1. Inleiding

Het is alweer een kleine vijf jaar geleden dat de Gouden Koets in een plexiglas kooi te pronk werd gesteld in het Amsterdam Museum. Ik was er indertijd van overtuigd dat het vehikel museumrijp was, en wel vooral vanwege het koloniale paneel. Nicolaas van der Waay, directeur van de Rijksakademie van beeldende kunsten, die zich ook al niet onbetuigd had gelaten bij de Wereldtentoonstelling in Amsterdam in 1883, was de maker van het paneel Hulde der Koloniën. Daar zagen we mensen uit de Oost en uit de West eerbiedig hun hulde betuigen aan de Nederlandse maagd voor de zegeningen over hen uitgestort: cultuur, christendom, wegen, bestuur, noem maar op. De koets werd aan de achttienjarige koningin Wilhelmina aangeboden in 1898, ter gelegenheid van haar staatsrechtelijke meerderjarigheid.
Als republikein was ik uitgenodigd om deel te nemen aan de klankbordgroep die de tentoonstelling van en over de Gouden Koets begeleidde. Mijn bijdrage bestond vooral uit het zoeken naar een antwoord op de vraag: welke nationaliteit hadden de inwoners van de koloniën eigenlijk, die zo blij waren met de zegeningen van de kolonisator?
Omdat ik al een jaar of vijftig enige studie had gemaakt van het nationaliteitsrecht, ook rechtsvergelijkend, wist ik het antwoord al wel. Het overgrote deel van de bevolking in de Oost was een paar jaar tevoren staatloos gemaakt. En ook was ik ervan op de hoogte wie daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk was: Henry Levyssohn Norman, een liberaal Kamerlid, die maar in zeer beperkte kring enige bekendheid genoot en geniet.
Dit opstel is een tweeluik: het eerste deel zal uit de doeken doen hoe het in 1898 gesteld was met de status van de inlandse bevolking van de koloniën wat betreft de nationaliteit, het tweede deel zoomt in op de persoon van Levyssohn Norman.

