Floor Koomen

De Eerste Wereldoorlog had zelfs gevolgen voor de gegoede klasse in ‘t Gooi. Reizen was zo goed als onmogelijk geworden, de Alpen en de Europese kuuroorden waren onbereikbaar, hotels in buiten- en binnenland dienden als noodopvang voor vluchtelingen en militair personeel. Wat aan te vangen met al die leisure time? Er werden lezingen georganiseerd, en Carry van Bruggen was een veelgevraagde spreker. Begin 1914 was ze, definitief gescheiden van echtgenoot Kees van Bruggen, met haar twee kinderen vanuit de Amsterdamse ­Valeriusstraat naar het voorhuis van een voormalige boerderij in Laren verhuisd, om een nieuw leven in de luwte van het land te beginnen. Alimentatie hoefde ze niet. Door redactiewerk te verrichten, te schrijven, te vertalen en veel op te treden als gastspreker kon ze zich handhaven als kostwinner én auteur. Ze woekerde met haar tijd, las waar het even kon, onder meer de klassieke filosofen, in Nederlandse, Engelse of Franse vertaling, en tuigde zo haar eigen levensbeschouwing op, los van de brave academici die, om met Spinoza te spreken, de mens ‘niet wijs maar gehoorzaam wilden maken’.

Carry van Bruggen werd in 1881 als Carolina Lea de Haan geboren in een orthodox en armlastig Joods gezin. Ze was leergierig, hunkerde naar kennis, maar moest genoegen nemen met een opleiding aan de plaatselijke normaalschool, waarna ze als lerares aan de slag ging op een Amsterdamse basisschool. Ze kreeg een relatie met een getrouwde, gojse journalist, Kees van Bruggen, en vertrok (ontsnapte) met hem naar Indië, om enkele jaren later terug te keren als moeder van twee jonge kinderen, gedesillusioneerde echtgenote, en gedebuteerd auteur. In Nederland verschijnt haar eerste verhalenbundel In de schaduw (1907).

In de oorlogsjaren 1914-1918 trok ze fel van leer tegen het patriottisme: een collectieve vorm van eigenliefde die was ontaard op de Europese slagvelden, waar honderdduizenden jonge mannen maandelijks het leven lieten. Het moet indrukwekkend geweest zijn om haar als spreker – als seculiere voorganger – aan het werk te zien. Tijdens haar lezingen sprak ze altijd uit het hoofd, geholpen door een klein papiertje, gezeten op een tafel, sigaret in de mondhoek, en las ze haar (welgestelde) publiek de levieten. Haar gedachten werkte ze uit in een samenhangende ideeëngeschiedenis met als rode draad conformisme versus verzet, waarbij ze zowel filosofische hoofdwerken, tragedies als romans besprak. Het zeshonderd pagina’s tellende Prometheus verscheen in 1919 in druk, en kreeg als ondertitel Een bijdrage tot het begrip der ontwikkeling van het individualisme in de litteratuur mee.



De waan van onafhankelijkheid

Prometheus begint met een revelatie: het spinozistische inzicht dat alles één is, terwijl we juist waarnemen (onderscheiden) aan de hand van verschillen. Wat we warm noemen is dat alleen vergeleken met wat koud is, en wat intelligent heet te zijn, is dat afgezet tegenover domheid. Zulke onderscheidingen worden snel verabsoluteerd, en doordat de denkende mens feitelijk niet anders kan, meent hij algauw ook zélf fundamenteel verschillend van anderen te zijn. Kun je iemand meer kwetsen dan door hem gewoontjes of commun te noemen? En doe je vrienden ooit meer plezier dan door aan hen het predicaat bijzonder te geven en ze als gedistingeerd te zien? Daarop is dan ook het leeuwendeel van de menselijke energie gericht – het zich onderscheiden van anderen uit een inherent gevoel van trots of eer.

