Het verhaal begon met een jongen. Eerst was het een jongen die uit het raam hing en een sigaret rookte. Daarna was het een jongen die aanbelde om te vragen of het goed met me ging. Een jongen die dj was. Een jongen met een naam die niet bij hem paste.
Niet veel later nam ik de trein naar Antwerpen-Centraal. Ik probeerde te lezen, maar de trein leek net een kindergarten: iedereen was aan het hoesten of schreeuwen. Omdat ik me niet kon concentreren keek ik uit het raam en probeerde op een juist spoor te komen voor het verhaal dat ik wilde schrijven. Ik dacht aan de jongens die ik kende en probeerde daaruit één jongen naar voren te laten stappen. De jongen. Hij bleef ongezien.
Ik probeerde namen. Ik dacht aan Jonas. Er hangt een foto van een jongen met die naam in mijn woonkamer, hij leunt in zijn blote kont op zijn handen tegen een kade in Amsterdam. Omdat ik aan de kont van Jonas dacht kwam ik niet veel verder. Naast me belde een vrouw met een man die ze probeerde over te halen een theatervoorstelling te boeken. Voor me belde een vrouw die zeker tien keer in de telefoon riep: What’s your name? Dat sms’te ik aan mijn vriendin Ellen, die ondertussen van haar huis in Antwerpen naar het station liep om mij af te halen. Ik hoefde niet afgehaald te worden, maar zij vond dat we geen tijd te verliezen hadden. Ze stuurde me een bericht terug waarin stond dat ik een verhaal moest schrijven over een vrouw die blijft schreeuwen: What’s your name? Ik typte haha ja, terwijl ik nee dacht, nee bedoelde. Niemand zou begrijpen waarom de vrouw door de telefoon riep, waar ze naar op zoek was. Ik begreep het zelf ook niet. Pas toen ik het opschreef snapte ik dat ik het zelf was. En dat niemand zou geloven dat die vrouw in de trein bestond.

