Redactioneel
1.
Het is algemeen bekend dat voor God de tijd anders verloopt dan voor ons stervelingen. Voor God immers, gebeurt alles tegelijkertijd. Dus terwijl Marco van Basten in een kolkend Olympiastadion in München een mislukte voorzet omtovert tot een onmogelijk doelpunt, trouwt het beeldschone fotomodel Evelyn Nesbitt in Pittsburgh met de man die haar verkrachtte, wordt Adolf van Nassau bij Göllheim afgeslacht met een klootdolk, hoort zuster Bertken in haar kluis in de Utrechtse Buurkerk het requiem voor de doden, overhandigt Julius Civilis ergens in de Betuwe zijn zwaard aan Quintus Petillius Cerialis, leggen zowel Anselmus (in Bec) als C.S. Lewis (in Cambridge) dit alles nog eens geduldig uit aan hun studenten, en zo gaat het maar door, ad infinitum, zonder dat er ook maar één seconde verglijdt.
Dit verklaart waarom wij stervelingen, ondanks dat God precies weet wat wij morgen, overmorgen en volgend jaar zullen uitspoken, toch beschikken over een vrije wil. De vrije wil immers, is onderdeel van onze lineaire tijd, terwijl Gods alwetendheid zich beweegt op dat andere niveau, dat van de gelijktijdigheid.
Het verklaart ook hoe het in godsnaam mogelijk is dat God, terwijl ze aan het begin der tijden zit te zwoegen op het verhaal van de tweeling Jakob en Esau, een twintigste-eeuwse paperback tussen haar papieren vindt, namelijk het essay Aanvallend spel, waarin Thomas Rosenboom zijn theorie van het strevende personage uiteenzet.
2.
Dat God van alles voorkennis heeft, lijkt me volkomen strijdig en onverenigbaar met het bestaan van ook maar enige vorm van vrije wil. Want als God in de toekomst ziet, en zich daarbij op geen enkele manier kan vergissen, dan is de onvermijdelijke conclusie dat datgene waarvan de voorzienigheid voorziet dat het zal gebeuren, noodzakelijk moet gebeuren. Daarom zal er, als hij van eeuwigheid af niet alleen voorkennis heeft van wat mensen doen, maar ook van wat ze zich voornemen en wat ze willen, geen sprake zijn van enige wilsvrijheid.
Boëthius, De consolatione philosphiae, ca. 524 A.D.
3.
God kriebelt Lucifer, die aan een stengel bleekselderij ligt te knabbelen, zachtjes tussen de oren. Eigenlijk was ze van plan Jakob net iets eerder geboren te laten worden dan zijn tweelingbroer Esau, maar het essay van Rosenboom heeft haar aan het denken gezet. Is een leven waarin Jakob na Esau wordt geboren dramaturgisch niet veel interessanter? Jakob blijft de uitverkorene, maar de enigen die dat weten zijn Jakob en zijn moeder. Alle anderen gaan ervan uit dat Esau alle rechten heeft. Zo zadel je Jakob op met een streven, een obsessie. Al tijdens zijn geboorte klampt hij zich vast aan de hiel van zijn broer die hem achteloos van zich af trapt en als eerste het levenslicht aanschouwt.
‘Beter!’ vindt God. Maar ze is er nog niet. Uiteindelijk moet Jakob het voor elkaar krijgen Esau het eerstgeboorterecht te ontfutselen, anders gaat het verhaal uit als een nachtkaars. Maar hoe moet Jakob dat aanpakken? Esau is sterk, koppig, vastberaden — en Jakob is een moederskindje.
God leunt achterover, verzonken in gepeins.
‘Linzensoep!’ buldert ze en meteen geselen slagregens de ramen. Lucifer maakt zich schielijk uit de voeten.
4.
Of is het zo dat er van uw eeuwigheid niets voorbijgaat, zodat het er niet meer is, en zal niets toekomstig zijn, alsof het er nog niet is? Daarom was u niet gisteren, noch zult u morgen zijn, maar bent u gisteren, vandaag en morgen.
Inderdaad, u bestaat niet gisteren, noch vandaag of morgen. U bent simpelweg, buiten alle tijd. Want gisteren, vandaag en morgen, dat is allemaal in de tijd. Maar u, ook al is niets zonder u, u bent noch op een plek, noch in een tijd, maar alles is in u. Niets omvat u, maar u omvat alles.
