Met behulp van wat veiligheidsspelden had ik de plastic stengels klimop met donkergroene blaadjes om mijn T-shirt en broek gewikkeld en vastgezet. Daarna had ik een met helium gevulde ballon met een touwtje aan mijn stuur geknoopt en was ik op weg gegaan. Uit gewoonte keek ik vanaf de straat omhoog naar ons balkon, maar jij was natuurlijk al weg.
Op weg naar het water leek er een wave van geluid door de stad te gaan. Mensen met draagbare boxjes, cafés die hun installaties naar buiten hadden gesleept, mensen die met open balkondeuren het volume open hadden gezet en op hun balkon stonden te dansen. Het voelde alsof ik werd voortgetrokken door de muziek. Op de kade, in een chaotisch gebeuren dat een rij moest voorstellen, stuurde ik de anderen een bericht, of ze er al waren, waar ze waren. Ik dacht erover jou een bericht te sturen, maar deed het niet. Op de pont kwam er een sigaret tegen mijn ballon aan. Het touwtje liet ik aan mijn stuur hangen.
Thuis had ik een paar minuten door het huis geslenterd voordat ik vertrok. Ik had, leunend tegen de deurpost van de woonkamer, naar buiten gekeken, naar de eksters die zoals elk jaar hun nest aan het bouwen waren in de boom aan de overkant van de straat. Ik was op zoek naar een bepaald beeld, al was ik niet van plan om niet meer terug te komen, of zoiets. Soms wilde ik gewoon goed in mijn hoofd hebben waar ik naartoe terug zou keren. Al wist ik natuurlijk nooit wat jij met de kamers zou doen in de tussentijd, als je eerder terug was dan ik. Zoals de lage oranje ribstoel met een draaipoot die op een middag recht voor de bank op het vloerkleed stond. Ik kon me voorstellen dat de stoel lekker zat, al stond hij op een onhandige plek.
Niemand had gereageerd op mijn bericht, wat kon betekenen dat ze al aan het feesten waren of dat ze onderweg waren. Het kon veel meer betekenen, maar dit waren de twee opties waarmee ik uit de voeten kon.
Nadat ik in de rij had gestaan om het terrein op te mogen ging ik in de rij staan om muntjes te kopen. Ik probeerde op de muziek te focussen zodat ik het geluid van mensen niet zou horen. Eigenlijk wilde ik graag alleen zijn, dacht ik.
Een tijdje slenterde ik over het terrein, dronk een biertje, zocht mijn vorm. Het was warm, ik haalde nog een biertje en op goed geluk liep ik de witte tent in die het dichtst in mijn buurt was. Het was het hoofdpodium, stond op het blokkenschema dat aan elke paal en elke foodtruck hing. Het was druk, nu al. Ik ging een paar keer op mijn tenen staan om te kijken of ik iemand zag die ik kende, maar dat was niet zo. Niemand lette op me, dus ik hoefde ook niet zo op mezelf te letten. Mijn bovenlijf pakte de melodie, mijn hoofd en handen de beat. Mijn benen en voeten zochten nog naar het juiste tempo, deden voorzichtige stappen opzij en weer terug. En zo liep ik zijwaarts slalommend, mens voor mens, naar het midden van de tent.
De melodie nam een afslag, even stokte mijn lichaam, maar het hervond snel het tempo van het nieuwe ritme. De beat volgde. Er werd iets opgebouwd, ik voelde het, iedereen voelde het. Ik voelde dat iedereen het voelde. Wij voelden het, samen. Ik dronk mijn glas leeg, liet het tussen mijn voeten vallen en schopte het een eindje vooruit. Waar was iedereen? Ik had geen zin om mijn telefoon te pakken. Ik leunde op de synthesizer, ogen dicht, armen langzaam omhoog, handen met gespreide vingers in de lucht. De bass en de drums kwamen meer op de voorgrond en ik sprong in de lucht. Harder, hoger, sneller.
Het zweet liep van mijn oksels langs mijn ribben, en van mijn voorhoofd langs mijn slapen. Ik proefde het zout wanneer ik met mijn tong over mijn bovenlip ging. Ik lachte omdat ik iedereen om me heen zag lachen, en omdat ik opluchting voelde. Iets begon van me af te vallen.
Ik liep achter iemand met een badmuts met daaraan slierten crêpepapier (‘Ik ben een kwal’) naar het eind van de wereld. Althans, dat stond in het Engels op een spandoek dat tussen twee hoge palen was gespannen en waar ik onderdoor liep. Er was een wenteltrap die ons een ruimte in leidde die op een bunker of een schuilkelder leek.
