Het is schemerig, al donker bijna. Pam is net binnen. Ze kijkt naar de lichtjes, in de heg. En naar de vrouwen, in een halve cirkel, rond de tafel. Het terrasje is klein, de heg een dikke deken, om de vrouwen heen. Er hangen lichtjes, in de heg, dat heeft de gastvrouw gedaan. Laatste zomerdag, zegt ze, buiten borrelen, traditie, met lichtjes, in de heg. Kleine glaasjes, lampjes erin. Je klikt ze gewoon aan en uit, zegt de gastvrouw. Leuk gedaan, zegt Pam, en ze geeft bloemen, in een colaflesje. Dat hoefde niet, zegt de gastvrouw, en dat ze blij is dat Pam er is. Pam ook, zegt ze, en ze ademt. Niet vergeten te ademen, denkt ze. Dat het moet stromen, zei de haptonoom, twee kanten op, in en uit, niet alleen alles eruit. En of ze wist wat een lemniscaat was, vroeg de haptonoom. Dat wist Pam.
Op de tafel staan kaarsen, plankjes, met hapjes, en een taart. Mooie taart, zegt Pam. Limoncellotaart, zegt een vrouw in de halve cirkel. Of zij die gebakken heeft, vraagt Pam en dat is zo. Dat hij zalig is, zegt de gastvrouw. Pam wijst, naar twee gekruiste takjes, op de taart. Lavendel? Lavendel, inderdaad. Leuk gedaan, vindt Pam, en mooi. Ze schudden handen, zeggen hun namen. Dat ze graag proeft, van de taart, zegt Pam. De vrouw van de taart lacht, pakt het mes, snijdt. Pam ademt, naar haar buik, voelt haar voeten, de terrasstenen, ziet de twee lussen, aan elkaar, even groot. Ze groet de anderen, vrouwen, een halve cirkel, onbekenden, in de schemer. Namen, denkt ze. Geven en nemen, heen en weer, door de lussen, had de haptonoom gezegd. Ze geeft haar naam, neemt die van hen niet op.
Een lege stoel, naast de vrouw van de taart. Niet bezet, zegt deze, en ze lacht. Pam ook. Dan de taart, een bordje, een vorkje. Pam proeft. Lekker, zegt ze. Niet te zuur? Nee, niet te zuur. Ze kauwt, slikt, ademt, naar haar buik, duwt haar billen in de zitting, een voor een. Ze trekt haar schouders op, zet het bordje op de tafel, trekt haar vest dicht, wrijft in haar handen, pakt het bordje, prikt met het vorkje. Een van de vrouwen kijkt, en glimlacht. Al kou in de lucht, zegt ze. Pam neemt nog een hapje, knikt, maakt een geluid. Morgen is het herfst, zegt een andere vrouw. Officieel, meteorologisch. Ook maar een datum, menen alle vrouwen. Nog een hapje. Pam kauwt, denkt aan proeven. De gastvrouw zit niet, alle andere vrouwen wel. Een groepje vrouwen, in een tuintje, gewoon een borrel. Gewoon gezellig, denkt Pam. Moet lukken, gewoon. Luchtig, zei de haptonoom. Niet alles geven, niet tot op je blootje.
De vrouw van de taart vraagt iets, Pam antwoordt. Geven en nemen, denkt ze, converseren. Koetjes, kalfjes, personalia. Dan bevindingen, een uitwisseling, half persoonlijk, het verkeer. Associaties, nieuwe bevindingen, persoonlijker, boetes. Niet te veel, denkt Pam, kleine dingen, geen schade. Voelen moet ze, niet vergeten. Ze voelt haar mondhoeken, stembanden, de lucht, haar buik, haar billen, op de zitting. Gewoon, gemoedelijk, denkt Pam, een borrel, laatste zomerdag, bij een gastvrouw. Traditie. Mensen aan een tafel, hapjes. Woorden, taal, kleuren, temperatuur. Lekkere taart.
Pam heeft nog kleren aan. Haar taart is nog niet op. Omdat ze converseert. Ze zegt het, nog een keer: lekkere taart, echt, ze meent het. Proef, denkt ze. Voel. 
Ze denkt aan proeven en voelen, ziet de lemniscaat, hoort het piepen van de stift, op het whiteboard, van de haptonoom. De liggende acht, in groene inkt. Klik, deed het dopje van de stift. Ontvangen, opsouperen, zei de haptonoom. Dan pas weer iets geven, niet te veel. Niet te veel, had Pam herhaald, niet alles delen. Inderdaad, niet in je blootje, zei de haptonoom, omdat Pam moe werd, en beschaamd, van borrels, met mensen, en vrouwen. Ze eindigt steeds in haar blootje, omdat ze gaat strippen, als ze niet oppast. Verbaal, zei ze, tegen de haptonoom. Met woorden, te veel vertellen, uitkleden, figuurlijk dus, zei ze, niet letterlijk bloot. Dat snapte de haptonoom. Pam moest klein beginnen. Oppervlakkig. Gewoon, een paar knoopjes, luchtig. Blijven ademen. En voelen, eerst laten stromen, beide kanten op, heen en weer, geven en nemen, gelijke lussen, samen een acht.