Anselmus, Proslogion, ca. 1078 A.D.
5.
Als God, nippend van een glas bloedrode Château Cheval Blanc, het geschrevene nog eens terugleest, realiseert ze zich hoe ongeloofwaardig het verhaal van Jakob is geworden. Want, zal de lezer denken, hoe is het in godsnaam mogelijk dat God er niet in slaagt haar lieveling, haar uitverkorene als eerste uit de baarmoeder te laten kruipen? Nog zoiets: Jakobs karakter. In eerdere versies was hij nog een huiselijke lieverd, en nu draait hij niet alleen zijn broer, maar ook zijn vader een loer, en de manier waarop hij de kleine Rachel bespringt, daar bij die waterput…
En dat moet de naamgever worden van het volk Israëls?
God gaat op zoek naar Lucifer en vindt hem in de serre, druk bezig een holletje te knagen in het Babylonische tapijt. ‘Wat vind jij?’ vraagt God en neemt het warme, driftig ademende lijfje in haar armen. Lucifer knabbelt tevreden aan Gods vinger, alsof hij wil zeggen: ‘Denk je nu echt dat die stervelingen jouw bedoelingen doorzien?’
God zijgt neer in haar rotan pauwenstoel en bladert door haar papieren. Lucifer nestelt zich zachtjes zoemend in haar schoot. De vitrages deinen, het zonlicht maakt gouden plassen op de ingelegde houten vloer. Job, nog zo’n braverik. Lucifer beweegt onrustig, zijn nagels schrapen Gods dijen, zijn oren liggen plat in zijn nek. Goud als water, een lieve vrouw en brave kindertjes. Waarom zou hij mij niet loven? God pakt haar pen en krast, streept, schrijft.
Als God haar papieren neerlegt, ziet ze dat Lucifer naar haar opkijkt, zijn kraaloogjes glanzen zacht, als rijpe aubergines.
6.
Anders dan Newton en Schopenhauer geloofde uw voorvader niet in een eenvormige, absolute tijd. Hij geloofde in oneindige tijdreeksen, in een groeiend, duizelingwekkend net van uiteenlopende, bijeenkomende en parallelle tijden. Dit netwerk van tijden die elkaar naderen, zich splitsen, elkaar snijden of elkaar eeuwenlang onbekend zijn, omvat alle mogelijkheden. In het merendeel van die tijden bestaan wij niet; in sommige bestaat u, en ik niet; in andere ik, niet u; in andere wij beiden.
Jorge Luis Borges, El jardín de senderos que se bifurcan, 1941 A.D.
7.
God ziet alles, tot in het kleinste detail, en dat verklaart waarom het vinden van de deur haar zoveel moeite kost.
Je kunt je ogen sluiten.
Alleen de kleuren al. Miljarden tinten wit.
Voel hoe je zit of ligt. Merk op waar je lichaam contact maakt met de stoel, het matje, of de grond.
Stervelingen, althans de meeste, zijn uitgerust met een mentale zeef die de stortvloed aan details tegenhoudt, zodat ze zich kunnen concentreren op wat ze belangrijk achten. Sneeuw. Parkeerplaats. Kantoortje.
Voel hoe je in- en uitademt. Voel hoe je buik op en neer gaat bij het ademen.
Wat ze missen zijn de splinters, de schilfers, de haartjes, de schubben, de melanine, de keratine, het krijsen van een varken in een gloeiend heet bad.
Neem even de tijd om je bewust te worden van je gedachten. Merk op welke gedachten er bij je opkomen.
God steekt haar hand uit.
Voor haar een wriemelende vlek waarin het ruist, pompt, rommelt.
‘Als we het alledaagse menselijke leven scherp zouden kunnen zien en voelen,’ schreef George Eliot, ‘zou het zijn alsof we het gras hoorden groeien en het hart van de eekhoorn kloppen, en moesten we sterven aan het gebulder aan gene zijde van de stilte.’
Waarmee George (zeg maar Mary) eigenlijk wilde zeggen: zonder mensenogen is God blind.
Mag ik even in je reïncarneren? fluisterde God lang geleden in het oor van Berta Jacobs, maar veel tijd om van het uitzicht te genieten kreeg ze niet, voor ze het wist was ze ingekluist, en keek ze uit op de bekazuifelde kont van de priester, die zich uitleefde op het requiem voor Bertken, de levende dode.
Het kan ook zijn dat je op dit moment geen gedachten hebt, ook dat is goed.
