De eerste miniatuur die Wanda vond was een roodborstje. Het lag in een nisje. Eigenlijk was het gewoon een gat in de muur, alsof men tijdens de bouw een steen vergeten was. Of misschien waren de stenen op geweest en hadden de bouwvakkers gezocht naar een plek waar dit het minst op zou vallen. Achter het huis, net links van de keukendeur. Wanda zat daar graag. Op deze plek had ze overzicht over de hele tuin. Over de scheefgezakte pergola, de uitgebloeide hortensia’s van Pier, de goudsbloemen die uit een zakje oud zaad waren gegroeid terwijl niemand dat meer verwacht had, de vechtende eksters op het schuurdak. Ze had een hekel aan eksters, ruziezoekers waren het.

Het miniroodborstje lag erbij alsof er niets aan de hand was. Alsof het niet op een in veren verklede gourmet minirundervink uit de supermarkt leek. Wanda keek ernaar met een mengeling van vertedering en onbegrip. Geen onbegrip over het bestaansrecht van het beestje. Het lag er, zoveel was duidelijk, het was meer een letterlijk niet-begrijpen. Het kón er namelijk niet zijn. Er bestonden niet zulke miniatuurdieren op de wereld. Er was iets gebeurd waar haar hersens niet op toegerust waren. Ze had iets gezien wat afkomstig moest zijn uit een andere wereld, een schaduw-, een sluipwereld.

Later, toen ze met Pier aan tafel zat en hun messen in hetzelfde ritme door het vlees ploegden, had ze in haar hoofd een serie oefenzinnen gemaakt die zouden weergeven wat ze had gezien. Ze moest het nonchalant brengen, niet als drama. Toch, hoe ze de woorden ook rangschikte, het bleef een gebeurtenis die niet kon bestaan. Pier zijn kaken maalden een schnitzel, zes gekookte aardappelen en een berg spinazie weg. Hij smakte. Daar ergerde ze zich aan. Elke avond weer. Ze wilde daar wel iets aan doen, maar had geen idee wat. Zodoende hield ze altijd een hand bij haar oor tijdens het eten. Drukte er halfzacht tegenaan. Dat dempte het geluid een beetje.

Een buitenstaander zou waarschijnlijk gedacht hebben dat ze armoedige of zelfs helemaal geen seks hadden. Pier met zijn herkauwende kaken en Wanda met die wegdraaiende ogen. Maar de werkelijkheid was nogal anders. Het was een van de weinige dingen waar Pier en Wanda goed in waren. Ze hadden er zelfs een kamer voor gemaakt. Daar stonden een kingsize bed, een harde keukenstoel, een kast met kinky attributen en een rijdende aircomachine die op de kleine robot uit Star Wars leek. Deze kamer was een van de leukste dingen in Wanda’s leven. Hier kon zij alles zijn. Ooit spraken ze een codewoord af: ‘Zuurkool.’ Een belachelijk woord natuurlijk, maar ze hadden ergens gelezen dat een prozaïsch woord het meest effectief was. Het was nooit gevallen.

De telefoon ging. Wanda nam op.

‘Dag mevrouw, doet u zelf het huishouden?’

‘Eh, ja. Ik geloof van wel.’

‘Wie is dat?’ riep Pier met een mond vol spinazie.

‘Een enquête!’ gilde Wanda terug.

‘Doet u het huishouden: A. dagelijks, B. wekelijks, C. maandelijks?’

De stem aan de andere kant van de hoorn klonk zalvend. Alsof er iets heel moois ging gebeuren als Wanda alle vragen goed had. Ze dacht hard na. Het lag eraan. Elke dag was overdreven, maar wekelijks en maandelijks ook.

‘Heeft u er niets tussenin?’ vroeg ze vriendelijk.

‘Wat voor enquête?’ riep Pier.

‘Over het huishouden!’ riep Wanda terug.

‘Hang toch op, die onzin,’ gilde Pier, ‘het kost alleen maar geld.’

‘Het kost niets hoor,’ klonk de zalvende stem, ‘wij willen enkel uw huishoudelijk gedrag in kaart brengen.’

