Tijdens de Slag om Aleppo ontdekte ik een wonder. De stad werd toen regel­matig gebombardeerd, en verwoesting en vernieling werden het nieuwe normaal. Het was een wirwar van vreemde vlaggen en incoherente bevelen. Ik woonde in het centrum en kon zelden de deur uit. Vreemde vijanden en vreemdere vrienden bleven komen en gaan, terwijl de grond regelmatig trilde onder het geweld van de ene wereldmacht na de andere, terwijl mijn gebeden trager en trager werden.
Syriërs gevolgd door Russen, Koerden gevolgd door Syriërs, Russen en Amerikanen die Arabisch spraken, en chaos bovenal. We zaten gevangen tussen leeuwen en aasgieren. Mijn huis was een kooi geworden. Ik wou vluchten. Ik wou blijven. Het verschilde van dag tot dag.
Het was een erg zware aanval, en de eerste keer in maanden dat ik echt vreesde voor mijn leven. Half struikelend had ik me een weg gebaand naar de oude schuilkelder, waar ik mijn koffers al een jaar geleden had verstopt, in een waas van dwaas optimisme, zodat ze klaar zouden staan wanneer de kans zich voordeed om alles achter te laten en de stad te ontvluchten. De kruipruimte was erg zielig voor een ‘schuilkelder’, maar het kon er net mee door. Een ruimte omringd door ongelijke stenen, samengehouden door korrelig cement, en ze bevatte niet meer dan mijn trieste koffers en een oude legerlantaarn die het mogelijk maakte een aantal goed­kope paperbacks te lezen. Ik had ernaar uitgekeken om die vergeelde bladzijden weer door te bladeren, om te schuilen in de literatuur, maar ik had het luik nog niet achter me dicht laten vallen of de wereld werd uiteengereten. Ik zag nog net hoe het plafond met enorm gedaver inzakte voordat ik door het donker werd opgeslokt.

Mijn mond was kurkdroog toen ik wakker werd. Ik had niks gebroken, maar mijn lantaarn had dat geluk niet. Mijn vingers waren bebloed, ik was zo goed als blind. Glas en gruis, de geur van bloed, en stof dat met iedere ademteug mijn keel verder verstikte. Op de tast vond ik het luik, maar het gaf niet mee. Ik was bereid om me over te geven aan de opsluiting in mijn duistere tombe toen ik iets in mijn nek voelde. Een spookachtig briesje dat door de kleine ruimte danste. Het kroop over me heen. Blies zachtjes uit een gat in de ingevallen muur. Ik gooide er een brokstuk doorheen, en luisterde naar het wegstervende gebonk, en daarna naar de holle echo, alsof ik in een theater stond. De oorlog had me geleerd niet te wachten. Ik kroop naar de donkere opening waar het briesje zachtjes uit floot. Het gat was dieper dan ik had verwacht, een tunnel gevuld met de klamme kou van aarde, van de nacht buiten de stad, van de lach van een veinzer. Er was geen geluid in de tunnel. Ik hoorde geen ontploffingen meer, voelde geen trillingen. Het was de eerste keer in jaren dat er zoveel stilte was. Het plafond werd stukje bij beetje hoger, en uiteindelijk verwijdde de tunnel zich zo ver dat ik mijn beurse benen kon strekken. Het was er gulzig donker, de nacht was er niks bij. Het is moeilijk om te peilen hoe diep ik was gegaan. Zonder licht verliest ruimte haar ruimtelijkheid.
Na een tijd lopen besloot ik even te rusten en de stilte op me in te laten werken, het donker en het volstrekte gebrek aan welke gebeurtenis dan ook. Het was fijn onder de wereld op een manier die slechts weinigen zullen begrijpen. Als er elke dag iets heftigs plaatsvindt, zijn stille, lege dagen een zegen. Onwillekeurig dacht ik aan Saddam Husseins verwilderde gezicht. Hij had zijn dagen ook onder de grond gesleten. Ik strekte mijn benen weer uit, en mijn armen. Het was een luxe die Saddam niet had gekend.
