‘t Is niet om niet geweest, ik was geen dupe
M. Nijhoff

Fatsoenlijk waren we, zuinig, harde werkers, we hielden van God en het Vaderland, dat zich vaak vergist in wie het vervolgt en wie het vereert. Geschoold in ‘t aloude ambacht, ja, we hadden een harde stem. We hielden van het stille water van de delta, trokken met schepnet en hengel naar beken, meren en kreken. We wilden in het leger, dat was onze familie-eer, doch werden afgekeurd vanwege onze geringe lichaamslengte.
Geen conformisten waren we, ook niet in de liefde, en toen ze ons uiteindelijk doormidden spleet, riskeerden we hoon en spot om met háár ons leven te delen. Een gezin stichten behoorde niet tot de mogelijkheden, we hadden er vrede mee, ‘t spaarde geld, tijd en zorgen, De Ingenieur drukte de artikelen af die we schreven. Kanalen en dijken bouwden we, sluizen en waterwerken, polders en droogleggingen. We waren ernstig en kalm, hielden onze behoeften klein, leefden voor ons werk, we behoefden geen grammofoonspeler, dineerden niet met zes gangen bij chique hoofdstedelijke gelegenheden. We hadden geen hobby’s, hielden niet van muziek, ‘t schrobben der trap klinkt beter dan valse operakreten.
Wegen hadden onze aandacht. We stelden voor viaducten op acht meter hoogte te bouwen die op de begane grond het steeds nijpender verkeersprobleem oplossen zouden, we legden een kanaal aan van Amsterdam langs Utrecht tot aan de Rijn, we waren waterbouwkundig ingenieur, en zo keken we ook tegen politieke problemen aan. We wouden, zonder sentimentaliteit of ontijdige trouw, oplossingen bedenken. 
En toen kwam het schabouwelijk plan een kanaal te graven ten gunste van België, dat met de geallieerden van de vorige oorlog op voet van vertrouwdheid omging. Landsbelangen werden door onkunde, onmacht en lafheid verkwanseld voor wat men als internationale erkenning beschouwt. We kwamen in actie, we brachten de energie en tijd in om de publieke opinie te bewerken, we richtten onze flambouwen de hoogte in, we hadden de kwaliteiten van een jachthond om te bijten en niet in te houden, we waren gedisciplineerd en methodisch, we werden tegengewerkt, we verloren de eerste slag en wonnen uiteindelijk het gevecht. We hebben standgehouden. Onze schouders droegen ‘t staatsgebouw.
Het waren onze vrienden die in ons de leider zagen voor de beweging van nationaal reveil, zoals men in Italië door de sterke leiding tegen de Marx-fanaten strijdt. Ons land verkeerde in crisis, daar was eenieder het over eens, dat was geen overdrijving, en toch scheen niemand oplossingen te zien of zelfs maar te willen overpeinzen! De werkloosheid nam catastrofaal toe, de landbouwproductie kelderde steil, maar liefst veertig procent van onze koopvaardijvloot lag aan de rede te verpieteren. We misten een krachtige hand die lijn kon brengen in de chaos die voor werkelijkheid door moest gaan.
Aan een volk werk je zoals je een dijk bereidt. De fundering dient stevig te zijn, er is een opzichter nodig, een machine die stenen verbrijzelt, vele handen wijd en zijd. Mannen met kennis die verder kijken dan een week, een maand, een jaar, scheppen de eenheid waarmee ‘t volk door ‘t leven heen wordt geleid. We startten een beweging, géén partij, we waren geen splijtzwam, we wilden in dit Rijk, waar de zon nooit ondergaat, de nieuwe grondslag leggen voor wilskracht, plichtsgevoel, nationale solidariteit.
Fascisten waren querulanten, dilettanten, ruziemakers, die hadden al hun kruit verschoten voordat de grote slag uitgevochten werd. Wij noemden onszelf socialisten, zij het in nationaal verband, onder die noemer voeren we op de kiezers aan. Ons program viel niet op door de rassenkwestie, daar hielden we ons verre van, een doorgevoerd leidersbeginsel wezen we als on-Nederlands van de hand. We zochten naarstig tot een kettingreactie der opinies te geraken, de ene toehoorder die de andere aansteekt, als een bundel vuurwerk, de lont die in het kruitvat brandt.