2. De nationaliteit van de inlandse bevolkingen

Nationaliteitsrecht is van jonge datum; het bestaat nauwelijks een paar eeuwen. Het is een koppeling tussen personen en zelfstandige staten, waaraan een tros wisselende rechten en plichten verbonden is. Als bewijs van het bezit van een nationaliteit worden paspoorten verstrekt, identificerende reispapieren waarop het buitenland vertrouwt, omdat die de garantie bieden dat men de bezitters ervan naar hun eigen land terug kan sturen. Die bezitters hebben ook de garantie dat ze in beginsel vrij kunnen uitreizen en ook altijd naar hun land kunnen terugkeren. Binnenslands zijn heel veel regels op hen van toepassing, en deels nemen ze hun recht naar het buitenland mee. Dat bepaalt het internationaal privaatrecht van elk land, en tegenwoordig ook veel verdragen. De EU kennen regels die bepalen wanneer het recht van de nationaliteit van een persoon van toepassing is, ook als hij zich in het buitenland bevindt. Nederland kan ook zijn burgers vervolgen die in het buitenland bepaalde delicten begaan. Kortom, nationaliteit is een uiterst complexe en essentiële status, voor Nederlanders tegenwoordig eigenlijk het achtste en belangrijkste vinkje.
Wie staatloos wordt kan nergens heen, en heeft geen bescherming. Men is overal vreemdeling. Staatloosheid is een heel ernstig euvel, dat vele ontstaansgronden heeft. Een daarvan is het gevolg van het uitgangspunt dat elke staat in vrijheid mag bepalen wie er tot zijn ledenbestand behoort. Daarmee kan men tussen wal en schip raken. Een andere grond: de entiteit waartoe men behoort wordt niet beschouwd of erkend als staat. Dat is bijvoorbeeld het geval met de Palestijnen in ons land, omdat Nederland weigert Palestina als staat te erkennen.
Om iets te begrijpen van de ontwikkelingen die naar de situatie in 1898 geleid hebben, moeten we terug naar het begin van de negentiende eeuw. Na vermeld te hebben dat de Bataven in 1811 na de inlijving door Napoleon allemaal tot Fransen gebombardeerd waren, terwijl men in de Oost onder Engels bewind stond, richten we onze blik op de nieuwe zelfstandige staat die in Wenen geboren is als bastion tegen de Fransen. Er moest opnieuw gedefinieerd worden wie erbij hoorden. Daarover werd zwaar gesteggeld tussen de Belgen en de Noordelijke Nederlanden. De Belgen waren al gewend aan de Code Civil, waarin het nationaliteitsrecht was neergelegd, de Noordelijken wilden hun eigen wetboek maken. Na het vertrek van de Belgen werd het een stuk makkelijker, en in 1838 kregen we een regeling van de nationaliteit in het Burgerlijk Wetboek (BW), die merkwaardigerwijs als twee druppels water leek op de nationaliteitsregeling van de Code Napoléon.
Wat stond erin? De hoofdregel van artikel 5 lid 1 BW decreteerde: ‘Nederlanders zijn: 1. Allen die binnen het Koningrijk of deszelfs koloniën zijn geboren uit ouders aldaar gevestigd.’
Dit was een heel insluitende regeling. Het was een combinatie van territorialiteit en afstamming. Het omvatte dus iedereen die in de koloniën geboren was uit ouders die daar ook woonden, ongeacht of men ook een andere nationaliteit kreeg. Een op Java geboren kind uit Franse of Chinese ouders die zich daar gevestigd hadden bezat twee nationaliteiten. Alle zogenoemde ‘inlanders’ ik blijf de toenmalige technische term maar gebruiken in de Oost en de West waren zo net zo gewoon Nederlander als de mensen in Europa. Wel werden aan dat Nederlanderschap andere gevolgen verbonden, met name in Nederlands-Indië, waar de bevolking sinds 1854 naar ras ingedeeld en onderworpen aan verschillende regelgeving was.
Twaalf jaar later werd alles anders. Thorbecke was aan de macht en had in de revolutionaire Grondwet van 1848 laten opnemen dat in het vervolg de wet zou bepalen wie Nederlander was. Die wet was een kolfje naar zijn hand. Maar wat deed die hand? De natiestaat had zijn intree gedaan, met alle romantisch-etnische gedachten en ideologieën die daarbij hoorden. De natiestaat sluit vooral uit, en de nationaliteit is het instrument. Daarbij kwam dat de burger meer en meer te zeggen kreeg, zowel in democratisch opzicht als bij de toegang tot allerlei overheidsfuncties. De nadruk kwam te liggen op het publieke of algemene staatsburgerschap, en minder op de private sfeer en het burgerlijk recht.
In het parlement betoogde de minister van Binnenlandse Zaken, Thorbecke himself:

Nederlanders, die het zijn volgens dit ontwerp, zijn de leden van de Nederlandsche natie. Maar het lidmaatschap der Nederlandsche natie zou, geloof ik, met meer regt aan de Duitschers en de Engelschen, dan aan de inlanders van Java of van de Molukken worden toegekend.