Tegen de tijd dat mijn ogen gewend waren geraakt aan het donker, bemerkte ik de spinnenwebben die langs de muren hingen, de kleine paddenstoelen die uit de muren ontsproten, met hun eigen spookachtige gloed. Het verbaasde me dat er muren waren. Ze waren niet goed gebouwd maar oneffen. Hier en daar waren er tegeltjes zichtbaar. Een pilaar ondersteunde het plafond, ertegenover stond er nog een. Aleppo was een oude stad, ik had gelezen over de geschiedenis, ik had er colleges over gevolgd. Nergens had ik iets gehoord over ruïnes zo diep onder de stad. Ik voelde de drang om terug te gaan en nog eens te proberen het luik te openen, maar dat luik leek slechts een vage herinnering.

Toen verscheen het. Een fel licht aan het einde van de tunnel. Het licht was genoeg om de muren beter te kunnen zien; ruwe, gestapelde blokken, ooit betegeld maar nu grotendeels kaal. Net toen ik eraan begon te wennen verdween het licht, alsof er een lamp werd gedoofd. Soldaten, was mijn eerste gedachte, rebellen of het nationale leger, die zich vanwege een militaire operatie in de tunnels onder de stad bevonden. Het licht ging weer aan, ik liep er langzaam op af. Het was geen kaars, geen vuur of lamp, en het kwam van de vloer af. Het was rond, en ongeveer zo groot als een meloen. Het lag tussen de restanten van een kist, versplinterde plankjes van licht en fijn hout. Ik bukte om ze van dichterbij te bekijken. Ze waren beschilderd met bladgoud, nu afgebladderd. Het licht ging weer uit, op de tast ging ik verder. Ik schreeuwde toen mijn vingers vettig, dik haar raakten, een kreet die lang door de tunnel kaatste. Geschokt krabbelde ik terug over de stoffige grond. Het ding draaide en overgoot me met licht. Het was geen lantaarn. Het was een hoofd, netjes bij de nek afgesneden. Er sijpelde zelfs bloed uit de wond, en het lange zwarte haar was ermee doorweekt. Licht stroomde uit de oogkassen en de mond, alsof er in het hoofd een smeltoven brandde, het sijpelde over bruine wangen, die bedekt waren met een korte zwarte baard. Het hoofd leek vers van het hakblok te komen, terwijl de tunnels duidelijk in decennia niet waren betreden, misschien wel langer. De ogen knipperden, het licht stierf telkens weg in die milliseconde dat de ogen even gesloten waren.
Hijgend staarde ik het aan. Er was niks te zeggen, en in stilte zat ik in het licht. Het hoofd sprak met een zachte stem. Een stem als zand op zand. ‘As-salamu alaykum.’ Een vreemde tongval, dichter bij Perzisch dan Arabisch. Er ontsnapte me een lach. ‘En vrede zij met jou,’ zei ik vervolgens, beleefdheid moet je immers altijd betrachten. ‘Het spijt me dat ik je gestoord heb, mijn kelder…’ De verklaring stierf op mijn lippen, te absurd om te delen. Mijn hele jeugd had ik verhalen gehoord over de djinn, de ghûls die op de begraafplaatsen rondzwierven, de kwade geesten die in de grotten huisden. Alle verhalen die ik kende, hadden me geleerd dat er maar twee uitkomsten waren in deze situatie: ik zou beleefd zijn en blijven leven, of ik zou beleefd zijn en aan stukken gereten worden.
‘Verre van gestoord,’ sprak het hoofd, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Toen weer stilte.
‘Wat ben je?’ vroeg ik toen ik de stilte niet meer kon verdragen.
‘Gevuld met licht.’ Op het vreemde gelaat verscheen een lachje.
‘Ah, ha,’ bracht ik verward uit.