Kleren aanhouden, denkt Pam, en ze ademt. In, naar haar buik, bol. Ze voelt, met haar hand. Uit, haar hand zakt, ze rilt. De kou knaagt, aan haar tenen. Stromen moet het, bloed, door haar tenen. De vrouw van de taart geeft, dingen, luchtig. Verkiezingen, Amerika, televisie, gedoe. Pam neemt. Namen, beelden, de hele boel. Ze knikt, zonder lucht. Iets teruggeven, denkt ze, iets kleins, oppervlakkig, een knoopje. De wereld? Te groot, ze slikt. Mensen. Ze slikt het in, de wereld, de mensen, het gedoe. Lucht moet ze, haar lus in. Fatbikes, tieners, ook zoiets, zegt de vrouw van de taart. Zoiets, denkt Pam, ook zoiets teruggeven. Niet te snel, eerst een hapje, lekkere taart. Ze kauwt, proeft, hoort het piepen, van de stift, van de haptonoom. Groene letters, op het whiteboard, woorden, uitleg. Geven, nemen, stromen, door de lemniscaat. Klik, deed het dopje, van de stift. Of ze het snapte, had de haptonoom gevraagd. Duidelijk, had Pam gezegd.
Pam voelt, ademt niet, denkt ze. Waar is de lucht heen? Iets geven, denkt ze. Doe maar, dan komt de lucht wel weer. Iets kleins, drank, ook zoiets, zegt ze. En tieners. Lucht naar binnen, door haar neus, de acht in. De vrouw van de taart geeft iets terug, een mening, over tieners, en drank. Tieners, hebben ze, allebei, gemene deler. Drank, veel, op straat, geen kroeg, sociale armoe. Sociale media, ook zoiets. Ze beamen, allebei, gedeelde mening, over gemene delers. Samen twee lussen, een lemniscaat. Goed zo, denkt Pam, kleren nog aan. Iets drinken, zegt de gastvrouw, vergeten, niet aangeboden, stom. Niet stom, vindt Pam. Wel, zegt de gastvrouw, en ze geeft, een glas. Pam neemt, en dankt, voor het glas. Iets erin, zegt de gastvrouw. Wijn. Ze geeft wijn, Pam neemt, een slok. Gezellig, zegt de gastvrouw, dat ze er zijn. Laatste zomeravond.
Een nieuwe vrouwenstem, achter de heg. Dat ze er is, roept deze. De gastvrouw roept terug. Pam ademt, in, haar borst, vol lucht. Ze houdt vast, even, laat zich leeglopen, langzaam, voelt de kou, knagend, aan de botjes, in haar voeten. De nieuwe vrouw, ze moet gaan zitten, zegt de gastvrouw, op de stoel, daar, naast Pam. Pam beaamt, staat op, schudt de hand, van de nieuwe vrouw, zegt haar naam, neemt de andere niet op. De vrouw van de taart, dezelfde handeling. Pam glimlacht, gaat weer zitten, wiebelt, haar tenen. Iets geven, denkt ze, aan de nieuwe, nu, iets kleins, luchtig, niet diep. Ze voelt, een rilling. Kilte, zegt ze, in de lucht. De nieuwe vrouw rilt niet, de vrouw van de taart wel. Kil, inderdaad, bijna herfst, zegt deze. Gemoedelijk, denkt Pam. Keuvelen. Gewoon, gezellig, met vrouwen. Links de taart, rechts de nieuwe. Pam in het midden, koude tenen, ze rilt weer, en lacht. Links lacht ook. Rechts kijkt alleen. Grote ogen, en witte tanden.
Dekens, roept de gastvrouw. Ze komt eraan, met dekens. Nemen, denkt Pam. De halve cirkel neemt, pakt dekens, uit de armen, van de gastvrouw. Pam is dankbaar, en verrast, over zoveel dekens, zegt ze. Veel borrels, zegt de gastvrouw, buiten, zomeravonden, heel vaak. Heel leuk, zegt Pam. Laatste zomeravond. Ze voelt de deken, het gewicht, op haar benen. De witte tanden praten. Koetjes, kalfjes, personalia. Waar ze is, denkt Pam, waar in de lussen. Waar ze kruisen, misschien daar, waar geen ruimte zit, de kruising, tussen geven en nemen. Ze voelt, met haar billen, of ze daar zit, in het midden, tussen taart en witte tanden. Ze hijst, de deken, tot haar oksels, stevig, een cocon. Knus, denkt ze, gewoon gezellig, luchtig.