Racistisch eurocentrisme zouden we nu zeggen. White supremacy troef, al waren de nog steeds gehate Fransen door de staatsman buiten beeld gezet. Mensen uit Europese staten stonden dichter bij de Nederlandse natie dan de oorspronkelijke bewoners van de koloniën. De wet van 1850 bepaalde dan ook in zijn art. 1: ‘Nederlanders, ten aanzien van het genot van burgerschapsregten, zijn: 1e die geboren zijn uit ouders binnen het Rijk in Europa gevestigd.’ Hiermee werd iedereen die geboren was uit ouders die in de koloniën woonden buitengesloten. Plaats van geboorte deed er niet toe. Die hadden dus geen burgerschapsrechten meer, zoals kiesrecht, en het recht om allerlei ambten te bekleden. Echte Nederlanders waren witte Europeanen, grosso modo. Thorbecke ging zelfs nog een stap verder. Hij beweerde dat het BW van 1838 helemaal geen nationaliteitswetgeving bevatte. Volgens hem zei dat alleen dat áls je Nederlander was, het BW dan op je van toepassing was, maar het vertelde niet wie Nederlander was. Dat kon volgens hem ook niet in het BW, dat moest in een aparte, publiekrechtelijke wet. Allemaal klinkklare nonsens. Er werd ook in de praktijk niet naar gehandeld. Dat betekende dat er in de praktijk twee nationaliteitsregelingen golden: een inclusieve regeling waaraan burgerlijkrechtelijke gevolgen verbonden waren, en een exclusieve, die burgerschapsrechten meebracht, en misschien zelfs voor alle doeleinden als aanknopingspunt kon dienen. Dat kon niet goed gaan. Er waren schimmige demarcatielijnen tussen de twee regelingen, en, als gezegd, de toegang was verschillend. Daarmee ontstond de be­hoefte om beide regelingen te versmelten in één algemene nationaliteitswet, met één ingang, die voor alle doelen gebruikt kon worden. Daarvoor werd een lange aanloop genomen, maar begin jaren negentig van de negentiende eeuw werd de sprong gemaakt. De aanwezigheid van veel Duitsers in ons land, die op grond van het territorialiteitsbeginsel van de wet van 1850 ook Nederlander werden, wat men niet prettig vond, gaf sporen. Het ius soli, zoals het heette, had als feodaal afgedaan. Het afstammingsbeginsel paste beter bij de etnische natiestaat. Hoofdregel werd nu: ‘Nederlanders door geboorte zijn: a. het wettig, gewettigd of door de vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader de staat van Nederlander bezit.’ Hiermee kwam het ius sanguinis, het afstammingsbeginsel, op de troon. Kinderen van Nederlandse vaders, waar ook geboren, werden bij geboorte Nederlander, met alle rechten die daaraan verbonden waren. Deden de (buitenlandse) moeders er niet toe? Nee: die werden namelijk door huwelijk met een Nederlander volautomatisch Nederlandse, en verloren doorgaans hun oorspronkelijke nationaliteit, en gaven hun nationaliteit niet door aan hun kinderen, dat deed alleen de vader. Pas een eeuw later, in 1985, werd het de Nederlandse moeder vergund haar Nederlanderschap door te geven, los van de vader en diens nationaliteit. Waar het voor ons onderwerp nu op aankwam, was de overgangsbepaling in de wet van 1892. Wetten gelden immers in beginsel alleen voor de toekomst. Maar wat moest er dan gebeuren met de bestaande Nederlanders, vooral de ‘inlanders’ die het Nederlanderschap bezaten op grond van het BW 1838? Minister Hendrik Jan Smidt van het liberale kabinet-Kappeyne van de Coppello had een voor de hand liggende liberale regeling voor ogen. Iedereen die volgens de eerdere wetten van 1838 en 1850 Nederlander was zou dat ook blijven:

Zij die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt den staat van Nederlander bezitten zijn Nederlanders in den zin van deze wet.