Voel hoe de vlek in- en uitademt. Merk op waar zijn lichaam contact maakt met de toonbank, de grond.
Zie hoe hij vlug twee copulerende vrouwen wegklikt.
‘Is er iets mis?’ grauwt hij.
‘De achteruit,’ antwoordt de jongeman aan de andere kant van de toonbank. ‘Misschien een tikkie onnozel, maar ik weet niet hoe…’ Hij haalt diep adem, recht zijn rug. ‘Hoe krijg je dat ding in z’n achteruit?’
De man achter de toonbank — brede schouders, bolle buik, kop als een walnoot — vertrekt geen spier terwijl hij de jongeman uitlegt wat er moet gebeuren, maar in zijn stem resoneert al de schaterlach die over een paar minuten, als de jongeman weer achter het stuur is gekropen, vrij baan zal krijgen.
‘Leedvermaak,’ zegt God.
‘Pardon?’ zegt de jongeman.
Hij hoort me, denkt God. Iemand hoort me.
8.
Die jongeman was ik.
9.
Denk aan de zee. Stel je voor dat op een zomerse namiddag iets mysterieus naar het oppervlak stijgt — zich even laat zien en weer is verdwenen, voordat het kan worden thuisgebracht. De mensen aan het strand zitten onder hun parasols, lui en loom. De helft slaapt. Van de andere helft hebben misschien twee of drie het ding gezien. Geen van hen wijst; geen van hen schreeuwt.Geen van hen heeft het lef. Zij kunnen zich tenslotte vergist hebben. Tegen het einde van de middag herinnert men zich het ding — wat het ook was — nauwelijks nog.
Timothy Findley, Famous Last Words, 1981 A.D.
10.
Mijn vader had al een tijdje moeite met slikken. Omdat hij het niet zo had op doktoren, stelde hij zelf de diagnose: het klepje op zijn maag sloot niet goed, een familiekwaal, zijn moeder had het ook gehad, háár moeder ook, niks om je zorgen over te maken, een pijnlijke, maar ongevaarlijke ingreep, kan best wachten tot na de vakantie.
De huisarts, die hij eind mei, twee maanden nadat hij, na terugkeer van de jaarlijkse overwintering in Spanje, toch maar met een bezoek vereerde, verwees hem subiet door naar een specialist, maar nog steeds maakte niemand zich zorgen. Vader stamde uit een ijzersterk geslacht, zijn voorouders haalden moeiteloos de tachtig. Tegen die tijd waren de meesten wel zo dement als een deur, maar moeite met slikken, stelden we onszelf gerust, is geen symptoom van dementie.
Opa bijvoorbeeld. Telkens als we, begin jaren tachtig, de recreatiezaal binnen wandelden van het verpleegtehuis waar opa en oma na veel vijven en zessen (en een ternauwernood voorkomen ramp: melk op het vuur, vlammetje uitgewaaid, gelukkig stond de keukendeur open) naartoe waren verhuisd, kwam grootvader met uitgestoken hand op ons af gelopen. ‘Ik ben de directeur van het hele zaakje hier,’ zei hij met een beminnelijke glimlach en maakte een gebaar dat met gemak het gehele gebouw omvatte.
11.
Ik geloof niet, zei Austerlitz, dat wij de wetten begrijpen waaronder de terugkeer van het verleden zich voltrekt, maar ik heb steeds meer het gevoel dat er helemaal geen tijd bestaat, alleen maar verschillende ruimten die volgens een hogere vorm van stereometrie met elkaar verbonden zijn en waartussen de levenden en de doden naar believen heen en weer kunnen gaan, en hoe langer ik erover nadenk, des te meer komt het mij voor dat wij die nog leven in de ogen van de doden irreële wezens zijn die slechts af en toe, in een bepaald licht en onder bepaalde atmosferische omstandigheden, zichtbaar worden. W.G. Sebald,
Austerlitz, 2001 A.D.
12.
God moet nog wennen aan dit lineaire leven en wat het doet met je herinneringen. Zo was er lang of kort geleden een jongeman die begon met het maken van excuses. Dat hij zo lang niks van zich had laten horen. Dat het er verdacht veel van weg had dat hij zich alleen tot haar wendde in tijden van crisis. Ook verontschuldigde hij zich omstandig voor zijn levensgrote twijfels aan haar bestaan.