‘Wat denk jij dat ik ben?’ sprak het met die archaïsche woordkeuze die niet goed in vertaling overgedragen kan worden, onnodig formeel en poëtisch, klassiek Arabisch.
‘Een djinn?’ antwoordde ik.
Ik wou de verschijning niet beschuldigen en voegde vlug nog wat hypotheses toe aan de lijst. ‘Een militair experiment, of misschien zijn de tunnels gevuld met een of ander hallucinogeen?’
Een frons verscheen op het gelaat. ‘Waarom zeg je dat?’
‘Je bent immers een pratend hoofd,’ was mijn antwoord.
Zijn reactie kwam snel: ‘Wat hoort een hoofd anders te doen?’

Ik weet niet hoelang ik met het hoofd in de tunnel heb gezeten — lang genoeg om het naar zijn naam te vragen.
Hij fronste terwijl hij nadacht. ‘Ze noemden mij Shihab, toen ik nog was.’ Mijn onthoofde vriend deed meer van dit soort vreemde uitspraken. Hij was een mens geweest, lang geleden. Hij vertelde me over zijn reizen, en over de conflicten die hij overal om zich heen zag, de machthebbers met wie hij zich geconfronteerd zag, de Seltsjoeken. Zijn verhaal lag dichter bij de twaalfde eeuw dan bij de onze.
Hij vroeg op zijn beurt naar mijn naam, leeftijd en mijn vreemde accent. De tijd was speels in die stille tunnels.
Ik lag te wachten op mijn kans, bang dat mijn vraag onbeleefd kon zijn, of ongepast. ‘Hoe ben je hier terechtgekomen?’
Het hoofd schokte, alsof het probeerde niet-bestaande schouders op te halen. ‘Op een gegeven moment ben je in het leven, en het volgende moment niet. Gods wil doet mij ontwaken, en het licht houdt me wakker. Gisteren sprak ik een Jood, die mij vertelde dat de Romeinen en de Mongolen de burgers aan het afslachten en de stad aan het plunderen waren. Hij dacht dat ik een heilige was.’ Het hoofd rolde van me weg en scheen zijn licht op een gebroken olielamp die tegen de afgebrokkelde muur lag. ‘Ik vertelde hem dat bloed diep de grond in trekt, en dat de grond een lang geheugen heeft. Na hem zag ik een Mongool, die met haar kind in de armen door de tunnels rende. Ze sprak geen Perzisch, geen Arabisch, en ze rende weg toen mijn licht op haar viel. Na haar verscheen er een man in een harnas, die ook geen Arabisch of Perzisch sprak.’ Het hoofd rolde weer om, ik werd andermaal overspoeld door licht. ‘Nog vele anderen, met vreemde talen en vreemde kleren. Jij bent slechts de volgende of de vorige.’
‘Wat is er gebeurd met ze?’ vroeg ik, terwijl mijn maag zich omdraaide. Ik zag mezelf hier al zitten, tot het uur dat de wereld zou doven.
‘Ze waren hier net nog,’ zei hij, ‘en ze zullen er zo ook weer zijn.’ Hij sloot zijn ogen, en de diepe duisternis viel weer om mij heen.
Meermaals vroeg ik hem om zijn licht te ontsteken, het bleef stil en donker. Totdat ik in de verte een lichtpuntje zag dansen. In de veronderstelling dat het Shihab was, stond ik op en liep erheen. Het licht was niet goud maar wit en gebroken, erachter zag ik een silhouet bewegen.
Het was een mens, met een hoofd waar het hoorde.
‘Stop!’ schreeuwde de vrouw, haar stem was krachtig in de kleine tunnel. ‘Hands in the air!’ Later herhaalde ze het in het Arabisch, dat ze niet goed machtig was.
Rustig deed ik wat me gevraagd werd. ‘I am a civilian,’ vertelde ik haar, overdreven kalm, zoals altijd als ik met soldaten moet spreken, alsof het kinderen zijn.