Natuurlijk moest er een leider zijn, al was het maar om politiek effectief te kunnen handelen, dat is de natuurlijke orde der zaken. We konden leden naar believen benoemen en ontslaan, we hielden vast aan onze koloniën, aan ‘t staatsgezag en ‘t bijbehorend militair apparaat. Ons land, geregeerd door futlozen, bestuurd door defaitisten, had zijn leger vermaakt, zoals het steeds opnieuw het staande leger aan zijn lot had overgelaten!
We waren conservatieven, zeker, maar we keken wel vooruit. Ons landschap en stedenschoon moesten beschermd worden, er moest strenger worden opgetreden om spil- en vernielzucht uit te sluiten. En meteen al stuitten we op weerstand bij onze vredelievende bijeenkomsten, scheldende schavuiten, opgeschoten proletenjeugd, buitenlandse infiltranten, daar moesten we ons tegen weren, we richtten een weerafdeling op. We droegen zwarte uniformen en we lieten ons met Leider aanduiden, het ging spontaan, het zit in de kleine luiden om gehoorzaam te willen zijn. Onze vlag was zwart van de aarde en rood van het bloed, in het midden van de driehoek lag de delta waar een gouden leeuw standhoudt.
In Utrecht kwamen we bijeen, geluid zwol aan uit duizend kelen, op de Mariaplaats inspecteerden we de wacht, dertig man sterk, in zwart gekleed, elitesoldaten bij uitnemendheid. We staken onze rechterarm vooruit, en riepen luid: ‘Houzee, houzee!’ Zoals het onze natie gewoon was toen we nog de zeeën domineerden. Onze schoonheid en discipline riepen echter geen vreugde maar na-ijver op. We werden bespot, bespuwd en uitgejouwd, en bij elke straatslag kregen wij wederom de schuld. Er kwam een wet die burgers verbood een uniform te dragen en zo welke overtuiging ook nog in het openbaar te uiten. Zo kregen de democratische despoten het voor elkaar. We werden uit onze banen ontzet, buren keken ons met een schuin oog aan, kerkelijk leiders dwarsboomden ons, we hadden het bij de overheid verbruid.

Gedwongen werden we om in het buitenland onze kennis op te steken. Daar konden we nog in alle vrijheid spreken en dromen, we oreerden dat in het toekomstige Nederland de waarheid nooit het zwijgen zou worden opgelegd, ook niet als zij de overheid onaangenaam in de oren klonk. We schonken onze bondgenoten in Duitsland de gouden Wolfsangel en kregen de verzekering dat men er niet op uit was ons grondgebied te onderwerpen. We hielden hagenspraken op de Veluwe, zoals ook de vrije Saksische boeren bijeenkwamen tegen de landelijke overheid. We vervoerden de noodklok naar Lunteren, een koperen bloem van ruim drie ton, waarmee we het volk wakker zouden schudden.
We werden de grote winnaars bij de Statenverkiezingen, we stelden ons voor dat we bij elke verkiezing groter werden, tot niemand meer om ons heen zou kunnen, tot we de koningin zeggen zouden: Het is aan ons, of het is niets, en als u dat niet bekoort, staan we de volgende verkiezingen met een nog grotere horde op het bordes. Wat bracht men tegen ons in? Doodgewoon, zonder schroom: ‘Nederland geen concentratiekamp!’ Een aanfluiting! Alsof wij niet het beste met ons volk voorhadden? Het was bangmakerij van gutmenschen zoals Asscher. Hadden ze liever communisten dan vaderlanders aan boord? De Joodse pers bleef vasthouden aan de oude leer van de Franse Revolutie, met sprookjes over gelijkheid en broederschap, die altijd weer ten koste van onze vrijheid als stront uit de riolen omhoog stroomt.
Moed kan een mens niet ontzegd worden als het gepeupel stenen tot bloedens toe naar zijn hoofd gooit, wanneer hij een mening koestert die afwijkt van waar het gros in gelooft. De oude imperiale machten raakten in rep en roer toen het krachtige Duitsland en het fiere Italië behoefte aan levensruimte en grondstoffen ontplooiden. Onze Nederlandse, in principe geweldloze gemeenschap was op deze opkomende, trotse naties gestoeld. We reisden naar Rome en Berlijn teneinde samenwerking te zoeken, we zouden tegen het niets en niemand ongemoeid latende bolsjewisme vechten moeten. 