Waarom het mijne, dacht Wanda, maar dat vroeg ze niet. Wel of de stem niet beter de buurvrouw kon bellen, die wist veel meer van huishouden, maar de stem zei dat Wanda geselecteerd was en niet de buurvrouw. Dat vond Wanda een fijn idee. Ze keek naar de tafel, waar Pier als een middeleeuwer zijn eten naar binnen schoof.

‘Wilt u morgen terugbellen?’ vroeg ze vriendelijk. ‘Dan ben ik alleen en kan ik u beter te woord staan.’

De hele avond dacht Wanda terug aan die stem. Hij gleed zo makkelijk haar oor in en zweefde sindsdien als een wolk van frêle zijdedraadjes door haar gedachten. Pier had door dat ze er met haar hoofd niet bij was. Tijdens het achtuurjournaal legde hij zijn lippen tegen haar oor.

‘Ga naar de kamer, schatje,’ beval hij zacht.

Ze stond dankbaar op. Pier merkte het altijd als zij afdreef. Gooide zijn hengel uit en haalde haar behendig naar binnen. Even later stond ze naakt voor de spiegel met haar handen op haar rug gebonden. Pier stond achter haar.

‘Schatje, wat ben je mooi,’ fluisterde hij, terwijl zijn lippen haar oorlelletje kusten. ‘Zo’n mooi, zacht, lief en lekker meisje, ben je.’

Hij streelde haar haren, heel teder, greep ze toen in één beweging strak bij elkaar en trok ze stevig naar achteren. Wanda kreunde en wiebelde bijna uit haar evenwicht. De riem om haar polsen trok automatisch strakker, ze voelde het leer in haar huid snijden en haar haartjes gingen rechtop staan. Dit was wat ze het liefste deed. In deze kamer en van Pier zijn. Niet meer hoeven denken, niets hoeven doen, alleen incasseren. Pijn, tot op zekere hoogte, nooit meer dan ze hebben kon, en genot. Vooral dat laatste. Tot ze ontplofte. Elke keer weer leek het genot groter, haar orgasme heviger. Elke keer dacht ze, het kan niet beter, niet geiler, niet zinderender dan deze keer, de vorige keer, de keer daarvoor, maar het kon wel. De sessie in het kamertje eindigde voor Wanda deze avond op de keukenstoel met haar benen wijd uiteen vastgebonden aan de stoelpoten. Pier lag als een uit de lucht gevallen sultan op bed en bekeek haar tevreden, luisterde genoeglijk naar het gedempte kreunen achter de gag die haar mond vulde.

‘Zo meteen moet je me nog wel even pijpen, schatje.’

Wanda knikte ijverig van ja, haar ogen schoten verlangend richting zijn stijve pik.

De volgende ochtend deed Wanda zes boterhammen in een zakje. Haastig, want Pier moest over een half uur op zijn werk zijn. Hij kwam achter haar staan, schoof haar badjas iets opzij en keurde haar blote billen. Klopte er een paar keer goedkeurend op.

‘Heb je lekker geslapen, liefje? Had je er geen last van?’

Wanda stak haar kont verlangend naar achteren en fleemde dat hij een volgende keer best wel wat harder mocht doen. Je zag er tenslotte niks meer van.

‘Weet je dat wel zeker, meisje? Weet wel wat je over jezelf afroept. Ik kan je vandaag toch wel alleen laten, hè,’ grapte hij.

Ze rilde onwillekeurig. Ze kon niet wachten. Die plek midden op dat bed, haar billen omhoog, de petsen met zijn hand, het moment dat hij zijn riem uit zijn broek trok, een beetje traag, om haar te pesten, het moment dat ze haar kont omhoog moest steken, hoog, hoger, hoogst en dan de ritmische slagen, het strelen tussendoor, de zalige overgave, de hand tussen haar benen, de vinger tussen haar billen die zachtjes met een dotje spuug naar binnen gleed.

Als op een teken rinkelde de telefoon tegelijk met de dichtklikkende voordeur.

‘Dag mevrouw.’

