbreuk.
Vervolgens komt er een jongen op blote voeten binnen, die als straathandelaar in zijn onderhoud voorziet. Hij haalt een mahoniehouten miniatuurdeur tevoorschijn en prijst zijn ‘reizigerssloten’ aan, hangsloten die je aan de deurknop kunt doen om insluipers uit je hotelkamer te houden. Kan ook op het raam! Verder verkoopt hij heupgordels om je geld in te verstoppen en een brochure die beschrijft hoe je vervalst geld kunt herkennen. De oude boer zegt dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn en koopt slot en geldgordel. Bij het weggaan zegt de jonge marskramer guitig: ‘Look a lie and find the truth.’
Het gesprek tussen Frank Goodman en de oude boer gaat nog even over de gevaren van schipbreuk en waar de reddingsmiddelen te vinden zijn. Kijk, zegt Goodman, de kruk waarop je zit, die houdt je drijvend. Ga ervan uit dat er altijd mogelijkheden op redding en genegenheid zijn. Terwijl de scène opende met de mededeling dat het licht moest blijven branden om te zorgen dat mensen met slechte bedoelingen door iedereen te zien waren, raakt nu de brandstof in de lamp uitgeput. De oude man maakt zich zorgen of hij zijn hut nog kan vinden.
De laatste woorden van het boek: ‘Het verzwakkend licht stierf weg en daarmee de kwijnende vlammen van het gehoornde altaar en de kwijnende halo rond het hoofd van de man in pij, terwijl in de daaropvolgende duisternis de kosmopoliet de oude man vriendelijk wegleidde. Er kon weleens een vervolg komen op deze maskerade.’
Nee, het is niet zeker of Goodman de man alleen zal helpen of ook nog bestelen. Alles is onzeker. Het gehoornde altaar, de halo, het zijn tegenstrijdige symbolen: heilig en duivels tegelijk. De confidence man heeft aangetoond dat het geloof in naastenliefde moeiteloos hand in hand kan gaan met de realiteit van misdaad en onrecht. Zonder slechte bedoelingen, zoals bij de oude boer, maar ook met de meest schofterige, zoals bij de slavenhouders, indianenhaters en Wall Street-haaien. Melvilles satire is warmbloedig, hij laat op een subtiele en speelse manier zien dat er geen geloofwaardige morele code ten grondslag ligt aan de Verenigde Staten, maar van een sardonisch plezier of cynische triomf is niets te merken. Wat overblijft is eerder een dof gevoel van wanhoop, verdriet om het verloren ideaal.