Wat een zuiver persoonlijk verlangen lijkt, is eigenlijk een collectieve drift. Kijk maar naar dat aloude, basale onderscheidingsmiddel: eigendom en bezit. Dat willen mensen niet alleen koste wat kost behouden, het is immers de basis van hun bestaan, maar vooral ook uitbreiden, om deel te worden van die ene, unieke klasse die boven alle andere verheven is. Onze aangeboren onderscheidingsdrift uit zich overigens niet altijd in plat materialisme, het is ook mogelijk, juist in geldbeluste tijden, wanneer iedereen inmiddels een automobiel heeft aangeschaft, om zich van de weeromstuit ascetisch op te stellen, en zo écht anders dan de anderen te zijn. Denk aan de figuur van de ‘nederige geestelijke’, die tuk is op zijn gave van verootmoediging.

Onderscheidingsdrift komt op grote schaal voor bij groepen mensen die zich verenigd hebben in volkeren, religies en naties. Dat begon ooit met de bittere noodzaak te overleven in een vijandige wereld. Dat is het zogeheten sociale contract van Thomas Hobbes, al overdreef hij, voegt Van Bruggen toe, de menselijke wreedheid, om meer macht aan de monarch toe te kunnen wijzen. (En Rousseau dikte dan weer de menselijke goedheid flink aan, om van die tirannen af te komen.) Conservatieven benadrukken voortdurend waarden als orde en rust, en heus niet ten onrechte, maar verheimelijken dat het hun uiteindelijk vooral om persoonlijk eigendom te doen is, wat ze schrander vermommen als ‘algemeen belang’. Ze zijn ‘idealisten van de eigen brandkast’.

Als landen, kerken, partijen eenmaal geformeerd zijn, gaan ze hun uitzonderlijkheid benadrukken, net als ijdele personen, uit angst voor ‘onbetekenend’ door te gaan. Men spit de afzonderlijke geloofsregels uit, vertelt prachtige oorsprongsmythes over landstaal en volksziel. Het is een collectieve vorm van egocentrisme – gericht op het behoud van de status quo. Hoe groter en machtiger die collectiviteit wordt, hoe meer eer (onderscheiding) er te behalen valt voor personen die willen opgaan in dat machtige, uniforme geheel. Zó is het collectieve geloof van het nationalisme ontstaan. De verdedigers daarvan, de soldaten, werden door Bismarck in zijn memoires als oorlogshelden de hemel in geschreven. Terwijl het de geringste geesten zijn die zich tot zo’n overkoepelend collectief met zijn onderscheidende kenmerken (‘tradities’) aangetrokken voelen; zij verkeren ironisch genoeg in de waan volstrekt vrij en onafhankelijk te zijn.

Tegenover deze distinctiedrift – die dus feitelijk behoudzucht en dogmatiek impliceert – plaatst Van Bruggen het inzicht in de eenheid en verbondenheid van alles en iedereen. Wie die wijsheid inziet, en haar in praktijk dúrft te brengen, die is voor haar de ware individualist. Hij of zij stelt niet het eigen belang voorop, ook niet onder het mom van zelfbehoud, maar heeft de relativiteit van de eigen positie leren inzien, en weet zich onlosmakelijk verbonden met andere mensen, met de natuur en de dieren, en beschikt over een rechtvaardigheidsgevoel dat niet uit te besteden valt aan een wetboek of rechterlijke uitspraken. Ga maar na: het verschil tussen daders en slachtoffers vervloeit wanneer je bedenkt dat daders evengoed slachtoffer zijn van hun opvoeding, omgeving en aangeboren driften.

Dit openstaan voor de eenheid is een riskant ideaal. Wie al te veel empathie heeft, wie de hele wereld doorziet en omvat, wie geen verschil tussen zichzelf en andere (dierlijke) schepsels ervaart, zet het eigen voortbestaan op het spel. Zo’n levenshouding is voor slechts weinigen weggelegd in een wereld die op verschil en hiërarchie is ingesteld. En in zeker opzicht is dat maar goed ook, zo heeft in de loop van de eeuwen het lot van onder anderen Socrates en Jezus van Nazareth geleerd. Beiden moesten hun niet-hiërarchisch denken bekopen met de dood. Daarom wordt het eenheidsverlangen van de ware individualist in Prometheus gelijkgesteld aan doodsdrift, terwijl het distinctieverlangen, in iedere persoon en in elke maatschappij aanwezig, levensdrift heet.