Voor iedereen die, anders dan Thorbecke, het BW van 1838 zag als een regeling van de nationaliteit met vooral civielrechtelijke gevolgen, zou dat een opwaardering betekenen: die Nederlanders, met inbegrip van alle mensen uit de koloniën, zouden dan ook publiekrechtelijk Nederlander worden. Dat was ook duidelijk de intentie, de regering mikte op twee doelen: er moest een eind komen aan het tweeslachtig Nederlanderschap, en het onrecht moest voorkomen worden dat mensen die op de een of andere manier quovis modo Nederlander waren hun Nederlanderschap zouden verliezen. Een mooie inclusieve regeling. Maar iemand stak een spaak in het wiel. Die iemand was het liberale Kamerlid Levyssohn Norman, die alom werd beschouwd als zeer deskundig als het om koloniale aangelegenheden ging. Bij de openbare behandeling van het wetsvoorstel komt hij met een amendement waarmee ‘inlanders en met hen gelijkgestelden in de koloniën’ uitgesloten zouden worden van de overgangsbepaling. Dat betrof zowel de inwoners van de Oost als van de West. Hij roept daarbij Thorbecke aan, die veertig jaar eerder ook al had betoogd dat met zo’n insluitende regeling ‘een gemeenschap van naam zonder enige gemeenschap van recht of volkswezen’ zou ontstaan.’ Wederom: wij zouden dat nu racistisch noemen. Dan gebeurt er iets opmerkelijks. Levyssohn Norman is nauwelijks uitgepraat of minister Smidt van Justitie neemt niet alleen diens amendement (gedeeltelijk) over maar trekt ter plekke een gewijzigde overgangsbepaling, compleet met memorie van toelichting, uit zijn binnenzak. De minister van Koloniën, Willem Karel van Dedem (de trotse initiatiefnemer van het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn), knikt daarbij instemmend. Kennelijk was de zaak door het Kamerlid en de ministers voorgekookt en bekokstoofd. De betrokken ministers moeten de koppen bij elkaar hebben gestoken en een wijziging op het amendement hebben voorbereid. In de archieven is daar niets over te vinden. Van wie ging het initiatief uit? Van de mooie overgangsbepaling worden nu uitgezonderd degenen ‘die in Nederlandsch-Indië ingevolge de wet van 2 september 1854 als inlanders en daarmede gelijkgestelden worden beschouwd’. Het parlement stemt daar vrijwel unaniem mee in. Het te vermijden ‘onrecht’ als doelstelling werd totaal vergeten. Het amendement werd dus niet in zijn geheel overgenomen: alle mensen in de West bleven Nederlander. Alleen de Oost werd getroffen, en dat kolossaal: ongeveer 30 miljoen mensen verloren zo pardoes hun Nederlanderschap. Die konden die belangrijke hoedanigheid onder de nieuwe wet ook niet meer bij geboorte aan hun kinderen overdragen. Zij waren met een pennenstreek vreemdeling in eigen land geworden. Deze ommezwaai is waarachtig next level, een enormiteit die in geen enkel ander koloniserend land is aangetroffen. Dat kon dan ook niet lang duren. Er ontstonden internationale repercussies, mede in verband met de uitreis van veel islamitische staatlozen naar Mekka. Die kwamen soms in de penarie, en Nederland waste de handen in onschuld. Formeel bestond er immers geen enkele band tussen de Nederlandse staat en de staatloze inlanders. Toch werd Nederland vanzelfsprekend aangesproken door andere landen. Vandaar dat er in 1910 een gedrochtelijke reparatiewet kwam. Die schiep een tweedeling onder de Nederlanders, op basis van ras: ‘de Wet houdende regeling van het Nederlandsch onderdaanschap van niet-Nederlanders’. Die ontwierp twee groepen: Nederlands onderdaan-Nederlander, en Nederlands onderdaan-niet-Nederlander. Met andere woorden: eersteklas Nederlanders en tweedeklas Nederlanders, met het onderscheid gebaseerd op ras. Zo werden de ‘inlanders’ geëtiketteerd als Nederlands onderdaan-niet-Nederlander: ze hoorden er wel en niet bij. De West ontsprong ook hier deze danse macabre: de Arowakken, maar ook de marrons en de creolen waren vol Nederlander; de bevolking van Java was niet-Nederlander, maar wel onderdaan. Pas in 1962 werd deze wet ingetrokken, toen de ‘inlanders’ allang trotse staatsburgers van Indonesië waren geworden. Terug naar de Gouden Koets. Het zelffeliciterende vals bewustzijn druipt van het koloniale paneel. Hoe dankbaar kan men hulde brengen voor deze verse, vijf jaar tevoren tot stand gebrachte ontrechting? Was het eigenlijk wel bekend bij opdrachtgevers en makers dat de afgebeelde mensen uit Oost-Indië, ook uit de hoogste kringen, net staatloos waren gemaakt en er dus helemaal niet meer bij hoorden? Staatloosheid als zegening?