Een misverstand is dat wij antisemitisme in het vendel voerden. Er waren veel goede nationaal voelende Joden, met een historische plek binnen ons volk. We hadden Joden onder onze beste vrienden, maar een kleine, radicale, geïmporteerde groep zorgde steeds weer met hun communistische wanen voor het gewelddadig straatrumoer. Onze tegenstanders ter rechterzijde noemden ons de Jodenpartij! Een compromis werd gevonden en verkondigd. Ze hoefden geen lid meer te worden, dat zorgde alleen maar voor onnodig gekrakeel. We wilden invloed blijven uitoefenen, hoe dan ook. We vroegen het ons af, in een massaontmoeting in de hoofdstad, we vroegen het aan onze eigen troepen: Zijn wij antisemiet? En het volk antwoordde, tot onze verbazing, als uit één mond: Jawel! Zover was het gekomen, dat zelfs goede burgers zulke slogans moesten roepen om zich veilig te kunnen voelen.
De wereld koerste af op een spoedige omwenteling. In ons buurland woedden rellen, stoepen werden opgebroken, ruiten ingegooid. Het volk vierde zijn razernij bot op de profiteurs. Het was een reactie op de linkse terreur die al jaren in toespraken, boeken en studies tot uiting kwam. We moesten de grenzen sluiten om deze terreur niet in ons land te importeren. We ontwierpen het Guyanaplan, dat aan de Joden een thuis moest bieden, waar ons land samen met Engeland en Frankrijk offers voor zou brengen. De drie Guyana’s konden onderdak aan de Joden bieden, ook daar gaan rivieren traag door het oneindige laagland. Zou het uitgevoerd zijn, waar altijd spottend over is gedaan, dan had dat vermoedelijk honderdduizenden eerlijke mensen het leven gered.
In de eerste dagen na de oorlogshandelingen — we hadden ondergedoken moeten zitten — preekten we verzoening en nationale eenheid en zulke dingen. De beweging bood geen plaats aan wrekers. Er was immers een toekomst mogelijk die nationaalsocialistisch zou zijn, zolang we maar wilden. Onze vooruitziende blik zou de mensen op kunnen tillen naar een stralende einder en een nieuwe bestemming. Alles sal reg kom.

We streefden naar een Groot-Nederland, en tel je Nederland bij Vlaanderen plus de Nederlandse koloniën en Congo erbij, dan heb je een wereldrijk. We hadden ons graag rechtstreeks tot het Nederlandse volk gericht, maar daar wilde de bezetter niets van weten, al toonde hij meer begrip voor onze plannen dan de democratische heren die huisden in hun villa’s in het lommerrijke Londen.
In de oostelijke kranten stond al dat een Oostenrijker als rijkscommissaris in onze Nederlandse gebieden was beland. We kenden een dame in ‘t Gooi die met de grote leider van Italië verwant was, en als Mussolini met Berlijn belde, kwam het goed voor Nederland. We spraken met een verslagen generaal uit ons bestand, hij had gevochten met de handen op zijn rug gebonden, en we vroegen hem te verklaren dat in de oorlogsdagen onze beweging géén plaats aan verraders geboden had. Hij weigerde. We lieten in het Nationale Dagblad optekenen dat de man geen enkel bewijs voor verraad had gezien.
Wij — de conservatieve, vrijheidslievende nationalisten — verleenden ons land een gunst door medewerking aan de Duitse militaire overheid te schenken, een overheid die ons beschermde tegen luchtaanvallen uit Engeland. Door scherpe randjes bij te vijlen, door mee te buigen, ons verstand te hanteren, zo kregen we dingen gedaan. We waren geen radicalen, geen fanaten, geen racisten; waardering van het volk op lange termijn was gegarandeerd. In De Telegraaf kregen we de handen op elkaar.
We bezochten het concentratiekamp Dachau, nabij München, onder leiding van de Reichsführer Himmler, in een stoet van zwarte Mercedessen. Het landschap was lieflijk, doch het weer guur. De gevangenen kregen vrijheid toebedacht, we zagen slaapzalen en keukens met voedsel van prima kwaliteit, er waren douches, een ontluizingsinrichting, een werkschuur.
