Redactioneel
Vandaag kan ik niks. Ik kan niet lezen, niet nadenken, nog niet eens een film kijken. Ik weet niet wat ik moet doen, hoe ik moet leven, wie ik moet liefhebben, ik ga ten onder aan de veelheid die ik in mijn armen wil klemmen, die mijn hersenen willen vatten — en voeden. Zal ik ooit (nog) origineel zijn? Die vraag spookt door mijn hoofd terwijl ook de zelfkastijding omwille van zo’n cliché niet ophoudt. Ik zet geen stap vooruit of ik denk dat het de verkeerde was. Ik heb onlangs gedacht dat wat mij lamlegt een soort ‘micro-ethiek’ genoemd moet worden. Ik weet nog goed wanneer dat woord me exact inviel: toen ik, in mijn hoofd, maar na een tijd ook luidop, in de badkamer, een ethisch reglement voor het geven van sterratings probeerde te formuleren — niet alleen voor een professionele recensent, maar ook voor een gewone consument die tegenwoordig de macht heeft om met een aantal sterretjes het publieke oordeel over een boek of film in een bepaalde richting te duwen. Na wat ongeveer twintig minuten moet geweest zijn, verliet ik de badkamer met — naar ik dacht — waterdichte regels voor het al dan niet geven van sterren. Ongeveer rond dat moment zijn voor mij weken van micro-ethisch handelen begonnen. Zoals ik al zei (of schreef, maar ook hardop zei, want ik ensceneer tot mijn grote ergernis alles wat ik denk, wat geen onbelangrijke reden voor mijn huidige inactiviteit is), kom ik geen stap verder, dus heb ik zonet, terwijl ik zonder succes een film van Godard probeerde te kijken, een nieuwe poging ondernomen om me uit het slop te krijgen, die erin bestaat iedere handeling met volledige aandacht uit te voeren, zonder een andere te beginnen als de ene nog niet is afgerond. Tijdens het eten, zo’n tien minuten geleden, heb ik voor me uit gestaard, zonder mijn gedachten door een of ander beeldscherm te laten vastgrijpen. Mijn gedachten zijn vandaag uiterst verstrooid en elke geformuleerde gedachte krijgt er een tweede bij, die op de eerste reflecteert, en een derde, die reflecteert op het feit dat ik reflecteer, en een vierde, die van en bij die laatste reflectie denkt dat ik dat alles maar beter kan opschrijven, en een vijfde, die dat laatste begint te legitimeren door aan mezelf uit te leggen dat schrijven mij voldoening zou kunnen geven of mij toch in eerste instantie uit mijn lethargie zou kunnen halen. Op dat moment was ik nog aan het eten en omdat ik mezelf had opgelegd pas aan een volgende handeling te beginnen wanneer de vorige was afgelopen, at ik verder, met de schrik dat alles ging vervliegen en mij verloren zou achterlaten terwijl ik in de ogen van mijn kat keek. Ook die gedachte (want al wat ik hier nu schrijf werd ergens in dit appartement, nog geen halfuur geleden, gedacht) drong zich op, dwong mij haar op te schrijven, en ik voelde hoe ik, met veel moeite, die gedachte en alle voorgaande en ook die die zich nog aan het vormen was, vast probeerde te houden en al in een goed geschreven vorm trachtte te gieten. Ik deed mijn best me opnieuw op mijn activiteit (eten) te concentreren en zette in mijn hoofd al een volgende (tandenpoetsen) klaar, terwijl ik me afvroeg of die goedbedoelde anticipatie niet tegen mijn eigen verbod inging. Nu ik dit opschrijf, voel ik me weer inactief worden, maar dat mag niet, ik moet deze handeling volbrengen zoals ik ze mij had voorgesteld, en niet stoppen vooraleer ik alle handelingen heb doorlopen die ik vanaf het eten tot en met het schrijven heb gesteld. Onmiddellijk na het eten had ik niet veel moeite, want ik had voor mezelf bepaald dat ik de belegsoorten in drie groepjes, dus in drie keren, in de koelkast zou terugzetten, wat drie identieke, eenvoudige bewegingen van mij zou vergen. Tijdens het terugzetten zag ik in de koelkast een fles frisdrank waarvan ik een glas wilde uitschenken, wat bij mij opnieuw de vraag deed opkomen of het, volgens mijn regel, toegestaan was tijdens een handeling al zozeer met de volgende bezig te zijn. Want ik dacht tijdens het terugzetten al: koelkast open laten staan, fles eruit nemen, glas uit de kast nemen, uitschenken, drinken. Het terugzetten was geen zuiver terugzetten. Ik was opnieuw verstrooid. Ik hield me voor, als compensatie, uiterst gefocust te drinken. En dat lukte, gedurende één slok; bij de tweede was ik mijn ogen al als camera aan het beschouwen, voor een film die hetzelfde idee had als ik. En ik kreeg het woord ‘fenomenologie’ niet meer uit mijn hoofd gebannen, totdat ik moest stoppen met drinken omdat het glas leeg was. Ik was er niet in geslaagd te drinken — en werd angstig. Ik had nog één handeling over voordat ik de zin moest gaan opschrijven die me tijdens het kijken van een film van Godard te binnen was geschoten. Terwijl