Carry van Bruggen tekent in Prometheus de eeuwenoude geschiedenis op van een steeds weer terugkerende tegenstelling: die van een ontvankelijkheid voor de veelheid en verbondenheid versus het verlangen naar een gesloten ordening en ­hiërarchie. Ze hanteert een hegeliaanse periodisering, al wantrouwt ze diens synthesedrang, zeker als die samenvalt met een (nationale) staat. In de achtereenvolgende hoofdstukken van haar boek komen de Grieken en de middeleeuwen aan bod, het humanisme, het absolutisme, de verlichting en het positivisme, met steeds weer uitweidingen over de (nationalistische) actualiteit van de jaren na de Eerste Wereldoorlog.

De rode draad is de opstandige Prometheus-figuur, die te herkennen valt in politiek-­religieuze hervormers als Jezus van Nazareth, Luther en Robespierre. Van Bruggen erkent dat zulke revolutionairen vaak vuile handen maken, maar wenst daar geen nadruk op te leggen, zoals de ‘ethische’ conservatieven plegen te doen. Hen hoor je nooit over de folterkamers van koningen en tsaren, of over het verderf dat het Amerikaanse kapitalisme wereldwijd zaait. 

De revolutionair is begiftigd met een sterk rechtvaardigheidsgevoel, dat zich vaak in woede uit. Om iets te kunnen vernietigen, zo luidt het in Prometheus, moet je het eerst hartgrondig haten: ‘Niemand kan een hand uitstrekken naar een samenleving, zolang hij door haar schoonheid is geboeid.’ Zulke gevoelens maken veranderingen mogelijk, maar dan treedt onvermijdelijk weer een periode van verstarring in, wat leidt tot nieuwe dogma’s en een nieuwe vorm van autocratie. Zo gebeurde het ook met de intellectueel Marx, schrijft Van Bruggen, wiens geschriften door Lenin tot leer werden gemaakt, en zo eindigde de reformatie met de steile Calvijn, zoals ‘mazelen in zichtbare uitslag’.



Voorbij goed en kwaad

Friedrich Nietzsche is de filosoof – naast Spinoza en Hegel – wiens aanwezigheid in Prometheus het sterkst wordt gevoeld. Als Van Bruggen zich verzet tegen de ‘onnozelheid, het gebrek aan wijsgerig inzicht’ van de autoritaire zeventiende eeuw, en haar pijlen richt op de negentiende-eeuwse hersenwetenschap, die ‘aantoonde’ dat het mannelijke brein superieur aan dat van de vrouw zou zijn, zoals de kerk al eeuwen verkondigd had, is dat met nietzscheaanse schwung (en met multatuliaans feminisme). 

Nietzsche, de filosoof met de hamer, ging de overgeleverde moraal te lijf, waar in de verstokte termen goed en fout, en van schuld en zonde werd gedacht. Hij wilde de verschillende, tegengestelde verlangens die huizen in één individu productief maken, zoals hij in Voorbij goed en kwaad predikte: ‘Niet vast blijven zitten in één persoon – zelfs niet de dierbaarste – iedere persoon is een gevangenis, en ook een uithoek. Niet vast blijven zitten aan het vaderland […] Niet vast blijven zitten aan een of ander medelijden […] noch aan een of andere wetenschap’.

Van Bruggen zaait twijfel over het geloof in een vaste moraal, ook dat van ‘wetenschappelijke’ denksystemen. Als scepticus stelt ze vooral vragen: is het altijd goed om trouw te zijn, ook als dat leidt tot medeplichtigheid? Is zachtmoedigheid per definitie een deugd, of kan het ook aanleiding geven tot ontsporingen, omdat zachte heelmeesters stinkende wonden maken? Is rechtvaardigheid een plicht, ook als dat betekent, in het uiterste geval, dat je familieleden uitlevert aan het gerecht? Is pacifisme een oplossing als je moet toestaan dat onschuldige mensen worden uitgemoord? En ben je nog wel een pacifist als je duldt dat anderen in jouw plaats het bloedige werk opknappen?

Alleen wie zulke fundamentele twijfel verdraagt, mag zichzelf een individualist noemen. En zo’n individualist – Nietzsche zou spreken van een Übermensch – moet worden onderscheiden van het leger ‘overmoedigen’ waarvoor in Also sprach Zarathustra gewaarschuwd wordt, omdat ze ‘brullen als leeuwen zonder ooit een kameel te zijn geweest’. Er is veel zelfoverschatting in de wereld. Voortdurend denkt men het dogmatisme van het collectief (staat, kerk, partij) te hebben afgelegd, om zich vervolgens over te geven aan nieuwe groepsvorming. Mensen zijn altijd meer kuddedieren dan ze denken.