‘Dahag,’ antwoordde Wanda loom.

‘Weet u inmiddels al hoe frequent u het huishouden doet?’

‘Ik heb er nog niet echt over nagedacht,’ moest Wanda bekennen. ‘Ik doe wel dagelijkse opruimdingen, maar onder het huishouden doen versta ik toch meer. Meer zwoegen. Ik zwoeg er niet echt bij.’

‘Zwoegen is niet noodzakelijk, hoor.’

God, wat klonk die stem fijn en vertrouwd.

‘Opruimbezigheden horen ook bij het huishouden. Opruimen, tuinieren, tuiniert u?’

‘Ja, dat wel. Dagelijks zelfs.’

‘Nou dan!’

De stem klonk triomfantelijk, alsof ze zojuist voor het eerst van haar leven veters had gestrikt en een diploma verdiende. Wanda werd er blij van, merkte ze. Fijn hoor, dat zij geselecteerd was en niet de buurvrouw.

‘Wat draagt u, tijdens het huishouden?’

De stem boog ineens naar beneden af. Hij werd een beetje hijgerig.

‘Een ochtendjas? Met enkel een broekje eronder? Of helemaal niks?’

Met een klap gooide Wanda de haak erop en liep naar buiten. Naar de muur met het nisje erin. Het miniatuurvogeltje lag er nog net zo mooi bij. Nog net zo mooi en niet vergaan. Het was dat ze het voor de tweede keer zag liggen, anders had ze het nooit geloofd. Zo verschrikkelijk mooi rond en af was dat kleine ietepetieterige vogeltje. Ze ging al een beetje wennen, merkte ze. Eigenlijk kon het best. Zo’n minivogeltje. Je had ook kleine mensen, miniatuurspeelgoed, kiezelstenen. Ze kreeg er tranen van. Maar dat kon ook van de teleurstelling komen. Die stomme stem aan de telefoon.

De tweede miniatuur was een piepklein duikbootje. Het kwam tevoorschijn toen Wanda de grond om de tomatenplanten heen bewerkte met een handschoffeltje. Het was geen speelgoed, niet van plastic of zo. Het was een realistisch uitziende duikboot, alleen dan tig keer kleiner. Er bestonden dus niet uitsluitend dieren in de miniatuurwereld, dacht ze teleurgesteld. Jammer, ze had gehoopt op een systeem. Ze hield het duikbootje een tijd in haar hand, klopte het zand eraf. Ze zou het naast het roodborstje leggen. Dat kon maar beter gelijk een gewoonte worden. Misschien vond ze in de toekomst meer miniaturen en dan had ze alles bij elkaar. Als een verzameling. Meteen voelde de wereld groter. De tuin leek ruimer, de lucht verser en de grond ruller. Alles was een beetje uitgedijd, nu. Ze telde de miniaturen hardop. Eén. Twee. Eén was een voorwerp. Twee een verzameling. Ze lagen mooi naast elkaar. Het vogeltje en het duikbootje. Diezelfde middag vond ze onder de hortensia van Pier een klein sleuteltje. Gewoon op de grond. Even was ze in verwarring. Zou Pier? Nee, dat kon niet, die wist van niets. Wanda legde het sleuteltje bij de rest. Drie miniaturen had ze nu en niemand om het aan te vertellen.

Die nacht lag ze wakker. Pier snurkte een beetje, maar dat hoorde ze amper, zo in beslag genomen werd ze door haar nieuwe verzameling. Ze liep er in gedachten telkens heen, om te kijken of alles er nog lag. Tenslotte waren die miniaturen zomaar in haar leven verschenen, dan konden ze redelijkerwijs ook zo weer verdwijnen. Ze was er niet gerust op. Misschien moesten miniaturen wel op hun plek blijven liggen en had ze hele werelden verstoord zonder het te weten. Om twee uur ’s nachts hield ze het niet langer uit en ging kijken. Ze zag niets bijzonders. Haar verzameling lag er nog net zo mooi bij als gisteren. Ze telde hardop. Eén, twee, drie. Toen ze terug in bed kroop kwam Pier tegen haar aan liggen. Hij streelde zacht haar rug. Meteen stak ze verlangend haar billen naar achteren.

