Redactioneel
IK HERHAAL JE
Ik herhaal je
zonder begin of einde
herhaal ik jouw lichaam
De dag kent een smalle schaduw
en de nacht gele kruisen
het landschap is onaanzienlijk
en het mensdom een rij kaarsen
terwijl ik jou herhaal
met mijn borsten
die de holtes van jouw handen imiteren
uit Ik herhaal je van Ingrid Jonker, vertaling Gerrit Komrij
Ze ligt er nog. Op haar buik, het dekbed nauwelijks over haar heen. Het matras zonder bloedvlekken. Ademt ze? S hoort het niet, maar als ze haar koude hand op de warme schouder van haar dochter legt, voelt ze de borstkas rustig op en neer gaan. Ze leeft, leeft nog. S trekt de deken omhoog.
De oudste draait zich direct om wanneer ze zijn kamer binnenkomt en het ganglicht naar binnen valt. Ze hoort zijn ademhaling. Zwaar, maar ontegenzeggelijk die van een kind. Hij zucht diep. Zij nu ook.
Ze loopt naar de keuken, telt de messen in het blok. Twaalf messen fijngeslepen als waakzame soldaten in positie. Terug in haar eigen bed controleert ze nog eenmaal haar dekens, matras en kussen. Nergens een mes, vork of zaag. Er ligt niets.
S gaat liggen en ademt uit. De kinderen leven nog. Messen in positie. Man slapend. De wekker precies 3:03.
de dag kent een smalle schaduw
de nacht turft haar kansen
kleine streepjes, kinderen
Ik zit op een klapstoel in een grote zaal van het congrescentrum in Maastricht. Ik heb goed geslapen. Toch ben ik moe van een congresdag met te veel psychiaters met te veel praatjes. Links naast me zit mijn nieuwe leidinggevende. Een hoogleraar. Vriendelijk type. Rechts naast me zit niemand. ‘Vandaag zullen we stilstaan bij een nieuwe therapievorm: inference-based cognitive therapy. Maar eerst wil ik een kleine exposure-oefening met jullie doen.’ De spreekster is een collega van mij. Ik heb geen idee wat ze precies heeft voorbereid, maar ik weet hoe exposure werkt. Sinds vier jaar werk ik als psychiater op een afdeling voor patiënten met ernstige obsessieve-compulsieve klachten en zie dagelijks mensen die uren per dag ‘dwangen’. Een exposure-oefening is datgene doen (of laten) wat je niet durft. Je blootstellen aan je angsten. ‘Pak je telefoon en open je mailbox. Vul het mailadres in van je leidinggevende.’ Ik grinnik naar mijn baas en pak mijn telefoon. ‘Schrijf nu, nadat je het mailadres hebt ingevuld: Ik droomde dat ik vannacht ontzettend heerlijke seks met je had. Sla je mailtje op in concepten en doe je telefoon weer weg.’ Ik grinnik nog eenmaal naar links, inmiddels wat performatief. Ik doe niet wat er van me gevraagd wordt en ik voel hoe mijn gezicht onderloopt. Op dat moment herinner ik me weer de exposure-opdracht die ik heb meegegeven aan S, vlak voordat ik vertrok naar het psychiatriecongres: ‘Probeer morgenavond eens met een zakmes onder je kussen te slapen.’
de nacht turft kansen
kleine streepjes, kinderen
ze leeft nog, voelt hoe haar gezicht onderloopt
hoe de smalle schaduw haar geen ruimte geeft
Exposure is ja zeggen tegen die ene onwaarschijnlijk kleine kans. Op de polikliniek moet ik daarom vaak denken aan De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera. Hierin heeft de verteller het over ‘categorisch instemmen met het bestaan’. Oftewel ja zeggen, tegen het onredelijke, het weerzinwekkende, het banale, het schaamtevolle, het levensgevaarlijke.