Prometheus verscheen twee jaar ná de Russische Revolutie, in het jaar dat de Volkerenbond wordt opgericht, maar van beide historische omwentelingen verwachtte Van Bruggen bepaald geen wonderen. De Volkerenbond achtte ze een initiatief van westerse landen, die zich opeens als de ‘leermeester’ van de wereld opstellen, terwijl ze eeuwenlang ‘verdrukker’ zijn geweest. En Marx had weliswaar de volksmassa’s tot een groep aaneengesmeed door ze in hun afkeer tegen de bourgeoisie te verenigen, maar vervolgens ging de distinctiedrift met zijn volgelingen op de loop. Opeens werden proletariërs geëerd als een bijzonder ras, dat over een eigen ‘proletarisch rechtsgevoel’ zou beschikken en over een ‘proletarische psyche’. En de felle socialistische oppositiekunst van weleer, destijds gemaakt vanuit een sterk antimaatschappelijk gevoel, veranderde in tamme gemeenschapskunst waarin de juiste idealen dienden te worden gepropageerd.

De moderne kunstenaar hoedt zich ervoor om in pas te lopen, waarschuwt Van Bruggen, en neemt juist afstand van het heersende maatschappelijke dogma. Zo ontstaat een specifieke artistieke ironie, een voorbehoud bij alle waarheden die de mens zichzelf verkondigt. Ze noemt in het slothoofdstuk John Galsworthy, wiens werk ze vertaalde, als voorbeeld, naast Anatole France met zijn De goden zijn dorstig. Een volkomen sceptische, anti-ideologische houding is echter niet het gewenste eindpunt. Auteurs die zich ver boven de massa’s verheven weten, leveren bloedeloze teksten af. In het gemoed van kunstenaars worstelt Jupiter, de schepper van orde en regelmaat, met Prometheus, de bestrijder van de status quo.



De Nederlandse Ayn Rand

Grote verwachtingen had Carry van Bruggen van Prometheus, dat ze aanbood aan De Gids om in meerdere delen te publiceren. Met name redactielid Johan Huizinga wees het manuscript af. Hij vond het pretentieus en, vanuit historisch oogpunt, amateuristisch. In 1918 verscheen de tekst alsnog, als feuilleton, in het progressieve tijdschrift Groot Nederland. Een jaar later kwam het als boek op de markt. Recensies lieten lang op zich wachten, het oordeel was niet onverdeeld positief. Op geen enkele manier sloot dit werk aan bij Van Bruggens succesvolle familieroman De verlatene (1910) of het door haar beschreven huwelijksdebacle in Een coquette vrouw (1915). Lezers lieten het afweten. Wat overbleef van de eerste druk van Prometheus werd hergebruikt als pakpapier – er heerste in die naoorlogse jaren papierschaarste.

Carry van Bruggen heeft zich er in een brief aan J.A. dèr Mouw over beklaagd dat ze, als vrouw én bekend romancière, twee vooroordelen te overwinnen had, namelijk dat ‘vrouwen niet denken kunnen en dat artisten maar liever niet denken moeten’. 

De ontmoediging werkte ze in 1920 uit in de roman Uit het leven van een denkende vrouw, onder het pseudoniem Justine Abbing. Hoofdpersoon Marianne Edema werkt aan een filosofisch boek dat in veel opzichten lijkt op Prometheus en Hedendaags fetisjisme (dat Van Bruggen in 1925 publiceerde onder haar eigen naam). Ze staat bekend als een ‘vrouw met een mannelijk intellect’. De intellectuele heren in haar omgeving geven de voorkeur aan knappe jongedames met ‘een gulle mond’. Edema is seculier en heeft een kunstschilder als man. Toch is ze maatschappelijk allesbehalve ‘vrij’. Alle zorg voor het gezin komt op haar schouders neer. Als ze tijd neemt om te lezen, te schrijven, komen zoon en man om aandacht vragen. Haar dochter zou willen dat haar moeder net als alle andere moeders was, dat ze niet zoveel zou denken en ze meer samen zouden winkelen.