ik mij naar de badkamer om de hoek aan het bewegen was, zag ik drie verpakkingen op de hoek van de keukentafel liggen, die ik daar op een eerder moment verzameld had om ze gezamenlijk, in één keer, naar de vuilniszak in de berging te kunnen brengen, een petfles ineengedrukt en een drinkyoghurtflesje in een plastic doosje gestopt om plaats te sparen, en ik had door dat ik die verpakkingen al meteen mocht meenemen, want mijn laatste handeling was afgelopen en de volgende was nog niet begonnen. Dus deed ik dat eerst: ik nam de drie verpakkingen, die zich makkelijk lieten stapelen, ineens mee, en ik opende de deur van de berging, vergrootte het gat van de vuilniszak en gooide de verpakkingen erin. Op dat moment realiseerde ik mij dat er hiermee weer een andere handeling was bij gekomen. Ik waste mijn handen met een goedkope zeep, maar voordat ik ze zou afdrogen, nam ik eerst de elektrische tandenborstel, haalde de kop eraf en hield de twee onderdelen onder de kraan, want ik had geleerd niet eerst mijn handen af te drogen om ze dan opnieuw nat te moeten maken om de tandpastasporen van de tandenborstel te peuteren — en dan peuterde ik de tandpastasporen van de tandenborstel, wreef met mijn duim over de tandenborstelhaartjes, schudde wat water uit de paar openingen die het toestel heeft, en ging dan pas naar de handdoek om, in één keer, mijn handen en mijn tandenborstel te drogen. Maar terwijl ik dit neerschrijf, besef ik dat ik met alweer een geval van die vage vermenging van handelingen te maken heb. Had ik, om mijn nieuwe regel te volgen, eerst mijn handen moeten drogen en dan pas mijn tandenborstel schoonmaken (om daarna beide te drogen)? Deze bedenking kwam toen, zo’n halfuur geleden, nog niet in me op, dus zodra zowel mijn handen als mijn tandenborstel goed gedroogd waren en ik mijn tanden had gepoetst, richtte ik mijn aandacht op het voorwerp waaraan mijn laatste handeling voor dit schrijven zou gaan gewijd zijn. Het voorwerp was de lader van mijn tandenborstel en de te verrichten handeling had zich tijdens het tandenpoetsen opgedrongen vanwege de dikke laag vuil dat er zich gedurende enkele weken had opgestapeld, en waarvan ik de verwijdering nu al een week aan het uitstellen was. Ik dacht dat nu het juiste moment was om zo’n handeling eindelijk te ondernemen. Ik heb mijn besluit genomen: ik trek de lader uit het stopcontact, ik bekijk het vuile oppervlak nog eens van dichtbij, en bedenk mij dat de laag vuil nog nooit zo dik en zo vast is geweest, een detail waarover ik dan weer de gedachte formuleer dat ik het absoluut moet verwerken in wat ik nu aan het schrijven ben. Tijdens het peuteren heb ik veel tijd om na te denken, want het gaat niet zo gemakkelijk, en ik herhaal in de eerste plaats de zin die ik na deze handeling in mijn schrift zal moeten noteren, maar terwijl ik daarmee bezig ben, verliest de zin zijn glans, en ik word boos, op mezelf en op mijn micro-ethiek, want zij zijn volgens mij de oorzaak ervan dat de zin zoals ik me die nu herinner slechter klinkt dan hoe ik dacht dat hij klonk wanneer ik hem voor het eerst formuleerde, tijdens het kijken van een film van Godard. Maar dan zie ik ook een uitweg, die me zonder het vooruitzicht van mijn volgende handeling, het schrijven, niet gegeven zou zijn geweest: ik zal de gedachte die in de zin zat in de lelijke vorm van mijn herinnering neerschrijven, omdat, bedenk ik me tijdens het verwijderen van de laatste vuilresten van het oppervlak van de lader van mijn tandenborstel, het binnen mijn concept past. Die zin formuleer ik dan nog een laatste keer in mijn hoofd: ‘Dagelijks houdt de vraag “Hoe moet ik leven?” ons bezig, acuut of chronisch, maar hoe moet ik leven wanneer ze zich acuut chronisch stelt, of chronisch acuut?’ Het laadoppervlak is nu volledig schoon, ik droog alweer het een en ander, en steek de lader weer in het stopcontact. Dan ga ik naar mijn bureau, neem mijn schrift en balpen, en begin te schrijven, en mijn regel is niet meer nodig, want voor vandaag heb ik het gevonden. ¶
Verhaal
Speciaal, alleen voor jou
Essay
Mijn schelm
Essay
Boevenstreken en maskerade: de schelm in vogelvlucht
Beeld
Beeldbijdrage
Essay
Trump als trickster
Beeld
Beeldbijdrage
Verhaal
De tien grootste redenen waarom Donald Trump wél de beste president aller tijden is. (En ja, zelfs voor Europa!)
Essay
Rivka, de moeder van de trickster-zoon Jacob
Essay
Het masker van de naastenliefde — over Melvilles The Confidence-Man
Poëzie
Gedichten
Essay
Gemeenschap van engelen
Poëzie
Van de paarse akkerdistel die van hand tot hand ging
Verhaal
De commandant en de filosoof
Essay
Landschap van antwoorden. Wat biologie wel en niet te zeggen heeft over grote vragen
Poëzie
Gedichten
Stripverhaal