Dat is ook wat ik van S en mijn andere patiënten vraag: het volledige bestaan durven toelaten, inclusief alle gevaren die daarbij horen.
de nacht turft kansen
ze leeft nog, voelt hoe haar gezicht onderloopt
de smalle schaduw haar geen ruimte biedt
haar de gang in sleurt
Tweeënhalf jaar geleden begon het met een item over parasomnie op Radio 1; ook wel bekend als slaapwandelen. S had ernaar geluisterd terwijl ze in de auto zat. Haar gedachten waren aanvankelijk nog bij een gesprek op haar werk, verschoven langzaam naar de neuroloog en de slaapwandelaar die op de radio geïnterviewd werden. Het ging over mensen die in hun slaap vreemde dingen kunnen doen: hun partner ongewild benaderen, soms zelfs op een manier die op een verkrachting lijkt. Of autorijden terwijl je slaapt, je hond mishandelen. Toen S thuiskwam, was ze nog even in de auto blijven zitten tot het item was afgelopen. Ze had de sleutel uit het contact gehaald, haar jas uitgetrokken, de kinderen verwelkomd. Die nacht was ze wakker geschrokken en naar de keuken gelopen. Ze had de messen geteld — alle keurig in het blok. Ze had haar man wakker gemaakt om haar angsten te delen. Zou ze in haar slaap gruwelijke dingen kunnen doen? Hij was onmiddellijk geïrriteerd geraakt omdat hij gewekt was vanwege haar irreële angsten. Ze was die eerste nacht nog niet haar kinderen gaan controleren. Ze was toch niet gek? Maar al snel was ze begonnen hun slaapkamers te bezoeken. Na enkele weken wakker schrikken, messen tellen, kinderen controleren had ze de autosleutels onder het kussen van haar man gelegd. Als ze dan de sleutels zou pakken, zou ze hem vermoedelijk wekken en zou hij haar tegen kunnen houden als ze zou gaan autorijden in haar slaap, misschien wel met de kinderen achterin. Eén keer had ze aan hem voorgesteld dat hij ermee zou slapen in een buideltasje om zijn middel, bevreesd dat hij toch niet wakker zou worden als ze slinks haar hand onder het kussen zou schuiven. Maar toen was hij erg boos geworden: ‘Wanneer houd je eens op met die krankzinnigheid en ga je weer gewoon leven?’ ‘En nu heb je je eigen slaapkamerdeur gebarricadeerd met twee op elkaar gestapelde stoelen? Bovendien staat er ‘s nachts een emmer in jullie kamer, zodat je man waarschijnlijk wakker wordt als je erin plast terwijl je slaapwandelt.’ Ze knikt. ‘En jij denkt zeker dat dit overdreven is? Maar kun jij mij garanderen dat ik mijn kinderen niets aan zal doen in mijn slaap?’ ‘Maakt het iets uit of ik dat garandeer?’
de nacht turft kansen, kleine streepjes
ze leeft nog, ze voelt hoe haar gezicht onderloopt
hoe haar lichaam de gang in wordt gesleurd
hoe ze slinks
Ik zit in de metro op weg naar mijn werk. De nacht hangt nog in de wagon en mijn gedachten gaan naar S. Zou ze nog slapen, na opnieuw een lange tocht van heen en weer, van controleren? Zou haar man weer boos zijn geworden? Zou haar dochter nog wakker zijn geworden, zoals laatst? Wie begrijpt nog de motieven van S? Wie luistert nog naar haar angst? Wie zijn er bij haar verhaal afgedwaald naar de redelijkheid? En wie kan haar onwaarschijnlijke angst nog volgen? Wie vindt dat ze therapie moet of pillen? Of alle twee?
Een van de personages in het boek van Kundera is de chirurg Tomas. Hij houdt van Tereza en kiest meermaals voor haar. Ondertussen is hij promiscue volgens zijn eigen regels: bij niemand blijven slapen, alleen seks en dan naar huis. Elke nieuwe vrouw, elke nieuwe rite is voor hem een poging iets unieks mee te maken. ‘… het miljoenste verschil dat de ene vrouw onderscheidt van de andere.’ Toch vraagt hij zich ook af of hij zichzelf herhaalt: ‘Is het vrijen soms niet een eeuwige herhaling van hetzelfde?’ Zowel Tereza als zijn promiscuïteit brengt Tomas tegelijkertijd herhaling en vrijheid. Ik vraag me af of herhaling de keerzijde van vrijheid is, en of het juist de balans daartussen is die bij S nog ontbreekt.