‘Nee, lief meisje, nu niet, het is midden in de nacht, we moeten slapen,’ zei Pier zacht. ‘Wat deed je eigenlijk buiten?’

‘Ik, ik dacht dat ik wat hoorde,’ stamelde Wanda, ‘ik kon er niet van slapen.’

‘Je weet dat je ’s nachts niet naar buiten mag,’ zei Pier iets harder nu. ‘Je weet wat er dan kan gebeuren.’

Wanda knikte. Ze wist het. Ze was ooit midden in de nacht naar buiten geweest. Ze wilde er liever niet meer aan denken. Maar ditmaal was het anders. Nu had ze haar verzameling. Ze wilde er gewoon een beetje op letten, dat was alles. Dat kon ze allemaal niet aan Pier vertellen, maar hij snapte het vast wel. Ze kroelde nog iets dichter tegen hem aan en voelde hoe Pier ontspande, langzaam weer in slaap viel. Ze hield van zijn armen om haar heen. Pier beschermde haar. Altijd.

De volgende dag ging de huistelefoon drie keer. Wanda nam niet op. Toen haar mobiel. Pier. Waarom ze niet opnam. Ze kon moeilijk zeggen dat die telefoonstem van gisteren wilde weten of ze het huishouden met of zonder broekje aan deed. Dus zei ze dat ze buiten was. Bij de goudsbloemen. Het werd wel lastig zo, met al die geheimen. Dat merkte ze aan haar huid. Die voelde doof. Alsof hij langzaam in slaap ging vallen, er niet meer bij wilde zijn.

‘Joehoe,’ riep ze even later gewoon hardop, tijdens het dweilen. ‘Joehoe.’

De volgende dag stond er een man in de tuin. Hij zag er raar uit. Alsof hij niet goed in de wereld paste. Hij zei dat Pier hem gestuurd had. Zijn stem klonk fijn en vertrouwd. Hij kwam naar haar toe en opende zijn hand.

‘Kijk maar,’ zei hij, ‘kijk.’

In de palm van zijn hand lag een piepklein boompje. Ongelooflijk, hoe klein en verfijnd het was. Alles zat erop en eraan, werkelijk niets ontbrak. Zelfs de worteltjes hingen ragfijn aan de stam. De man moest het zo uit de grond hebben geplukt.

‘Overleeft hij wel?’ vroeg Wanda zorgelijk.

De man knikte. Ja, het zou wel gaan.

‘Weet Pier van de miniaturen? En sinds wanneer?’

‘Pier heeft het altijd geweten, gekkie. Hij wilde je ermee laten. Jou en je verzameling. Dan had je ook wat. Dat leek hem goed. Na afgelopen jaar.’

Hier moest Wanda even over nadenken. Al die geheimen, de verstopplaats, de nachtelijke bezoekjes. Hij had er altijd van geweten. En niets gezegd. Omdat het fijn voor haar was, haar eigen verzameling. En dat die van haar moest blijven, helemaal van haar alleen. Zonder inmenging van buitenaf. Wanda kreeg het bijna te kwaad. Wat hield ze toch van Pier.

De man zag het en kwam op haar af. Hij streelde haar hand en drukte het boompje erin.

‘Kom,’ zei hij, ‘dan leggen we het bij de rest.’

Ze liepen naar de nis in de muur. Naar het roodborstje, de sleutel en het duikbootje. Het boompje paste er prachtig bij.

‘Zo, nu heb je er vier. Tel maar.’

Wanda telde. Eén, twee, drie, vier. Ze wilde graag Pier bellen om hem te bedanken, maar de man hield haar lachend tegen. Hij overhandigde haar een briefje. Daar stond het, in Pier zijn mooie handschrift: ‘Lieve Wanda, je kunt mij bedanken door alles te doen wat deze man van je vraagt.’

De man las over haar schouder mee. ‘Mmm,’ mompelde hij opgewekt, ‘wat zal ik eens vragen?’