3. Wie was Henry Levyssohn Norman?

Hij was geboren in 1836, als zoon van Levyssohn, een gezien advocaat bij de Hoge Raad die de naam Norman aan de zijne plakte. Op zijn beurt liet de zoon op latere leeftijd vanaf 1891 de naam Levyssohn verdwijnen voor zijn nageslacht: dat ging voortaan door het leven als Zoetelief Norman. Zoetelief was de meisjesnaam van zijn vrouw, de dochter van een resident. Na het gymnasium studeerde hij rechten in Leiden, magna cum laude glansrijk afgerond. Op zijn eenentwintigste promoveerde hij nu zelfs summa cum laude in 1857 op het dikke en nog steeds bijzonder leesbare proefschrift De Britsche heerschappij over Java en onderhorigheden (1811–1816). De jongeman was goed ingevoerd in de hogere kringen: in zijn voorwoord bedankt hij de conservatieve Jean Chrétien baron Baud, oud-GG en oud-minister van Koloniën, en Pieter Mijer, minister van Koloniën, die een kleine tien jaar later, in 1866, een schandaal veroorzaakte met zijn benoeming tot beter gesalarieerde GG. Beide hoge heren hadden L.N. inzage gegeven in hun archieven. L.N. was kennelijk al vroeg gegrepen door Nederlands-Indië. Daar wilde hij ook werken. Zo deed hij de vervolgopleiding in Delft waar hij in 1858 de rang verwierf van Oost-Indisch ambtenaar eerste klasse. Hij reist meteen af naar Batavia, en mag zowaar als piepjong ambtenaartje een paar dagen logeren bij de GG Pahud de Mortanges (1856-1861), waarna hij op de Algemene Secretarie in Buitenzorg wordt tewerkgesteld. De turbo staat op zijn carrière, en in 1873 hij is dan zesendertig wordt hij benoemd in de hoogste ambtelijke functie: Algemeen Secretaris van het Gouvernement. Hij is dan de rechterhand van de opvolgende GG’s : eerst Loudon (1872–1874) en vervolgens Van Lansberge (1875-1881). Hij is het hoofd van heel het Indische ambtenarenapparaat. Zijn benoeming ging intussen niet zonder slag of stoot. De minister van Koloniën, Isaac Fransen van de Putte, was qua ambities een rivaal van L.N., en die vond bovendien dat hij het recht van benoeming had. James Loudon, de rechtlijnige en wat ouderwetse GG, liet zich niets gezeggen: Ik zal benoemen en ontslaan naar mijne overtuiging en niet op commando van wie dan ook.’ Dus ook niet van een minister. De minister dacht de baas te zijn over de GG, de GG meende onder de geboden van de koning te staan hij was toch de onderkoning? en een eigen koers te kunnen varen, een constitutioneel conflict dat op den duur in het voordeel van de minister beslecht werd. Mede dankzij de telegraaf, die de lijn Den Haag-Batavia in tijd heel kort maakte, zodat de minister meer en vooral sneller greep kreeg op het gebeuren in Indië. In 1877 stapt L.N. over naar de Raad van Indië, het belangrijkste adviesorgaan voor de GG, om na een jaar wegens gezondheidsredenen naar patria te vertrekken. In 1880 keert hij terug, maar in 1884 moet hij weer naar Europa. Terug in het vaderland probeert hij in de Kamer te komen, wat hem in 1888 lukt voor het district Rotterdam. Hij behoort tot de rechterflank van de in 1885 opgerichte stroming van de Liberale Unie. Tot zijn