De geluidsman wilde de geluidset vast omhangen. Dat gaf hem minder stress. Ik zei dat ik er onlangs achter was gekomen dat ik geen oorlellen heb, dat het op die manier wellicht lastig was de oortjes bij mij om te hangen. De geluidsman knikte vriendelijk, maar leek verder niet onder 
de indruk. Hij installeerde het apparaat, plakte het microfoontje vast, vroeg me wat voor te lezen. Omdat ik net een mailtje had ontvangen van de Partij voor de Dieren over Tata Steel, las ik dat hardop voor in de verder lege zaal. Ik denk dat de geluidsman het een boeiende mail vond, want hij onderbrak me niet, stak aan het einde zijn duim op en liet me gaan. Met geluid en al at ik in de foyer van de bibliotheek in Antwerpen aan een statafel een broodje zoete bataat met feta. Ze hadden me uitgenodigd om aan voornamelijk studenten met schrijfambities iets te komen vertellen over het schrijfproces. Aan de statafel stonden mensen van wie ik het gezicht herkende, maar tijdelijk de naam was vergeten. Toen mijn vriendin Ellen en ik tussendoor naar de wc liepen, zei ze: Degene die jij structureel Sven blijft noemen heet Steven, schat. We roddelden over Steven en alles wat er aan de statafel gezegd was, tot ik besefte dat het geluid aanstond. Om het goed te maken zeiden we daarna alleen nog maar aardige dingen.
Vanuit een rood kuipstoeltje probeerde ik naar de gezichten in de zaal te kijken. Helaas was het erg donker. Ik vertelde het publiek over mijn geworstel met de jongen. Ik zei dat ik al vier keer opnieuw begonnen was met mijn verhaal. Dat ik nadacht. Soms ontstond er ‘s nachts terwijl ik op mijn rug naast mijn vriendin lag iets van een begin. Maar dat begin was nooit vrij, de weg lag niet open, het zat vast midden in een kluwen die eerst ontward moest worden. Ik haatte mijn eigen beeldspraak, ging er desondanks toch nog even over door.
Het was verstandig om de jongen los te laten, niemand zou er wat van merken. Maar hij bleef iets van mij willen. Of ik van hem, daar ben ik nog niet uit.
Ik zei dat je kunt voelen of iets waar is. En terwijl ik dat zei wist ik niet of dat waar was.
Misschien was het probleem juist dat ik te goed wist wat ik wilde. Ik had nagedacht over identiteit. Over kaders. Over namen. Over subject en object. Roland Barthes erbij gepakt. Ik had nagedacht over inwisselbaarheid. Over angst. De blik van de ander. Schaamte. Annie Ernaux erbij gepakt. En ook hoe ik me altijd een jongen van zeventien had gevoeld, maar die jongen was weg. Ik ben nu gewoon een vrouw van drieënveertig, die elke dag een stuk langs het kanaal loopt en daarbij steeds dezelfde gezichten ziet. Ogen die ook mij zien, mij registreren, vergeten, een verhaal bedenken bij wie ik ben. Dat doe ik zelf ook. Ik zie de anderen lopen en geloof dat ze moeten revalideren van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel. Tijdens het wandelen bedacht ik dat ik moest googelen hoe gezond rode bessen zijn. Wat de temperatuur is in een gevangenis. Of je ook een burn-out kan krijgen van je persoonlijkheid. En of de ziekte van Hashimoto erfelijk is.
Het verhaal waaraan ik was begonnen te schrijven ging over een vriend van mij. Het moest niet te ingewikkeld worden. De vriend is eigenlijk een broer van een vriendin, maar dat maakt niets uit. Het is het best gelukte gezin dat ik ken. Als je onder best gelukt verstaat dat alle leden van het gezin een universitaire opleiding hebben genoten, een koophuis hebben, veel geld doneren aan goede doelen, een hoge functie bij een maatschappelijk relevante organisatie bekleden, een muziekinstrument bespelen, veel weten van beeldende kunst en ook van de Bijbel, tijd overhebben voor vrijwilligerswerk en ook om te sporten. Mensen waar andere mensen van op aan kunnen. Ouders van wie de kinderen op aan kunnen. En zeker kinderen van wie de ouders op aan kunnen. Die vriend van mij is weleens moe van alles waar hij goed in is. Als je eenmaal goed in iets bent moet je goed in iets blijven. En daarom gebruikt hij drugs. Allerlei drugs. Zelfs nu ik het navertel klinkt het een tik saai. Al kun je een zekere spanning in het verhaal laten sluipen. Het zit zo: die jongen was na een festivalweekend zijn drugs vergeten uit zijn backpack te halen. De vader van de jongen ging op wandelvakantie naar Tanzania. Hij leende de tas van zijn zoon. Bij de douane werd die keurige man gepakt met een zak drugs. En wie zou geloven dat hij niet degene was die had geprobeerd drugs te smokkelen? Wiens lichaam was het dan?

Mij was, voor dit verhaal, duidelijk gevraagd om fictie. Dat is ook een relevante vraag aan een schrijver. Dus ik maakte een begin, begon opnieuw, plakte dat aan elkaar vast. Omdat ik Ingeborg Bachmann las was ik beïnvloed door haar stijl. Tegen de studenten in Antwerpen had ik gezegd dat je niemand kunt nadoen.
Je kunt niemand nadoen, zei ik, je kunt wel een poging wagen maar je eigen stem komt altijd bovendrijven. Het enige wat je moet leren is om die stem haar gang te laten gaan.
Tegen beter weten in begon ik mijn verhaal, dat ik de titel ‘Aftershave’ gaf, zo:

Beck was met hele andere dingen bezig die dag. Hij liep in zijn badjas door het huis, voelde zich niet somber maar ook niet vrolijk genoeg om in bed te blijven liggen. Hij had net als elke ochtend een plaat opgezet, muziek die hem wat zou kunnen afleiden van zijn gedachten. Als je hem zou vragen: Waar denk je dan aan? zou hij het niet eens weten. Dat was nu juist het hele ding. Het denken was dominant; hij dacht de hele dag door, maar iets enerverends zat er niet tussen, laat staan iets baanbrekends. De muziek vulde de kamer en, zo was de bedoeling: ook zijn hoofd. Beethoven, Beck hield van Beethoven.