Beneden, in de bunker was het donker en benauwd. De ruimte was veel kleiner dan ik had gedacht, en de DJ-booth nam de helft van het oppervlak in. Er stonden ongeveer twintig mensen te dansen. De kwal manoeuvreerde met een rustige vanzelfsprekendheid tussen iedereen door en ik volgde, hangend in de muziek. Ik voelde de grond boven mijn hoofd trillen. De muziek hier klonk harder en meer onversneden. Het volume, het tempo, het gebrek aan een melodielijn. Met het oplopende aantal beats per minuut moest mijn lichaam harder werken en leek mijn hoofd op slot te gaan. Het was niet zo dat ik mijn gedachten of mijn zorgen uit mijn hersens voelde glijden of iets dergelijks, zulke dingen hoor je weleens, maar nee, zo was het niet. Ik ging op de een of andere manier op slot en het voelde alsof ik alleen nog maar kon bewegen en dat als ik deze snelheid niet bij kon houden, het hele gebeuren soort van verloren zou zijn.
Jij zat vaak in de oranje stoel met een koptelefoon op naar muziek te luisteren. Om mij niet te storen, zei je. Soms liet je je hoofd achteroverhangen tegen de leuning van de stoel en sloot je je ogen en bleef je zo een halfuur zitten. Een keer zag ik dat je huilde. Ik durfde je niet te vragen waar je op dat moment naar luisterde. Je wilde nooit mee naar concerten of festivals, omdat je het luisteren niet met anderen wilde delen, zei je. Dat hoeft toch niet, zei ik, en ik vertelde dat ik bij een goed concert soms het gevoel kreeg dat de muziek speciaal voor mij gespeeld werd, en hoe tof dat gevoel was. Maar dat vond jij kinderachtig, omdat het zo evident niet waar was. Omdat jezelf voor de gek houden niet bij jou paste, zei je.
Vanmorgen zwaaide ik je uit, je ging met een vriend een lange wandeling maken, ergens in het oosten van het land. Toen de auto de straat uit gereden was, keek ik een tijdje naar de eksters in de boom, nog altijd druk bezig, de boom in en uit vliegend met takjes en stukken plastic.
We hadden gisteravond een lang gesprek gehad over de toekomst. Eerst ging het nog over onze toekomst, daarna hoorde ik je steeds vaker ‘mijn’ zeggen. Jouw ideeën, jouw wensen, en toen ik je af en toe in een bijzin hoorde terugblikken op de afgelopen jaren wist ik hoe laat het was. Je zei dat je ging wandelen, vandaag, even je hoofd leegmaken, en ik stuurde de anderen een bericht, of dat kaartje nog steeds beschikbaar was.
Nu ik aan jouw woorden terugdacht suisden ze rond in hetzelfde straffe tempo als de muziek. Ze kregen een ritme mee dat ze eerder niet hadden, waardoor hun betekenis verdween, dat was prettig. Ik wil mijn hoofd weer terug op slot, dat was toch waarom ik mee was gegaan? Nou ja, mee… Waar was iedereen? Ik pakte mijn telefoon maar hier onder de grond had ik geen bereik, tussen betonnen muren die eruitzagen alsof ze tientallen centimeters dik waren.
‘Ik ben het niet,’ had je gezegd. ‘Ik ben niet degene die telkens verdwijnt. Dat ben jij.’
Ja, wat kan ik zeggen? Alles gaat maar door, alleen hier op deze plek net wat minder zichtbaar, wat meer verholen. Of niet verholen, gewoon niet zichtbaar. Zoiets.
Je laten vallen is moeilijker dan je denkt. Was het mijn lichaam of waren het mijn gedachten die zoveel weerstand boden? Ik was moe. Ik dacht dat het fijn was om even te gaan zitten, of liggen desnoods, maar het was hier zo krap en de weg naar boven leek onbegaanbaar. Niet omdat de trap werd geblokkeerd of zo, maar omdat het voelde alsof ik dat nu even niet voor elkaar zou krijgen. Zitten dus, ergens aan de rand. Nergens een stoel of bierkrat of wat voor verhoging dan ook te bekennen. Dan zo maar.
Het was eerlijk gezegd geen echte val, het was meer struikelend de grond opzoeken. Ik had een danser eens horen zeggen dat zodra de grond onder je voeten wordt weggeslagen, zich een wonderlijke wereld voor je opent.