Van Bruggen had weinig op met de vrouwenbeweging van haar tijd. Ze had een afkeer van openlijk beleden vrouwelijke solidariteit en van opzichtige waardering, vooral in de literatuur, omdat daardoor elk kwalitatief literair onderscheid verloren ging. In plaats van elkaar voortdurend aangenaam te bejegenen zouden vrouwen juist onaangenamer moeten durven zijn tegen elkaar. En daar heeft ze in haar recensies zeker gevolg aan gegeven. Toch valt Uit het leven van een denkende vrouw moeilijk anders dan als feministische roman te categoriseren.

Is het dan een gotspe dat de afgelopen decennia vooral conservatieve mannelijke auteurs Prometheus uit het rijk der vergetelheid hebben opgediept? In de jaren negentig pleitte de conservatieve (‘brandkastidealist’) Frits Bolkestein met hulp van ‘Carrie [sic] Van Bruggen’ en het citaat ‘Eenheidsdrift is doodsdrift, distinctiedrift is levensdrift’ tegen verdere Europese eenwording. De schrijver van Prometheus werd gebombardeerd tot een geestverwant van Ayn Rand. Van Bruggen-bewonderaar (en Europa-scepticus) J.L. Heldring merkte destijds al op dat Bolkestein de auteur niet helemaal begrepen scheen te hebben, omdat hij die eenheidsdrift louter negatief interpreteerde. Frans Kellendonk gebruikte datzelfde citaat (dat overigens niet in Prometheus voorkomt, maar in Van Bruggens latere toelichting De grondgedachte van “Prometheus”) in zijn laatste roman Mystiek lichaam uit 1986. Kellendonk schreef over het verlangen deel te zijn van een gemeenschap, in zowel religieuze, historische als persoonlijke zin, terwijl zo’n hecht verband altijd met buitensluiting gepaard gaat. Een essay op de site Reactionair uit 2022 roemt de onmaatschappelijke denkvrijheid van dit filosofische meesterwerk.

Alleen al door zijn naam oefent Prometheus aantrekkingskracht uit op conservatieve en libertaire denkers: de belofte van een opstand tegen de (socialistische) collectiviteit. De stelligheid van het boek, inclusief prekerige herhalingen, draagt daar wellicht aan bij. Martin van Amerongen merkte al eens op dat het ontbreken van twijfel in Prometheus – afgezien van de retorische vragen – opvallend is bij een boek dat gewijd is aan de relativiteit van standpunten. Van Bruggen bestempelde elke vorm van collectieve organisatie als identiteitspolitiek – als het noodzakelijkerwijs benadrukken van verschil. Maar als de conclusie vervolgens luidt dat elke emancipatiestrijd zinloos is, want sowieso verzandt in dogmatiek, is dat het tegendeel van haar streven: de status quo doorbreken.

In Prometheus muntte Van Bruggen de term ‘immanent dogma’: de diepste levensovertuiging van een individu, tot stand gekomen op grond van ervaring en studie, niet te verwarren met collectieve opinies. Werkelijk eenheidsbesef, een inzicht in de verbondenheid van mensen, naties en levensbeschouwingen, kon volgens haar niet anders tot uiting komen dan in paradoxen en gelaagde verhalen, met andere woorden: in literatuur. 

Ze noemde zoals gezegd Galsworthy en France, terwijl andere, modernere voorbeelden zich weldra zouden aandienen. In 1925 bekritiseerde Virginia Woolf in het essay ‘Modern Fiction’ (The Common Reader) het schematische proza van Galsworthy juist omdat het er níét in slaagde het allermoeilijkste vast te leggen, namelijk het vluchtige gedachteleven van alledag. Woolf bracht Ulysses van James Joyce onder de aandacht, dat 

in 1922 bij een Parijse uitgever in de openbaarheid kwam. Haar doorbraakroman Mrs. Dalloway (1925) is onder meer een poging dat meesterwerk te emuleren. Zelf zou Van Bruggen de stap naar het modernisme zetten met de roman Eva (1927), vermoedelijk zonder Joyce of Woolf te hebben gelezen.