Ze was alleen, en had een automatisch wapen vast waar een zaklamp op was bevestigd. Ze was buiten adem, haar gezicht was bedekt met stof, en haar donkerblonde haar zat in een strak knotje dat dreigde los te raken. Zonder pardon duwde ze me tegen de muur, en groef in mijn zakken. Niks interessants: een oude aansteker, knopen, een leeg pakje sigaretten, een half pakje kauwgom.
‘Where are we?’ vroeg ze, het wapen nog steeds op mij gericht.
‘Under the city,’ zei ik. Weer vond ik mezelf in die stilte die ik nergens anders heb ervaren dan in die tunnels.
‘How did you get in here?’ vroeg ze me uiteindelijk, toen ze op adem was gekomen.
‘Through my cellar.’ Ik kon een glimlach niet van mijn gezicht houden. Het was absurd om de oorlog hier ook tegen te komen. Mijn Engels was niet goed genoeg om haar het hele voorval te vertellen, maar met de nodige handbewegingen lukte het me om haar een en ander duidelijk te maken. Mijn huis was gebombardeerd, ik had me in de kelder verscholen en was de tunnel in gekropen.
Haar verhaal was anders. Als ik haar goed begreep was ze militair ingenieur, hierheen gestuurd om zich bezig te houden met mijnenvelden, bruggen en bunkers. Tijdens een van deze missies waren ze overvallen door rebellen.
‘Just now, they opened fire on us,’ zei ze, rustiger nu. Ondertussen had ze haar wapen laten zakken. ‘I chased one into the rubble, into the tunnel.’ Haar ogen werden wijder, alsof ze zich eindelijk realiseerde waar ze was. Ze keek achterom, toen weer naar voren, en beet op haar lip. ‘Stay here,’ zei ze, en hief haar wapen.
Het donker slokte haar na nog geen drie stappen weer op, en ik heb haar nooit meer teruggezien. Als ik haar goed had begrepen, was ze twee jaar ervoor de tunnel in gegaan, niet een paar minuten geleden, zoals ze beweerde.

Het duurde een eeuwigheid voordat mijn vermoeide ogen weer werden bloot­gesteld aan dat gouden licht, alsof er een ster voor mijn voeten gloeide. Shihab zei niets, zijn adem was rustig. De olielamp, die eeuwenoud moest zijn geweest, lag nog tegen de muur aan. Ik veegde de spinnenwebben eraf, blies het stof eruit en legde hem bij mijn voeten neer. ‘Zou je hier weg willen?’ vroeg ik Shihab.
‘Ik weet niet waar ik ben,’ antwoordde hij. ‘Wil jij hier weg?’ vroeg hij me vervolgens, met een zweem van interesse in zijn stem.
‘Ik wil naar huis, als het nog bestaat.’ De tunnel was niet onaangenaam, en ik leek er geen honger te krijgen, maar ik had heimwee en werd triest van de tunnel. Waar eerst verwondering was geweest, had ik nu vooral medelijden. Medelijden met Shihab, de Jood, en de Mongool, en de soldaat, en de Fransen. Ik had medelijden met mezelf, met de stad, het land, en de wereld. Met mijn vinger trok ik een lijn door zijn bloed, dat een warme plas op de grond had gevormd. ‘Zou ik je even mogen lenen?’ vroeg ik het hoofd, dat instemde. Voorzichtig greep ik zijn dikke haar vast, en tilde het hoofd voorzichtig van de grond.
Als een lantaarn hield ik het voor me uit, terwijl het bloed over mijn voeten heen druppelde. Het was warm, olieachtig, helemaal niet als water. Langzaam begon ik te lopen. Hij vertelde me meer, maar hoe langer we liepen, des te minder ik begreep. Hij vroeg me over de moskeeën en minaretten van zijn jeugd, over de geleerden die hij had gesproken, en of we al een ‘verlichte kalief’ hadden.