dood in december 1892 de nationaliteitswetgeving wordt net behandeld in de Eerste Kamer is hij uiterst actief als Kamerlid, vooral in aangelegenheden de Oost betreffend, waar hij algauw de gezaghebbende stem is. Hij wist van alle hoeden en randen, en was zelf opperhoedenmaker geweest. Hij wist zelfs een minister van Marine tot aftreden te dwingen. Oud-GG Loudon beveelt hem in 1883 aan als minister van Koloniën. Fransen van de Putte, zijn rivaal, herdacht hem in de Eerste Kamer: ‘een man van groot talent, grote scherpzinnigheid, vriendelijk gemoed, en poëtische natuur.’ L.N. is niet alleen topambtenaar en bestuurder geweest. Talrijk waren zijn soms tijdrovende en soms winstgevende nevenfuncties en activiteiten. Zo was hij betrokken bij het Curatorium van het Gymnasium Willem Ⅲ, secretaris van het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen, directeur van het Etnografisch Museum, corresponderend lid van de knaw, voorzitter van de Maatschappij Toonkunst Aurora, maar ook de actieve voorzitter van het Hulpcomité na de ver­woestende mega-uitbarsting van de Krakatau in 1883. Vanaf 1890 is hij betrokken bij de mede door hem opgerichte Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië, de Koninklijke Olie. Zijn oude vriend, N.P. van den Berg, misschien de belangrijkste zakenman van Nederlands-Indië, en vers benoemd tot directeur van De Nederlandsche Bank, bombardeerde hem tot president-commissaris van wat later Shell werd. Van den Berg schreef ook een uitvoerig en liefdevol levensbericht van zijn vriend voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waarvan beiden lid waren. L.N. had zich verdienstelijk gemaakt voor de oprichting van een nationaal monument voor de dichter Tollens. Dat werd in aanwezigheid van Willem Ⅲ in 1860 onthuld. Tollens’ ‘Wien Neêrlands bloed door d’aderen vloeit / van vreemde smetten vrij’ was tot 1932 het officiële Nederlandse volkslied. Het zal L.N. aangesproken hebben met het ophemelen van de afstammingsnatiestaat. De ‘vreemde smetten’ waren de vermaledijde Fransen. De koloniale versie van de tweede regel luidde: ‘wien ‘t hart klopt fier en vrij’ om daar de welkome andere Europeanen zoals de Fransen niet voor het hoofd te stoten. Het echoot de thorbeckiaanse insluiting van Duitsers en Engelsen. Dat was ook economisch zo: die mochten net als Nederlanders economisch vrij in Oost-Indië opereren, en L.N. was daar een groot voorstander van. In zijn studententijd was L.N., hoewel studieus, ook een gezelligheidsdier, met veel vrienden. Een van hen was François HaverSchmidt, Piet Paaltjens. Met hem zat hij ‘bierrijk’ aan de vaste tafel bij Vater Muller in de Breestraat. Piet Paaltjens, hoewel niet de intiemste vriend van L.N., schreef een onafgemaakte lijkrede; onafgemaakt, omdat L.N. geen vertoon aan het graf had gewenst. De dominee verhaalt daar hoe L.N. lid was van het Dispuut voor Stijl en Uiterlijken Welsprekendheid, waar hij de komiek uithing, terwijl vriend Willem van der Kaay, later collega-Kamerlid en minister van Justitie, de tragische rollen vertolkte. HaverSchmidt:

Zonder zich op den voorgrond te plaatsen en bij voorkeur zich terugtrekkend waar de pret tot ruwe uitgelatenheid dreigde over te slaan, genoot hij en gaf hij te genieten, door een goedgehumeurde en geestige vrolijkheid. Zelden was het dat niet een of ander bon mot van hem de ronde deed, niet minder zeker waard om den vergetelheid te ontgaan dan de dwaze invallen en kluchtige rijmen zijner vrienden, die, bij latere ontmoetingen, zijn gelukkig geheugen met ongeschonden trouw bleek te hebben bewaard.

Met andere woorden: L.N. kon Piet Paaltjens feilloos reciteren. Ook was hij lid van het in 1834 opgerichte Haagse letterkundig genootschap Oefening Kweekt Kennis (okk), net als zijn vader. Daar kwam hij nogal eens in botsing met Frans Netscher, een jonge stuipenkop. De vers afgestudeerde jurist Marcellus Emants beschrijft een vergadering in Diligentia in 1886: ‘Na afloop bedankt Levyssohn den president en zegt dat hij dat vooral doet omdat Netscher hem een grote knauw heeft gegeven. Netscher zegt dat hij hem niet begrijpt. Ising [de voorzitter, d’O.] zegt, dat knauwen van zekere zijde hem erg onverschillig laat.’ Het boterde niet tussen L.N. en Netscher. Die schreef als parttime Kamerstenograaf een aantal levendige portretten van Kamerleden, onder wie L.N., die ‘parvenu’:

Stel u een vetten man voor, met aanmatigend dikken buik, die over twee korte, kromme beentjes hangt. Met dit uitstekende lichaamsdeel naar voren schommelt hij — hoogst ingenomen met zichzelven — tusschen zijn medeleden door. Maar nog aanmatigender dan zijn buik, is zijn enorme neus, waarop een lorgnet staat, die twee gluiperige oogjes met een lepen opslag bedekt. […] De positie van Levyssohn in de kamer is die van een man met vage verdiensten en ongeïndiceerde bekwaamheden, want het valt niet te ontkennen dat goochem en kundig, geslepen en slim, leep en vernuftig in de staatkunde geen synoniemen zijn.

Veel antisemitischer kan het niet.Was dit antisemitisme ingegeven door het ontslag dat Netschers vader als resident van Pekalongan gekregen had toen L.N. gouvernementssecretaris was? L.N. was volledig geassimileerd. Andere tijdgenoten hebben een veel gunstiger oordeel. De loftuitingen bij zijn voortijdige dood waren niet van de lucht. Maar ook eerder stond hij goed bekend, als gros bonnet van de Bataviase elite. Busken Huet, die niet om zijn milde oordeel bekendstaat, schrijft in 1871 vanuit Parijs aan zijn vriendin Geertruida Bosboom-Toussaint:

Het verwondert mij niet dat mr. Levyssohn Norman een aangenamen indruk op U gemaakt heeft. Innemend, buitengewoon begaafd, man van takt, en uitstekend Indisch ambtenaar is hij zeker. Zijne vrouw, de beminnelijkheid zelve en een gelukkig specimen der Nederlandsch-Indische créole […]

Er bleef enig contact met de gevierde schrijfster. Toen die op haar zeventigste verjaardag in 1882 een losbladig album amicorum kreeg aangeboden, kon L.N. niet achterblijven. Hij schreef vanuit Batavia een lofdicht op de jubilaresse, eerder lofrijmelarij, waarvoor de appreciatie niet erg uitbundig was. In een brief aan Huet schreef ze:

Nu beginnen ze uit Indië: Levyssohn, Der Kinderen, — heeren die zeker nooit veel aan de poeterij gedaan hebben beginnen te begrijpen dat zij mij verzen moeten zenden. Stuurden ze liever Oostersche confituren, daar had ik zeker meer aan.