Op handen en knieën bleef ik zitten, mijn hoofd voorovergebogen tussen mijn armen. Een van de veiligheidsspelden was losgeraakt en de klimop hing op de grond. Naast mijn vingers zag ik wat kleine glasscherven liggen. Thuis brak ik nooit iets. Niet omdat ik bijzonder voorzichtig was, het gebeurde gewoon niet. Jij wel, jij liet af en toe een bord vallen of stootte een glas tegen de kraan.
Op de neus van de schoen schuin voor me zat een vlek. De kleur was lastig te zien want het enige licht hier kwam van lampen met kleurfilters, maar ik gokte dat het ketchup of currysaus was. Alles om me heen bewoog maar deze schoen niet. Ik stak mijn hand uit en streek met mijn vinger over de vlek. Het wonderlijke zat ‘m vooral in het perspectief, geloof ik. Echt heel anders was het allemaal niet, behalve mijn manier van kijken. Maar misschien is dat het wat die danser bedoelde. De schoen bewoog weer, gevaarlijk dicht bij mijn gezicht. Ik stak mijn hand uit om mezelf te beschermen. Het was tijd om op te staan, vond ik, en iemand anders vond dat blijkbaar ook want er werd een hand op mijn rug gelegd. Misschien zei iemand iets tegen me, dat kon ik niet horen. Ik keek omhoog. Het was de kwal. Hij stak zijn hand naar me uit en ik liet me overeind trekken.
‘Ben je gevallen?’ vroeg hij. Hij hield zijn mond dicht bij mijn oor, ik kon zijn adem voelen, ik kreeg er de kriebels van in mijn nek.
‘Nee. Ik ben niet gevallen.’
‘Heb je ergens pijn?’
‘Nee.’
De badmuts was een beetje naar de achterkant van zijn hoofd geschoven, aan de voorkant piepten plukjes grijs haar onder het rubber uit. Hij keek lodderig, maar hij had me wel overeind getrokken.
‘Dank je wel,’ zei ik.
De kwal stak een vuist naar voren waar ik even overheen aaide. Hij ging weer op in het gewoel en ik was er wel klaar mee hier.
Ik verliet het eind van de wereld en ik snapte denk ik wat ze bedoelden want ik steeg letterlijk vanuit het donker op naar het licht. De helling van het droogdok stond vol mensen, de meesten dansend, met een glas in hun hand. Het licht was fel en ik had dorst. De verschillende muziek uit de verschillende tenten leek hier samen te komen, in elkaar gevlochten als een weird nieuw genre (of zo). Zoek zelf je ankerpunt en ga los.
Ik keek op mijn telefoon. Iemand had een bericht gestuurd: Waar ben jij?
Ik zat met een biertje op een oud stuk rails. Een paar meter verderop stond een blauwe tram. Er hing vitrage voor de ramen en uit het dak stak een smalle kachelpijp. De zon hing hoog boven de stad.
Waarschijnlijk liep jij nu ergens in een bos, in de schaduw van de bomen. Of aan de oever van een ven. Misschien keken we op dit moment allebei naar het water, maar waar bij mij bij elke langsvarende boot de golven in een ander ritme voorbijkabbelden, was het water bij jou waarschijnlijk eerder een spiegel vol schaatsenrijders.
Op het hoogste punt van het droogdok had ik een goed uitzicht en, dacht ik, overzicht. Om en om stak ik een arm naar voren, op het ritme waar ik op gefocust was. Uit mijn polsen vlogen draden, gekleurd als laserstralen, en ik verbond me met alles wat binnen mijn bereik lag. De klimop zat me in de weg, ik trok de stengels los en legde ze naast me op de grond.
Iets in mij kwam tot rust, haalde diep adem en mijn armen ontspanden. Lijnen werden golven, wat strak was, raakte losser. Het voelde alsof ik bij elke golf die mijn lichaam verliet meer zichtbaar werd. Verdwijnen, liefste, is nodig om weer tevoorschijn te kunnen komen.
Ik keek op mijn telefoon. Iemand had een bericht gestuurd: Het einde lijkt in zicht. Ik antwoordde: Ja. ¶

Renée van Marissing (1979) studeerde af als dramaschrijver aan de HKU. Ze schreef theaterteksten en hoorspelen, en voor verschillende literaire tijdschriften korte verhalen en essays. Met haar roman Onze kinderen haalde ze de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2022.

Meer van deze auteur