Het verhaal telde uiteindelijk iets meer dan tweeduizend woorden. Het stukje waarin Beck de drugs meeneemt gaat zo:

Eerst moest Beck zelf nog op vakantie. Hij ging met een paar vrienden naar de Ardennen om te wandelen, vuur te stoken en drugs te gebruiken. Ze hadden allemaal een drukke baan, de sleur en de verveling sloegen weleens toe. De vakanties waren een uitweg. Ze lagen dan op een rij op hun rug in het gras en probeerden drugs uit, waardoor ze eindeloos lachten of goede gesprekken konden voeren. Ze keken naar de boomtoppen vol bladeren en vonden alles mooi. Het was handig om op een snelle manier te kunnen ontsnappen aan het dagelijks leven. Zo hoefden ze niet erg lang op vakantie om per saldo toch een goede tijd te hebben gehad. Iedereen nam allerlei drugs mee zoals ze vroeger snoep mee hadden genomen op schoolreisjes. Beck had gehoopt dat zijn vriendin ook mee zou gaan, het zou hen wat dichter bij elkaar kunnen brengen. Hij kreeg de laatste tijd geen hoogte van haar, maar zoals Beck al verwacht had bleef zijn vriendin thuis omdat ze tijdens de zomer door moest werken. De zomers zijn belangrijk, zei ze. De vriendin van Beck hield trouwens überhaupt niet van vakantie. Ze vond het te heet. Ze had geen zin in kinderen. Beck zei dat het niet overal heet was en ook dat je kinderen wel kon vermijden. We zitten midden in de natuur, zei hij. Je hoort alleen de stemmen van je vrienden. In het slechtste geval hoor je het geluid van de wind. Daar geloofde de vriendin van Beck niets van. Kortom, zij wist zeker wat ze al die tijd al zeker wist: zij bleef thuis.
Beck had het goed gehad met zijn vrienden. Ze hadden zich één met elkaar gevoeld, één met de omgeving en het kon ze niets schelen dat ze daarbij een handje geholpen waren door synthetische middelen. Beck had zich veilig gevoeld, veel aan zijn moeder gedacht, zelfs een gesprek met haar gevoerd, waar hij overigens tegen niemand iets over zei. Hij had een leuke tijd gehad, maar voor Beck kon het leuker. Zijn vriendin had een paar dagen amper iets van zich laten horen. Hij voelde zich naar eigen zeggen onnodig alleen. Toen hij thuiskwam zei hij dat hij haar gemist had. Hij zei dat hij het jammer vond dat ze niet erg veel tegen hem had gezegd. Wat had ik moeten zeggen? vroeg ze.
Dat vond Beck een rare opmerking. Wat zeggen mensen tegen elkaar? Wat zeggen geliefden tegen elkaar?
Gewoon, hoe je dag eruitzag, zei Beck.
Maar als je bij me bent vraag je ook nooit hoe mijn dag eruitzag, zei zijn vriendin.
Dat was niet waar, dacht Beck. Al kon het waar zijn geworden. Hij kon zich niet meer precies herinneren wanneer hij zijn vriendin voor het laatst gevraagd had hoe haar dag eruitzag.
Je was toch op vakantie, zei zijn vriendin. Wat moet je dan met thuis?
Ik ben blij dat ik er weer ben, zei Beck dus maar. Ik miste jou.