Wanda wist het ook niet. Koffie? Appeltaart? Dat kon, dat had ze zo gemaakt. De man lachte zijn haar helemaal door de war. Neehee, hij wilde geen koffie of taart. Dat was toch geen ruil voor zo een schitterende miniatuur. Wist Wanda wel hoeveel er daarvan waren? Het zou hem niets verbazen als het er maar drie waren. Op de hele wereld. Het werd donker in de tuin. Wanda keek omhoog. Er schoof een vloot van wolken boven hun hoofden. Toen de verschrikkelijke woorden: ‘Ik wil het roodborstje.’

Wanda wist gelijk dat dit niet kon. Ze zou het desnoods met haar leven moeten verdedigen, maar het roodborstje hoorde bij haar verzameling. Het was het begin, en zonder begin was er niets. Geen eind, geen midden, niets. Er was geen telling mogelijk zonder de één. Zonder de één was er geen verzameling. Pier had dit gelijk gesnapt, waar was Pier nou als je hem nodig had? De man kwam naar haar toe en legde zijn handen zwaar op haar schouders. Het hielp wel, haar paniekgedachten zakten al een beetje, nog even en ze verdwenen in de grond. Hij had een oplossing. Eén, twee uur in het kamertje. Hij, en Wanda. Dan was alles opgelost en vergeten en vergeven. Dan mocht zij het roodborstje houden. En de duikboot, het boompje en de sleutel. Daar moest Wanda even over denken. Ze wilde Pier bellen. Pier moest zeggen dat het goed was. Het was tenslotte hun kamertje. Ze wilde de telefoon pakken, maar de man stond al achter haar, wapperde grijnzend met de brief, streelde haar haren, haar billen, nam haar oorlelletje tussen zijn lippen en kreunde zacht dat ze het kamertje in moest gaan. Nu. Langzaam liep ze de trap op. Het was tenslotte ontegenzeggelijk Pier zijn handschrift, op dat briefje. Die gekke uithaal bij de letter L. De kleine verfrommelde g. Dat moest je maar net weten. Twee uren werden het. Het was anders dan bij Pier. Harder, steviger. Bruter. Ze wist nog niet wat ze daarvan vond. Haar huid was doof geworden. Driemaal had ze overwogen het codewoord te gebruiken, maar besloot ze door te zetten. Bang als ze was haar roodborstje te verliezen. En ze wilde Pier niet teleurstellen. De man was naderhand gelijk weggegaan. Hij had niet eens dag gezegd.

Pier was laat. Om zeven uur pas hoorde ze de deur. Urenlang had ze aan tafel gezeten, alleen met haar gedachten en haar dove huid. Het zaad van de vreemde man nog vers in haar kut, op haar buik, in haar mond. Maar ze had haar verzameling behouden. Deze zelfs uitgebreid en gedaan wat Pier haar had opgedragen. Hij zou trots zijn. Maar Pier was niet trots. Hij zag haar blauwe plekken, de vegen om haar mond, haar gescheurde rok, en slaakte een hele reeks kreten achter elkaar. Wanda wist niet wat hij zei, wat hij bedoelde. Ze wilde hem geruststellen, zeggen dat het goed was, hem haar verzameling laten zien. Ze bleef herhalen hoe blij ze was met het boompje, hoe dankbaar, maar Pier bleef roepen, huilen. Uiteindelijk nam ze hem mee, naar buiten, naar de nis. Dat zou hem de ogen openen. Links van de keukendeur, daar zat het gat, ze wist het zeker. Links. Of toch rechts? Nee, links. Ze zou hem alles laten zien. Vanmiddag was het nog links. Ze wist het zeker.

Johanna Geels (1968) is dichter, schrijver en columnist. Ze publiceerde vier dichtbundels: Tuig, Detox, Wildberichten en Vuurmakers (met tekeningen van Kees van der Knaap), en een verzameling van haar columns, Ongearticuleerd gorgelen. Tuig werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2018 voltooide ze haar meest recente bundel Planeetversterkers.

Meer van deze auteur