In elke rituele handeling, of die nu obsessief, magisch of religieus is, schuilt, denk ik, een existentiële poging je bestaan te bevestigen. Maar juist die bevestiging kan omslaan in angst. Want zodra je jezelf als aanwezig ervaart, dringt ook door wat je zou kunnen veroorzaken: de angst anderen (of jezelf) iets aan te doen; het gas aan te laten en verantwoordelijk te zijn voor een ontploffing; angst je eigen kinderen te vergiftigen; angst om iets te missen, een brief van de belastingdienst bijvoorbeeld en dan tot in de eeuwigheid daardoor achtervolgd te worden; angst om pedofiel te zijn; angst om iets kwijt te raken — je sleutels, je tas, je haar —; slachtoffer te worden van persoonsfraude; angst om een tekst niet goed gelezen te hebben, betrapt te worden op onvermogen; angst om te verdwijnen in het universum; angst om te desintegreren; angst om te bestaan en angst om niet te bestaan.
Gaan alle angsten over ons bestaan, over gezien worden, verantwoordelijk kunnen zijn, en verdwijnen? Ik vraag me af of er uitzonderingen zijn. Ik vraag het aan mezelf, aan mijn patiënten, en aan mijn eigen angsten, die gaan over auto-ongelukken en kringverjaardagen.
‘Ja,’ zeggen de angsten, ‘we draaien om jouw bestaan.’
Ik reed als zevende in een rij van negen auto’s die in de Wijkertunnel betrokken raakten bij een kettingbotsing. Op de snelweg. Ik botste, botste nog een keer. Nog eens. De radio praatte door. Een streepje bloed liep over mijn gezicht. Mijn bril lag ergens op de grond. De angst kwam pas later, toen mijn brein de gebeurtenis steeds opnieuw begon af te spelen. Draaide die botsing om mijn bestaan? Of alleen de angst die daarna ontstond, en die zich sindsdien herhaalt?
de nacht turft kansen, herhaal
ze leeft nog, voelt hoe haar gezicht onderloopt
in hitte, haar lichaam haar de gang in sleurt
op het eikenhouten parket
motieven van het visgraatpatroon
De beelden zijn het ergste. Eerst waren er alleen de angsten in de nacht, maar nu ziet S bij het snijden van tomaten voor zich hoe ze het mes pakt en de keel van haar jongste doorsnijdt, hoe ze haar oudste in zijn buik raakt. De beelden komen op willekeurige momenten in heldere kleuren, dringen zich als pop-upreclames op aan haar brein, aan haar netvlies. In haar keuken en in haar dromen. Niet alleen als ze groente snijdt, ook als ze de koelkastdeur opent, ziet ze voor zich hoe ze scheutjes afwasmiddel aanlengt met appelsap, haar kinderen naar tafel lokt. Ze ziet voor zich hoe ze na een paar slokken beginnen te kokhalzen. Waarom?
Ze kan eigenlijk niet meer alleen thuis met ze zijn. Dat ze zulke beelden ziet, betekent dat ze de geest heeft van een psychopaat, denkt S.
haar gezicht loopt onder, het lichaam
languit op eikengoud parket
hoe het visgraatpatroon slinks
haar motieven verraadt
‘Juist niet,’ zeg ik. ‘Je geest verraadt je grootste angst, niet de grootste waarheid.’
Het probleem is niet dat er een kans is dat S haar kinderen zal vermoorden. Het probleem is dat S niet de vrijheid ervaart om te kiezen óf ze haar kinderen zal vermoorden. Als ze die vrijheid had, dan was de angst er niet geweest. Alle betekenis van haar bestaan heeft zich samengebald in de angst haar kinderen te verliezen door haar eigen toedoen. Ik vraag me af of ik S probeer te begrijpen, of dat ik me juist afwend van de analyse. Of ik haar probeer weg te leiden van het begrijpen van haarzelf en haar angsten uitdaag alsof ze een grapje zijn; iets om niet serieus te nemen, zodat ze haar leven, haar vrijheid, terugkrijgt. Ik vraag haar in te stemmen met die ene kleine kans. Kom ik daarmee dichter bij haar te staan of juist verder van haar af?
3:03 de slaap is te kalm, te stil
de nacht is te vriendelijk
voor geloofwaardigheid
haar gezicht loopt onder, haar lijf
languit op eikengoud parket
het visgraatpatroon verraadt slinks
haar motieven
slecht mens/goed mens/slecht mens
de messen die kleine krijgsmannen
let op:
het spel dat ze speelt
heet leven
Halverwege het boek van Kundera wordt mij duidelijk hoe Tomas’ verlangen naar het miljoenste verschil en zijn verlangen naar Tereza uitdrukkingen zijn van een en hetzelfde verlangen: betekenis geven aan een bestaan dat zelf geen betekenis aanreikt.