An original character

In 1988 schreef ik een essay over The Confidence-Man en zag ik in het boek behalve een satire op de schijnheiligheid van de Amerikaanse status quo vooral een enthousiast en ergens hoopgevend model voor de uitwerking van de verbeelding. In een voorlaatste hoofdstuk gaat de auteur van The Confidence-Man: His Masquerade in op de bijzondere aard van zijn hoofdpersoon. In tegenstelling tot andere literaire personages is hij niet gemodelleerd naar echte mensen. Hij staat niet eens voor een mensentype. Hij is een figuur die alleen in een fictieve vertelling kan bestaan: een ‘original character’, en hij noemt Don Quijote en Miltons Satan als soortgenoten. Wat onderscheidt denkbeeldige maar levensechte personages van een original character? Je zou kunnen zeggen dat de spelregels van de literatuur de illusie kunnen oproepen van menselijk gedrag en karakter. Dat is een synthetiserende, verdichtende beweging, die aan personages in romans en verhalen een intensiverende en algauw betekenisvolle uitwerking geeft. Die uitwerking bestaat bij de gratie van een metaforisch effect en de koppeling aan wat je pittoreske, historische, specifieke context kunt noemen.
Een original character heeft een tegenovergestelde uitwerking. Het is eerder een principe dan een menselijk personage. Melville beschrijft het als een krachtige lamp in een vuurtoren, die lichtstralen uitzendt, ver weg van zichzelf, en die bij de lezer als effect hebben dat alles wat die lichtstralen raken in beweging komt, tot leven wordt gewekt, ‘vergelijkbaar met wat in Genesis plaatsvindt bij de oorsprong der dingen’. Een scheppend effect, kortom, dat leidt tot een samenhangend beeld van een wereld, een levensbeschouwing. Alles wat er in het verhaal gebeurt lijkt in trilling en onderling contact te komen dankzij de organiserende en energetische invloed van het original character. Er is geen verschil meer tussen banaal detail en allegorische finesse, symbool en feit vervloeien, het diepzinnige en het lachwekkende geven elkaar de hand. Wat nu wat is wordt onbeslisbaar. Dat is de vrijheid, de speelruimte, zowel in morele, in persoonlijke als in politieke zin, die Melville mij leek te openbaren.
Nu ik dat stuk herlees, dat deel uitmaakt van mijn debuutroman Tegenwoordigheid van geest (1989), herken ik het verlangen van een jonge auteur naar vrijheid en spel, tegen de verdrukking van de ernst van het leven en het gewicht van de wereld in. Natuurlijk wilde ik bij Melville de openheid, het meervoudige, het ambivalente en vrolijke benadrukken. Nu heb ik meer oog voor de tragiek in de relatie tussen de confidence man en zijn medereizigers. De pijn die het boek voortdrijft zit in de hulpeloze, bekrompen waarneming van de passagiers op de Fidèle, als ze hun blik richten op de vraag wat naastenliefde is, op wat er gebeurt als iemand anderen bedriegt, als ze misstanden en onrecht willen wegredeneren. Vooral hun onwil en onvermogen te horen dat ze voorgelogen worden, dat ze zichzelf voorliegen uit angst en eigenbelang. Dat is de uitwerking van de lichtstralen die de confidence man uitzendt. Het licht raakt de anderen, breekt en toont alleen maar teleurstellende beelden: onnozele goede bedoelingen, onverschilligheid, zelfingenomen domheid, agressief egoïsme, oppervlakkig opportunisme en ga zo maar door. Een natie bevolkt door een massa van zulke mensen kun je met recht een ship of fools noemen.
Melville had de moed opgegeven en kon het niet meer opbrengen zijn verbeelding in te zetten tegen de zoet pratende bedriegers, de ophitsende opportunisten en de kwaadaardige demagogen. Hij was een teleurgestelde gelovige.
De verdachtmakingen van de rechtsorde, de democratie en een sociale politiek door cynische en onverantwoordelijke oplichters, schreeuwlelijken en misdadigers die de politieke wind in de zeilen hebben, zijn geen ontmaskering. De populisten met hun roep om ontregeling, het botvieren van eigenbelang, de zucht alles wat anders is te smoren en vertrappen, hebben de waarden van recht, democratie en sociale rechtvaardigheid niet weerlegd als onzinnig of onmogelijk. Ze laten zien dat het een kwestie van kiezen is. Zij kiezen iets anders.
Het beste lijkt het om in te zien dat recht, democratie en sociale politiek inderdaad ficties zijn, hooguit streefwaarden, maskers misschien, maar het zijn ook de voorwaarden voor sociale samenhang, effectieve samenwerking en een tegenwicht tegen het onrecht dat de rijken en machtigen, de bevoorrechten en gezonden anderen en de levende natuur aandoen, al dan niet met slechte bedoelingen. Een bepaalde mate van spel, ‘doen alsof’, illusie is onontkoombaar als mensen willen samenleven. Die maskerade is geen bedrog, maar een omweg om in alle meerstemmigheid, dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid iets waardevols mogelijk te maken. De omweg via de maskerade is onze hoop om de feiten, elkaar, de kansen op de vermindering van lijden en de afgrond in onszelf te blijven zien. Het geeft houvast om in gesprek te blijven, de verschillen bespreekbaar te maken. Dit alles om te voorkomen dat verlamming en wanhoop de overhand krijgen, of dat er een burgeroorlog uitbreekt. Blind geloof in de maskers is funest, maar het willen afrukken en vernietigen ervan zelfdestructief: dan is het iedere wanhopige voor zichzelf en klinken de stemmen van de wonderdokters, de verlossers, de tribale krijgsheren en trollen nog verleidelijker. ¶

Dirk van Weelden (1957) is redacteur van De Gids. Hij debuteerde in 1987 samen met Martin Bril met Arbeidsvitaminen. Het ABC van Bril & Van Weelden. Hij schrijft romans, novellen en bundels met essays en verhalen. In 2022 verscheen Het voorbeeld van hun liefde.

Meer van deze auteur