Dwepen met vrijheid

Vanuit haar eigen achtergrond, een meisje dat opgroeide in een orthodox-Joods gezin, voor wie een rol als ‘verzorgster’ was weggelegd, schrijft Van Bruggen zowel kritisch als begripvol over behoudsgezinde gemeenschappen. In De verlatene valt te lezen dat de oude, religieuze tradities de macht van de patriarchen in stand hielden en intellectuele ontwikkeling blokkeerden. Maar ook dat Nederlandse Joden bij aanvang van de twintigste eeuw voortdurend en openlijk werden gediscrimineerd. 

Bij gebrek aan vernieuwing stroomde de Joodse gemeentes leeg. In de roman nemen de jongere leden van het gezin elk op hun eigen manier afscheid van het strikte geloof. Dochter Roosje blijft lang thuis wonen, om voor haar vader te zorgen, en ontmoet dan in de bibliotheek van het Nut van ‘t Algemeen een attente gojse man. Zoon Daniël – deels gebaseerd op Van Bruggens broer Jacob Israël de Haan – probeert aansluiting te vinden bij het socialistische studentenmilieu, maar raakt verbitterd als hij te maken krijgt met racisme. Hij trekt zich steeds verder terug en vereenzaamt. Als hij eindelijk een geliefde krijgt, kwelt hij haar met strikvragen om te achterhalen of zij toch niet ook antisemitisch is; de relatie houdt geen stand.

Voor Van Bruggen is het een bevrijding geweest zich los te maken van het geloof en religieuze geboden. In 1926 berichtte ze, na een bezoek aan Oostenrijk, over de opkomst van de swastika in het straatbeeld, en het anti-Joodse sentiment in Tirol, dat ondertussen al te graag Joodse toeristen bleef ontvangen. Haar broer Jacob Israël de Haan was toen al naar Palestina vertrokken, in weerwil van Van Bruggen, die het zionisme als vorm van nationalisme beschouwde, waarbij verschillen werden verabsoluteerd tot onoverbrugbare kloven. De Haan bekeerde zich in het heilige land tot een antizionistische Joodse stroming die toenadering tot de Arabieren in het land zocht; hij werd in 1924 vermoord door een zionistische extremist. 

Carry van Bruggen overleed in 1932, toen ze met een overdosis slaapmiddelen een einde aan haar leven maakte. Ze leed aan een zware depressie, volgens naasten mede veroorzaakt door het vele werken. Haar beide kinderen overleefden de oorlog. Haar zus Henriëtte Hoogstraal-De Haan, gemeenteraadslid voor de socialisten in Apeldoorn, werd in 1943 in Auschwitz vermoord.

Na de Tweede Wereldoorlog, in 1946, verscheen van Prometheus een tweede druk, met een voorwoord van Hans Gomperts, waarin hij het sluimerende nihilisme van de moderne Prometheus herkende in de dreigende atoombom. De kritiek die in Prometheus op ‘de staat’ werd geleverd, kwam na de oorlog in een ander licht te staan. Na de verschrikkingen van het totalitarisme won het begrip ‘rechtsstatelijkheid’, dat ongenoemd blijft in Prometheus, aan betekenis. In de naoorlogse periode was er één onrecht dat door elke staat werd toegestaan, of beter gezegd: veroorzaakt, namelijk dat al degenen die géén nationaliteit bezaten, onder meer omdat die hun was ontnomen door de nazi’s, geen enkel recht meer hadden. Dat heeft Hannah Arendt benadrukt in haar pleidooi voor het ‘recht op rechten’. 

De leden van de collectiviteit, schrijft Van Bruggen in Prometheus, kunnen ‘heden dwepen met “Vrijheid” en morgen op revolutionairen schieten – heden tranen plengen op de graven hunner martelaren en morgen andersdenkenden als ketters verbranden, ze dwepen met “de waarheid” en liegen voortdurend zonder het te bemerken, ze schrijven op het eene blaadje “Hebt elkander lief” en op het andere blaadje “Al te goed is buurmans gek”.’

Van Daniël Rovers (1975) verscheen in 2022 de roman Vergeten meesters, in 2023 de essaybundel In één vloeiende beweging. Aan de schrijfacademie van de VU gaf hij colleges over Carry van Bruggen en Frans Kellendonk.

Meer van deze auteur