‘We hebben geen kalief meer,’ antwoordde ik. Ik probeerde het bloed dat uit zijn nek sijpelde te ontwijken, maar dit bleek onmogelijk, mijn benen zaten onder de spetters. Plots rende er een kleine jongen langs, een zwarte kat in de armen geklemd. Zijn ogen waren wijdopen, en zijn mond was een dunne lijn van angst of concentratie. Ik riep de jongen na, maar hij stopte niet. Buiten het licht van mijn lantaarn was er niks te zien, niet eens de oude muren. De jongen was niet de eerste verschijning die ik zag, maar wel de enige die ik me nog goed kan herinneren. Mijn geheugen van die laatste momenten is vaag, alsof ik door een duister glas kijk.
‘Thuis is altijd dichterbij dan je denkt. Je kan vergeten, maar je zal leven, en leven is een grotere gift dan geheugen,’ zei hij voordat zijn adem stokte in de keel. ‘Ik zie het nu,’ vervolgde hij. ‘Ik ben geen kaars; ik ben een spiegel en —’ Zijn
woorden vielen met zijn hoofd mee toen mijn grip op zijn haar verzwakte, en in die seconde glipte hij uit mijn hand en schijnbaar uit de wereld. Er was geen plof, geen impact. Het ene moment viel hij, een evenbeeld van brandende verlichting —zijn donkere haar wijd om zijn hoofd heen, zijn mond en ogen brandende cirkels —, het volgende moment was hij weg. Ik bleef achter in het donker, en liep blind het donker door. Ik weet niet wat ik anders had kunnen doen.

Het bleek dat ik geen huis meer had toen ik terug was in Aleppo. Ik weet niet hoe ik er kwam. De tunnel kende geen einde, had geen uitgang. Het ene ogenblik liep ik nog onder de wereld door, en het volgende stond ik op het plein voor de Citadel van Aleppo. Een toerist zag me en begon te schreeuwen.
De politieagent die op me afkwam trok lijkbleek weg, en riep om een ambulance
op zijn radio. Het gouden zonlicht was fel, en ik hield mijn handen voor mijn ogen.
Er was veel geluid; auto’s en mensen, vogels in de lucht. Een absolute afwezigheid van bommen, van kogels. Toen ik mijn handen langzaam liet zakken was de agent dichterbij gekomen. Hij vroeg of het goed ging, wat er was gebeurd. Hij had restjes ei in zijn borstelige snor zitten. Ik volgde zijn blik omlaag, en zag hoe mijn shirt gescheurd was en onder het bloed zat. Mijn voeten waren er rood van, evenals mijn handen. De meest morbide henna ter wereld. De ambulance was er snel bij. Ze konden geen wonden vinden, maar het bloed was vers.
Uiteindelijk hielden ze me een dag lang vast op het politiebureau, voordat ze me naar huis stuurden met schone kleren. Toen ze me voor de deur van het gebouw afzetten, vertelde ik ze dat dat niet mijn huis was, maar ze bleven maar praten over registratie en hadden duidelijk geen zin om zich verder om me te bekommeren. Ik had ze verteld over het hoofd, over de tunnel, over het licht, en dat was mijn ver­gissing geweest. Ze wilden niks te maken hebben met een gek, en zetten me zonder omhaal af in een straat die ik slechts vaag herkende. Uiteindelijk kon ik terecht bij mijn broer, die aan de andere kant van de stad woonde. Hij barstte in tranen uit toen hij me zag. Hij dacht dat ik was gestorven bij het bombardement dat mijn huis drie jaar eerder had verwoest. Na de ervaring met de paramedici wou ik hem niet ook een excuus geven om me te mijden. Hij nam genoegen met de leugen dat ik in Libanon was geweest om bij een uitgeverij te werken. Sindsdien heb ik niemand verteld over de tunnels onder Aleppo, over de tijd die levens vangt, over de herinnering van licht. ¶

Ilyasse Ouanani (1999) volgt de onderzoeksmaster filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Dit is zijn eerste publicatie in De Gids.

Meer van deze auteur