De gastvrouw helpt, met converseren. Dat ze iemand kennen, zegt ze, tegen Pam, en de witte tanden. Iemand gemeen, hebben ze, zegt de gastvrouw. Ze geeft de naam, van de gemeenschappelijke. Pam ademt, de witte tanden kijken. Pam kijkt ook, en bevestigt. Gemeenschappelijk, inderdaad. Ze lacht, denkt aan luchtig, kleine dingen, knoopjes. Een vriendin, vragen de witte tanden, de gemeenschappelijke iemand, of het een vriendin is, van Pam. Lastig, denkt Pam, en dat zegt ze. Ze hoort het, dat ze lastig zegt. Niet luchtig. Gezellig, zegt de gastvrouw, gezellig dat ze er zijn. Ze geeft wijn, aan de witte tanden. En aan de rest van de halve cirkel, vrouwen die nemen. Glaasjes, bodempjes, drupjes, luchtig. Pam ademt, naar haar buik, tegen de deken, onder haar hand, de bolling.

Of het een vriendin is, de gemeenschappelijke, vragen de witte tanden, weer. Luchtige borrel, denkt Pam, kleren aanhouden. Ze duwt, in haar buik, denkt, ademt niet, lacht, zonder lucht. De witte tanden lachen niet, ze wachten, luchtig, op antwoord. Antwoord, denkt Pam. Wat een vriendin is, vraagt ze, hardop, hoort zichzelf, weer. Niet luchtig, denkt ze. Haar mond niet, die denkt niet, die geeft, weer, meer. Huid, en haar. Woorden, twijfels, gedachten, alles. Hardop. Zware zinnen, over vriendschap. Naakte twijfels, vragen stelt ze, persoonlijke, aan zichzelf. Vroeger, toen, anders, zegt Pam, over vriendschap. Vroeger luchtig. Nu niet, niet meer, geen poesiealbums. Nee, geen poesie-albums, zegt de taart. Ze helpt Pam. Nee, zegt Pam, ze lacht, naar de taart, denkt aan de lemniscaat. Meer wil ze, van de taart, meer hulp. De taart blijft stil, de acht staat stil. De lussen, touwen, om haar lijf, borstkas, bovenbenen. Steeds strakker. Haar kleren, steeds minder. Haar huid, steeds bloter. De witte tanden, steeds witter. Help, denkt Pam, help me dan.
Voelen, moet ze, voelen waar ze is, denkt ze. Ze denkt, aan haar billen, op de stoel, aan de deken, om haar buik, aan haar tenen, die niets voelen. Stromen, denkt Pam, geven en nemen. Waar was ze? Bij de gemeenschappelijke, iemand, vriendin, of kennis. Anders nu, dan vroeger, vriendschap, zegt Pam. Praktischer. Geven en nemen, uit de brand, in het krijt, gemeenschap. Gemeenschappelijke dingen, met de gemeenschappelijke, iemand. Logistiek, kinderfeestjes, sportclubjes, halen, brengen, koffie, wijn. Soms. Soms vaak. Veel soms, ook. Gezellig. Gewoon, herkenning, erkenning. Wat is kennen? Kennis? Of vriendin? Moeilijke woorden, zegt ze. Stop, denkt ze, en ze stopt. Ademen, denkt ze, en ze ademt. Antwoorden, denkt ze, en ze antwoordt. Nee, zegt ze, geen vriendin. Dat het lastig is, taal, zegt ze. Woorden voor dingen, die we zeggen, die niet echt zijn, wat we zeggen, of voelen, of alleen zeggen, niet voelen. Of voelen en niet zeggen. Stop, denkt ze. Nu echt stoppen.
Weg lemniscaat, denkt Pam. De stift, het whiteboard, de haptonoom, in rook opgegaan. Ze kijkt naar rechts. De witte tanden zeggen niets, nemen een slok, wijn. Dan links, de taart, pakt een mes, snijdt taart, voor wie wil, zegt ze, tegen niemand, en iedereen, dat er nog taart is voor wie wil. Pam heeft nog. En ze is bloot. Dat ze weer wakker zal liggen, denkt ze, en zo geen vrienden maakt. Omdat ze gek is. Knettergek. Of niet gek, maar gewoon, anders. Wat is gewoon? Taal, allemaal taal, denkt ze, en neemt een hap, van haar taart. Ze kijkt, naar de heg, de lichtjes, in de potjes. En ze kauwt, op de taart. Ze proeft, en slikt. Lekkere taart, zegt Pam. Lekker luchtig. ¶

Jacomijn van Olst (1981) was ooit advocaat, schoolde zich om tot yogadocent en voltooide een master religiewetenschappen. Ze verdiepte zich hoofdzakelijk in seculier boeddhisme en stak daarvan op dat ze nog minder weet dan ze al dacht. Veel van wat ze schrijft, zowel in essays als verhalen, gaat daarover: het niet-weten.

Meer van deze auteur