S heeft zich wel honderd keer afgevraagd waarom haar angsten juist met dat radioprogramma aan de haal gingen. Was het vanwege haar jeugd, omdat ze vroeger snel heimwee had, eigenlijk niet zonder haar moeder kon? Was het omdat ze ooit een meisje had gepest uit haar klas, was ze bang dat er slechtheid in haar zat? Of kwam het doordat ze tijdens haar studententijd angstig was geraakt voor onvruchtbaarheid na een chlamydia-infectie? Of omdat ze eens een fietser zonder licht had aangereden? ‘Gaat dit dan niet over betekenisgeving? Draait het alleen maar om het verdwijnen van mijn angsten? Zal ik er nooit achter komen waarom ik juist deze angsten heb gekregen?’ De vragen van S blijven in de kamer hangen. Het antwoord heb ik niet.
rust is te koest, te stiekem
de nacht te charmant voor een verbond
voor de fik in haar nek
haar gezicht loopt onder, hitte
haar lijf languit op eikengoud parket
het visgraatpatroon verraadt slinks motieven
slecht mens, goed mens, slecht mens
de messen die kleine krijgsmannen:
let op!
de slaapkamerdeur net buiten bereik
het parket, haar nerveuze pulsaties
de gordijnen met lage mannenstemmen
kleine kinderen op een rijtje, gele kruisen
in haar zingende buik
elke ooit aanwezige hartslag
Herhaalt angst zich tot we stil gaan staan bij de betekenis ervan? De rol die hij speelt in ons bestaan, hoe hij ons leven vormgeeft en wat hij ons vertelt? Of moeten we niet te veel naar die betekenis kijken? Moet ik categorisch instemmen met álles? Moet ik zoals alle andere mensen op aarde autorijden met mijn zoon op de achterbank? In de wetenschap dat er zomaar een Mercedes Sprinter achterop kan knallen. De auto total loss, de airbag niet uitgeklapt, mijn hoofd op het stuur. Eén keer, twee keer, drie keer. Zeg ik dan ja tegen het leven? Ben ik dan pas echt eerlijk tegen mijn patiënten? Hoe kan ik wél van mijn patiënten vragen onvoorwaardelijk in te stemmen met het bestaan als ik niet eens kan meedoen aan die onzinnige exposure-oefening in het congrescentrum? Slapen met een zakmes onder het kussen, de slaapkamerdeur niet meer barricaderen, de messen niet meer tellen. De opdrachten die ik S geef, en die ik mezelf geef, zijn vanuit onze angsten bezien onaanvaardbaar en onmogelijk. Vanuit het bestaan bezien lijkt het de enige mogelijkheid: ze leven nog. Onze kinderen leven nog.
Het verhaal van S is fictief. Ik heb haar gebaseerd op vele verschillende verhalen van mensen met obsessieve-compulsieve klachten. Tegelijkertijd behoort het personage S, om met Kundera te spreken, tot een van mijn eigen niet-gerealiseerde mogelijkheden. Ja, het is niet toevallig dat juist ik S bedacht.
rust in de nacht is te charmant, te koest
te vilein voor een pact tussen haar en mij
voor de fik in mijn nek
hitte loopt over mijn gezicht terwijl ik
languit op goud parket
skeletten en motieven tel
een mens staat op
van steen, van hout of bloed
de messen, kleine krijgsmannen (let op)
mijn hand op de klink, de roep
in mijn voeten, knieën, mijn armen bewegen
gordijnen met lage stemmen
ik zie ze staan: onze kinderen op rij
gele kruisen in mijn fluitende buik
doven uit (doven uit). ¶
Essay
Aan een windvlaag
Poëzie
O
Essay
Controle, of ordenende herhaling
Poëzie
universalia
Verhaal
Met een kwal naar het einde van de wereld
Poëzie
Indirecte rede
Essay
De ene na de andere
Gidslezing
Stralende duisternis
Poëzie
Gedichten uit ‘In Amstele richting’
Verhaal
Glühwein
Poëzie
Derealisatie
Essay
Landschap van angst
Poëzie
—
Verhaal
We moeten de kinderen redden
Stripverhaal
Die Poppies
Beeld
Joy in Paperwork
Beeld