Bij thuiskomst discussieerden we in Utrecht aan de Maliebaan met een staatsrechtgeleerde over het ontstane machtsvacuüm. Het vorstenhuis had met de vlucht eenvoudigweg opgehouden onderdeel van onze landsstructuur te zijn. Voorlopig nam de Raad van State het koninklijk gezag waar, die zou voortaan door leden van onze beweging moeten worden bestuurd. Er zou een nieuwe grondwet komen, waarin landsverdediging, volkshuishouding en buitenlandse betrekkingen in overeenstemming zouden worden gebracht met de belangen van de Germaanse buren, op basis van bloedsverbondenheid en gedeelde cultuur. Het paleis van Carnegie, het Vredespaleis, zou een nieuwe signatuur verkrijgen als thuis voor de Bond der Germaanse Volkeren. Mocht het uur U aanbreken, dan zouden we militair en economisch onaantastbaar zijn. Nooit meer oorlog binnen ons gebied, dat Noordzee en Oostzee als binnenzeeën had, we zouden Zuid-Afrika bevrijden van de Brits-Joodse dictatuur.
Er waren in die jaren andere unies, fronten, bewegingen en partijen, elk waren ze fel antisemitisch en pleitten ze voor volledige opname in het Germaanse rijk. Ze ontwierpen een cultuurpolitiek die dwingender was dan onze milde houding, met onze zangverenigingen, blaaskapellen, heemkunde en Hollandse lankmoedigheid. Onze positie was er een tussen twee vijandige kampen, tussen het volk dat we moesten leiden en het grote Germaanse broedervolk dat ons benijdde.
Men vroeg ons een brigade op te richten met de naam Westland, alsof we één land geworden zouden zijn, maar dat betekende niets minder dan inlijving. En de Joden dienden we nu definitief uit onze beweging te keilen. Wij op onze beurt eisten dat er geen represailles tegen onschuldige burgers zouden volgen, zelfs indien terroristen sommigen van ons en onze bondgenoten in de rug schoten. Ons verzet tegen het volledig opgaan onder een andere vlag was niet zonder levensgevaar. Er zijn kameraden uit de trein gevallen, er zijn makkers van een flat gesprongen. Ongelukken heetten dat te zijn, een zogenoemde tragische dood, waarover vervolgens iedereen er het zwijgen toe deed.
De Westland-divisie kwam er. Operatie Barbarossa was de grootste veldtocht aller tijden. De kameraden zwoeren trouw aan de Führer. Hún Houzee werd een Heil.
En toen werden we op onze oude dag nog één keer verliefd. Ze was de dochter van onze nicht, waar we logeerden als we in Den Haag moesten zijn. Toen we haar leerden kennen was ze nog een kind, nu was uit dat meisje een geraffineerde vrouw gegroeid. We waren achtenveertig, zij negentien. We kochten voor haar en haar moeder een villa in Bussum, waar onze bezoeken minder opvielen dan in die nette Haagse buurt van haar. Met onze vrouw bleven we altoos goede vrienden.
In 1943 keerde er iets. In Rusland kwamen we in het defensief, in Afrika werden we bijna verslagen, er was de invasie van de geallieerde machten in Italië. Er klonk nog strijdlust toen Goebbels de totale oorlog afkondigde, maar het Rijk was louter nog in kanonnenvoer en dwang­arbeiders geïnteresseerd. Had ze gefaald, onze vriendschapspolitiek?
Er waren, zeggen wij ten overvloede, drie mogelijkheden die zich aftekenden bij aanvang van de oorlog: 1. annexatie, waarbij ons land zou opgaan in de Germaanse natie; 2. uitbuiting, waarbij wij als wingewest een arbeidsarsenaal zouden aanbieden, ten gunste van dat rijk; en ten slotte 3. vriendschap, tussen ons en het Duitse volk, wat de beste kansen bood nu de wettelijk gekozen regering ons in de steek gelaten had.
In Berlijn uitte men veel waardering voor ons koloniale rijk, maar er stond ons daar geen militaire kracht terzijde, en wilde ons land die machtige Duitse natie als bondgenoot, dan zou het eerst de hand moeten reiken. Wij waren voor een statenbond, maar tegen inlijving. We zouden nu toch Westland gaan heten. We luisterden, een uur lang, wat de Führer ons allemaal te zeggen had. De Germaanse volkeren moesten samen lijden en in ons land, samen met Noorwegen, woonden de beste vertegenwoordigers van het Germaanse ras en Germaanse lijven. We bleven dromen van een zelfstandig rijk.

Op onze verjaardag, 11 mei, zou de vlag uit moeten, net als op 20 april. We wilden de beschikking krijgen over panden, landgoederen en bezittingen van het Koninklijk Huis. Aan de Führer legde ik het spreekwoord uit, dat stelt dat aan de wal de beste stuurlui staan. We moesten lachen, tranen met tuiten, ik en hij.