Toen dat ten langen leste was afgehandeld, begon het echte gebed, maar de jongeman raakte al snel hopeloos verstrikt in zijn redeneringen, hij bleef bijvoorbeeld hangen bij het woord ‘alwetend’ (Trouwens, wist U dat mijn vader… ach, natuurlijk wist U dat, U bent tenslotte alwetend!), want, redeneerde de jongeman, het hangt er natuurlijk maar helemaal van af hoe je alwetendheid definieert. Heeft God al die kennis onmiddellijk paraat, weet God dus al bij voorbaat wat je gaat vertellen, of is Gods brein een soort zoekmachine waarvan het functioneren staat of valt bij de woorden die je aanreikt?
Ach jongen toch, dacht God.
Het was juni, het was nacht, de ramen stonden open. God was een jongeman die keek naar de ranke jonge vrouw die naast hem lag, het witte laken deinde op haar kalme ademhaling. Overspoeld sloop God naar beneden, de tuin in, om het huis heen, de straat uit, rechtsaf langs de huizen met de geloken gordijnen, de ringweg over naar het glooiende, loofrijke park, de oude eiken en beuken, de vijver, het landhuis waar God ooit….
Wat is het hier veranderd, dacht God, verguld met hoe lineair deze gedachte was.
Daar was hij weer, de jongeman, in haar linkeroor, pijnlijk beleefd informeerde hij of God mogelijkerwijs een onopvallend wondertje kon verrichten. Volledige genezing was misschien te veel gevraagd, dat zou allerlei ongewenste aandacht opleveren, dat begreep de jongeman ook wel, maar uitstel was toch wel mogelijk? Voorbeelden te over van mensen die al jaren geleden waren opgegeven en toch monter doorleefden, geen mens die naar aanleiding van zo’n verhaal dacht: dat is het werk van God en als God dergelijke wondere werken verricht voor een ander, waarom dan niet voor mij en mijn familie, ben ik soms te min? Zal ik anders een tijdje Boeddha gaan vereren, of Vishnu?
God grinnikte.
De jongeman hield zich groot, dat voelde God wel, hij had nog geen ervaring met problemen die onoplosbaar waren; als je maar lang genoeg piekerde, peinsde en probeerde, redeneerde hij (want verwend was de jongeman niet), dan was er altijd wel een uitweg.
God wilde iets zeggen, maar ze wist wel beter.
13.
‘Is het mogelijk dat iets wat ik zo duidelijk ervaar, iets zo elementairs en existentieels — de richting van de tijd — afhangt van het feit dat ik de wereld niet tot in de allerkleinste details kan waarnemen? Een soort verblinding door bijziendheid? Als ik de dans van de miljarden moleculen zou kunnen zien voor wat die is, zou de toekomst dan werkelijk ‘net zo’ zijn als het verleden? Zou ik dan net zo veel (of weinig) af kunnen weten van het verleden als van de toekomst?’
Carlo Rovelli, L’ Ordine del tempo, 2018 A.D.
14.
God was haast vergeten hoe heerlijk het is, de hoog opgetaste stapels herinneringen, het zwelgen in nostalgie, spijt, weemoed en dan — hoepla! — terug in het weldadig overzichtelijke nu.
God is een oude man die lekker naar buiten zit te kijken. Sneeuwhopen langs de weg, ijzel op de linker baan, Louis A., raspend: O, give me your lips for just a moment.
God is een oude vrouw die haar hoofd stootte toen ze in het busje klom en daar een voorteken in zag.
God is een oude man die met een welgemikte brom een einde maakt aan haar lamentatie.
God is een oude vrouw die het gelukkig nog niet kan bevatten.
God is een oude man die gewend is dat hij het is die rijdt.
God is een jongeman die zijn favoriete ‘Loom Ritje’ heeft aangepast aan de muzieksmaak van de oude man. PJ Harvey en The Gorillaz zijn gesneuveld, Fats Domino en Ella Fitzgerald vielen in. Gebleven zijn Ramses Shaffy, Billie Holiday, Laïs, en — nou, vooruit — David Bowie.
God is een jonge vrouw die meezingt: Dus Grietje denk dan ook aan mij, beschouw u reeds als bruid. Ga nooit met knapen wie ‘t ook zijn, ga nooit met anderen uit.
God is een oude man in een wegrestaurant bij Nunspeet, tevreden slurpend van zijn koffie.
God is eerst de ene, dan de andere kantoorman bij de ingang, hun gesprek valt stil, ze staren ongegeneerd.