Mijn bloedeigen vriendin kwam na mijn werkdag, hier thuis aan de eettafel, op de achtergrond Reinbert de Leeuw, op de voorgrond een kunstwerk van mijn nichtje, terug van haar werk. Ik vroeg of ze mijn verhaal wilde horen. Is het eindelijk af? vroeg ze. We namen naast elkaar plaats op de bank. Het is wel wat lang, zei ik. Lees maar, zei zij. Ik las voor. Toen ik daarmee klaar was zei ze: Ja. Ja? vroeg ik. Dat ze een beetje afgeleid was, zei ze. En dat het aan haar dag lag. Aan haar lag. Ik wist dat het niet aan haar lag. Zij wist dat zelf eigenlijk ook, want ze zei: Om eerlijk te zijn is het wat slordig. Ik snap niet goed waarom dit specifieke verhaal er moet zijn. De toon, de stijl, het ritme. Beck? voegde ze daar vragend aan toe. En de vader is dus gepakt met zijn drugs? Ik zei ja en dat ik daar zelf altijd bang voor was. Ik had een boek gelezen over een man die in Thailand was opgepakt omdat iemand drugs in zijn koffer had gestopt. Hij schreef een verslag vanuit de gevangenis. De gevangenen werden aangevreten door kakkerlakken en als straf werd er soms iemand in een bamboe bal gestopt waar de olifanten dan mee mochten voetballen. Ik zei dat ik dat verhaal had gelezen op een strand in Thailand en dat ik absoluut niet geloofde dat hij onschuldig was, ook al had hij geprobeerd zich vrij te schrijven. Ik zei ook dat ik een verhaal wilde schrijven over schuld en onschuld. Dat ik zelf weleens een banaan had moeten inleveren bij de douane. Dat ik zei: Het is gewoon een banaan. Dat die man streng tegen me gezegd had dat iedereen kan zeggen dat een banaan een banaan is en dat zoiets helemaal niets betekent. Ze hadden de banaan opengesneden. Ik wist wel dat ze niets anders zouden vinden dan een banaan, maar was toch gaan zweten. Dat vonden ze zo verdacht dat vervolgens mijn hele koffer werd onderzocht. Ook had ik een keer een cadeautje meegenomen naar Curaçao, van iemand die ik niet goed kende voor iemand die ik niet goed kende. Opnieuw werd ik eruit gepikt bij de douane. Wat zit hierin? werd er gevraagd. Ik zei dat ik het niet wist. Dat was reden genoeg voor de douanebeambte om tegen mij te gaan schreeuwen. Hij sneed het cadeau open met een mes. Er zat een mok in van Winnie de Poeh. Ik zie de mok nog zo voor me; hoe Winnie de Poeh mij in zekere zin gered heeft van jarenlange opsluiting. In mijn verhaal liep het overigens niet goed af met de vader van de vriend. In werkelijkheid belde de vriend zijn vader net op tijd op, hij was al onderweg naar Schiphol. Je moet even wat uit het zijvakje van mijn rugtas halen, zei hij. Er was alsnog gezeik van gekomen, zij het overzichtelijk.

Twee dagen voor de deadline las ik mijn verhaal nog eens door op spelfouten. Wat een crap, dacht ik. En toen dacht ik: crap hoort erbij. Ik dacht zelfs: wat moeten we zonder crap? Op dat moment werd ik gebeld door een anonieme beller. Omdat ik de telefoon nooit opneem drukte ik de beller weg. Er werd opnieuw gebeld. Je verzint het niet. Ik heb het niet verzonnen. Er werd zeven keer achter elkaar gebeld, daar sprak zoveel urgentie uit dat ik toch opnam. Aan de lijn hing iemand van de districtsrecherche. Ze zei dat ik niet moest schrikken. Helaas was ze met die geruststelling al te laat. Ze vroeg met wie ze sprak. Ik noemde mijn naam. Ze vroeg of ik mijn naam kon herhalen. Dat deed ik. Dus jij bent niet […] zei ze. Nee, zei ik. En je kent ook niemand die […] heet? Nee, zei ik. Dit nummer is niet van hem? Ik herhaalde dat ik niemand kende met die naam, diegene niet was en ook niet in het bezit was van een onrechtmatig verkregen telefoon. Uit pure zenuwen voegde ik eraan toe dat degene die ze zocht wellicht een verkeerd nummer had opgegeven, dat ik dat ook altijd doe, in verband met data en AI en zo. Dat je nooit weet, zei ik. Oké, zei de vrouw, die gelukkig niet vroeg wat je dan niet weet. Dan zoek ik verder, zei ze. Waarna ze ophing. Wie was dat? vroeg mijn vriendin, die met een half oor had meegeluisterd. En hoe het kon dat ik per ongeluk gebeld werd door de recherche, of ik de laatste tijd soms vreemde dingen had ingevoerd op Google. Hoe gezond rode besjes zijn, zei ik. En terwijl ik dat zei voelde ik godzijdank mijn eigen stem weer komen bovendrijven. ¶

Maartje Wortel is schrijver. Ze woont en werkt in Amsterdam. Haar debuut werd bekroond met de Anton Wachterprijs. Ook ontving zij de BNG Bank Literatuurprijs voor haar oeuvre. Haar laatste boekje heet De groef. Daarin beschrijft ze haar wandelingen door het Oosterpark met vriendin Niña Weijers

Meer van deze auteur