We hebben wanhoop gekend, toen ons volk elke voeding werd ontzegd, toen er hongersnood heerste in de grote steden van ons land. Er was terreur, er vonden razzia’s plaats. Zeker, wij aten goed, maar het eten smaakte ons niet langer. Het was moeilijk om nog met de Führer in contact te treden, hij zat in zijn bunker, omringd door al die aasvreters die hun eigen positie wilden sparen. Wij vochten samen tegen de communisten, die vanuit het oosten kwamen, terwijl we vanuit het westen op louter luchtbombardementen werden vergast.
Als een zwarte storm bereikten de troepen in september 1944 de zuidelijke grenzen. We dienden te handelen, er was geen tijd om maar wat voor ons uit te kletsen. We moesten naar het oosten evacueren. De Duitsers zetten extra treinen in. We documenteerden nauwkeurig onze pogingen het beste te doen voor ons vaderland en volk, met gevaar voor eigen leven; zij die er niet meer zijn kunnen daarvan getuigen.
Wij bleven, die ene dinsdag, en we lieten ons door Utrecht rondrijden, precies zoals we dat in het Amsterdamse Concertgebouw drie maanden eerder hadden beweerd: als de invasie komt, dragen wij het uniform van de Wehrmacht, dat is dan onze plicht als burger. Wij vreesden de dood niet, dat was altijd al onze kracht geweest.
De westelijke Rijnoever kwam in geallieerde handen, de Russen stonden voor Berlijn. We zagen in dat we nu onze rol te spelen hadden, die van opbouwer van het naoorlogse vaderland. Zoals de patriotten, die na hun samenwerking met de Franse bezetter terugkeerden naar de macht. We brachten een nieuw tijdschrift uit, het zou Strijd en Opbouw heten. We hadden altijd al ingezien dat er van een ander volk geen heil te verwachten viel. Van de Duitser niet, maar van de Britten en Amerikanen evenmin. We hebben ons altijd ingezet uit idealisme en gemeenschapszin, en beide zullen op termijn worden gewaardeerd.
We werden gearresteerd, alsof we gewone gevangenen waren moesten we ons uitkleden tot op het naakte lijf. Van Oldenbarnevelt, de broers De Witt, Hugo de Groot, zij allen betaalden de hoogste prijs. In onze cel legden we verantwoording af, we schreven met een stompje potlood de woorden die u nu leest. We zaten in Scheveningen, we bleven opgewekt, waren vriendelijk, men had respect voor ons, er ging van ons iets uit.
Wij werden beschuldigd van: 1. poging om het land onder vreemde heerschappij te brengen; 2. poging om de grondwettelijke regeringsvorm te veranderen; 3. hulpverlening aan de vijand. Onze verdediging voerden we zelf. Hadden we maar naar het pijpen van de Duitsers gedanst, dan waren we al in de herfst van 1940 verkozen tot het wettelijk gezag. De Führer droeg ons volk geen kwaad hart toe, hij had het beste met ons voor, maar ook hij werd systematisch tegengewerkt.
Ons vonnis stond bij voorbaat vast. De officier haalde onze reputatie als sobere en zuinige vaderlanders door het slijk. Wij waren vermogend geworden door ons met een drukkerij te verrijken, we kregen huizen in handen en handelden daarin, we scholden op de kapitalisten en betaalden onze medewerkers een gematigd loon, we ontvingen subsidies van onze machtige bondgenoot. Allemaal kleinzerige, jaloerse, liberale kwaadsprekerij.
Wij moesten boeten voor de lafheid, het wegkijken en de vlucht van de zogenaamd wettige regering. Onze vrienden van de Unie kregen vette overheidsbaantjes, een werd er zelfs minister-president, ofschoon de koningin nimmer in één ruimte met hem wenste te verkeren. We vroegen niet om gratie, want dat zou betekenen dat we schuld erkenden. Men wás bang voor onze beweging, men ís bang voor de stem van het volk. Ze hebben ons tot de dood veroordeeld, maar onze naam zal gezuiverd worden als eenmaal de schoten van het vuurpeloton weggestorven zullen zijn. ¶

Schatplichtig aan: Jan Meyers, Mussert. Een politiek leven, De Arbeiderspers, 1984. Tessel Pollmann, Mussert & Co. De NSB-leider en zijn vertrouwelingen, Boom, 2012.

Daniël Rovers (1975) is schrijver. In 2022 verscheen zijn roman Vergeten meesters. Hij doceert aan de opleiding Creatief Schrijven Nederlands van de Vrije Universiteit.

Meer van deze auteur