God is een jongeman die zijn blik aanspant. Klopt, snauwt die blik, mijn vader is geel. Nou en? Als jij niet heel snel kapt met staren, schop ik je de ballen in je keel.
God is een jonge vrouw die opgaat in de wind, de lucht, de wolken. Toen ze als kind met haar ouders door Safaripark Beekse Bergen reed, had ze geen aandacht voor de leeuwen, de giraffen en de zebra’s, maar wees verzaligd naar dat wat zich vlak voor haar neus bevond.
‘Zweefvlieg.’
God is een jongeman die zich afvraagt of zijn geliefde vreest dat hij te veel van haar houdt.
God is een jonge vrouw die, nee God is een oude vrouw die, nee God is de jonge vrouw die de oude vrouw ooit was, dun als Twiggy, ze verwachtte een jochie, jaar of achttien hooguit, maar achter het stuur zat een man, het gitzwarte haar zorgvuldig achterovergekamd, glanzend van de brillantine.
God is een jongeman die zich een voetbalwedstrijd herinnert. ‘Ik schop je de ballen in je keel,’ schreeuwde Ron, de rechtsbuiten, na de zoveelste trap op zijn enkels.
God is een oude man die lekker naar buiten zit te kijken.
God is een oude, nee God is de jonge vrouw die de oude vrouw ooit was, in minirok zoeft ze door het Noordbrabants Museum, ze wiebelt op haar hoge hakken, komt met haar priemende schooljuffenwijsvinger te dicht bij De bekoring van de Heilige Antonius, een suppoost schiet toe, streng als een aartsvader, en dan gebeurt er iets geks, het jochie dat een man bleek schaamt zich niet, zoals eerdere aanbidders (o, die keer dat ze, voor ‘t oog van tout Paris, van de trappen van de Opéra kukelde), maar schaterlacht. Hij stelt de suppoost gerust, ontwapent hem met een gebbetje, en proest het uit als hij met daverende ernst is weggebeend.
God is een jongeman die antwoordt dat hij het niet zeker weet, maar dat hij wel denkt dat het busje winterbanden heeft.
God is een jonge, nee een oude vrouw die zich — nauwelijks gerustgesteld — wendt tot de vriendin van haar zoon en zegt dat ze eigenlijk Grietje heet. ‘Maar zo heette mijn oma ook, en aan haar had ik een hekel.’
God is een jongeman die vraagt om kauwgom.
God is een oude man die lekker naar buiten zit te kijken.
God is een jonge vrouw die van haar ouders geen snoep mocht en al helemaal geen kauwgom, dus pulkte ze stukjes van de stoeptegels, soms met de fietsbandensporen er nog in, en savoureerde de restjes smaak en textuur.
God is een oude man wiens gedachten met een schok tot stilstand komen. ¶
Vertaling citaten:
Boëthius, De consolatione philosphiae / De vertroosting van de filosofie, vertaling: Bob Brouwer
Anselmus, Proslogion, vertaling: auteur
Jorge Luis Borges, El jardín de senderos que se bifurcan / De tuin met zich splitsende paden, vertaling: Barber van de Pol
George Eliot, Middlemarch, vertaling: Annelies Roeleveld en Margret Stevens
Timothy Findley, Famous Last Words / De laatste onvergankelijke woorden, vertaling: Piet Verhagen
W.G. Sebald, Austerlitz, vertaling: Ria van Hengel
Carlo Rovelli, L’ordine del tempo / Het mysterie van de tijd, vertaling: Yond Boeke en Patty Krone

Collage door Jim Klok
Essay
Edel Dier
Poëzie
Binnenwaarts vindt de Staat zijn Koers
Essay
De Franse cefaloforen
Poëzie
Baarmoedertjes wraak
Beeld
Lichaamsdelen
Verhaal
Terminal
Verhaal
Clausule 4.3
Poëzie
heb je nog getwijfeld over belgië sinds er leven is op
Essay
Hoe 30 miljoen mensen uit Nederlands-Indië in 1893 staatloos gemaakt werden. Wie was de aanstichter?
Verhaal
Luchtig
Poëzie
titellozen
Poëzie
—
Verhaal
Niemand wil hier echt zijn
Essay
Radicaal pessimisme: de pornografische verbeelding van Kathy Acker
Verhaal
Bodemhart
Verhaal
1819
Surinaamse dagen