Zo wordt L.N. in de atjar gelegd. Hoe L.N. aan zijn in het amendement uitlopende overtuiging kwam dat de inheemse bevolkingen van de koloniën geen deel uitmaakten van de natiestaat, en dat staatkundig daarom een dramatisch onderscheid gemaakt moest worden, is niet helemaal te achterhalen. Hij was eerder een doorgever van idées reçues, zonder veel diepgravende gedachten. Zijn intellect werkte eerder snel dan doorvorsend. Zeker is dat hij in 1889 op het Congrès International Colonial aan het Collège de France onder het gehoor was van voorzitter Gustave Le Bon, een van de vaders van de massapsychologie. Die had zich in zijn openingsrede met vuur gekeerd tegen het opgekomen assimilationisme, de gedachte dat men de inwoners van de koloniën moest opvoeden tot ‘volkomen’ medeburgers. Dat was volgens de Fransman het najagen van onmogelijkheden. Hij toonde zich voorstander van de autonomiegedachte: de inheemse bevolkingen konden zich het best ontwikkelen binnen hun eigen cultuur, zoals dat bijvoorbeeld in de Nederlandse koloniën toeging. Een Nederlandse gedelegeerde, Van Wijnmalen, onderstreepte dat nog eens met zijn interventie. Op het congres werd die autonomiegedachte, met zijn niet alleen impliciete rassenleer, op talrijke gronden fel bestreden. L.N. was kennelijk geporteerd voor de ideeën van Le Bon, maar niet altijd consequent. Hij heeft immers zijn hele leven lang mogelijk geïnspireerd door Thomas Stamford Raffles geijverd voor de conversie, het omzetten van de traditionele collectieve landbouwgrond in individuele eigendom van de kleine landbouwer in de dessa. Dat was, met de beste bedoelingen, een typisch assimilatieproject. Toen hij in (door hemzelf geïnspireerde?) opdracht van de gg Loudon op een grote dienstreis door Java trok om dat idee in feite te propageren, werd hij teruggeroepen door minister Fransen van de Putte. Dat zorgde voor veel opschudding en onmin. Niettemin bleef hij zijn leven lang ook in geschrifte de europeanisering van het recht op de landbouwgrond uitdragen. Het ging hem om lotsverbetering van de kleine landbouwer, zonder verder veel achterliggende theorieën. En zijn desastreuze bijdrage aan ons nationaliteitsrecht tekent hem als een superintelligente bureaucraat, behept met de heersende ideeën van zijn tijd. ¶

Bibliografie:

Berg, N.P. van den, Levensbericht Henry David Levyssohn Norman, Jaarboek 1895 Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

Boels, H., de Jong, Janny, Tamse, C.A., Eer en fortuin. Leven in Nederland en Indië 1924— 1900. Autobiografie van gouverneur-generaal James Loudon (2003)

Groot, Gerard René de, ‘De geschiedenis van het Nederlandse nationaliteitsrecht in de

negentiende eeuw’, in: A.M.J.A. Berkvens & mr. Th.J. van Rensch (red.), Wordt voor Recht gehalden. Opstellen ter gelegenheid van vijfentwintig jaar Werkgroep Limburgse rechtsgeschiedenis (1980—2005) (2005)

Heijs, Eric, Van vreemdeling tot Nederlander. De verlening van het Nederlanderschap aan vreemdelingen 1813–1993 (1995)

Jessurun d’Oliveira, H.U., Natiestaat en kolonialisme: een ongemakkelijk verbond. Ras en nationaliteit in de negentiende eeuw (2023)

Levyssohn Norman, H.D., De Britsche heerschappij over Java en Onderhoorigheden (1811—1816), ‘s-Gravenhage, Gebroeders Belinfante (1857)

Poortinga, E., De scheiding tussen publiek- en privaatrecht bij Johan Rudolf Thorbecke (1798—1872) (1987)

H.U. Jessurun d’Oliveira (1933) is emeritus hoogleraar aan de rechtenfaculteit van de universiteiten van Amsterdam en Groningen en het Europees Universitair Instituut (Florence). Hij was redacteur van Propria Cures, Tirade en Merlyn. Hij publiceerde o.m. interviews met schrijvers in Scheppen riep hij gaat van Au (1965), bundels opstellen over poëzie in Vondsten en bevindingen (1967) en Luceberts zoekend oog (2015). In 2023 verscheen zijn boek Natiestaat en kolonialisme: een ongemakkelijk verbond.

Meer van deze auteur