In Rainer Maria Rilke’s gedicht “Der Panther” (1903) wordt een panter beschreven die opgesloten zit in de dierentuin van de Jardin des Plantes in Parijs. Hij is aan het ‘ijsberen’: hij loopt op en neer langs de tralies van zijn kooi, met een doodse blik in zijn ogen. Hij ziet alleen maar tralies, een eindeloze reeks aan tralies, want hij passeert ze steeds opnieuw en opnieuw. “Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäbe keine Welt.“ Zijn pas is soepel en krachtig, maar leidt nergens heen: hij loopt rond in kleine cirkels. De beweging heeft geen doel meer, en is daarmee een soort dans geworden: “ein Tanz von Kraft um eine Mitte / in der betäubt ein großer Wille steht.“
“Der Panther” geldt als een van Rilkes bekendste Dinggedichte. In een Dinggedicht wordt, aldus de uitvinder van deze term, via een nauwkeurige beschrijving van uiterlijke kenmerken geprobeerd door te dringen tot het innerlijke wezen van een ‘ding’. Het perspectief van de toeschouwer of dichter wordt daarbij niet expliciet gemaakt: we blijven in de derde persoon. In “Der Panther” hebben we niet zozeer te maken met een ding, maar met iemand die door zijn opsluiting ‘tot ding gemaakt’ is: de panter kan niets meer zien, kan niets doen, kan nergens heen. Zijn grote wil is ergens in hem misschien nog aanwezig, maar verdoofd en machteloos.
Je kunt het gedicht lezen als een kritiek op de wreedheid van dierentuinen, of op de situatie van deze specifieke gekooide panter. Maar een metapoëticale interpretatie is ook mogelijk: de spijlen of tralies waar de panter keer op keer langsloopt zijn dan de regels van het gedicht, die in hun cadans de herhaling van zijn voetstappen laten horen. De regel “Tanz von Kraft um eine Mitte” staat niet voor niets precies in het midden van het gedicht; het gedicht zelf is deze dans. Zo beschouwd wordt het gedicht een poging om iets wilds, een levende kracht, te vangen. Maar in die vangst gaat het fundamentele nu juist verloren, en worden de wil en de wildheid van het dier kapotgemaakt.
Zoiets moet althans de interpretatie zijn geweest van Ted Hughes, die in zijn gedicht “The Jaguar” (1957) duidelijk op Rilkes gedicht reageert, en een soort metapoëticale kritiek lijkt te leveren. Ook in dit gedicht is er sprake van een dierentuin. We krijgen niet meteen het titeldier te zien: in de eerste twee strofes komen apen, papegaaien, een tijger, een leeuw en een boa constrictor langs. Al deze dieren liggen er verveeld en lethargisch bij. Het perspectief, zo leren we in de derde strofe, is dat van een dierentuinbezoeker. De bezoeker snelt alle saaie dieren voorbij om aan te komen bij de kooi waarin een jaguar rondloopt. En dan volgt de crux: dit dier is niet, zoals de panter van Rilke, depressief geworden in zijn gevangenschap. “He spins from the bars, but there’s no cage to him // More than to the visionary his cell: / His stride is wildernesses of freedom: / The world rolls under the long thrust of his heel. / Over the cage floor the horizons come.”
Hughes publiceerde veel diergedichten, en reflecteerde bovendien uitvoerig op de rol van dieren in zijn poëzie. In “Capturing Animals”, een essay dat hij schreef voor een educatief BBC-radioprogramma en later opnam in Poetry in the Making (1967), lezen we het volgende: “In a way, I suppose, I think of poems as a sort of animal. They have their own life, like animals, by which I mean that they seem quite separate from any person, even from their author, and nothing can be added to them or taken away without maiming and perhaps even killing them.”
Als het gedicht een dier is, wie is de dichter dan? Hughes is hier duidelijk over: de dichter is een jager. Schrijven is een proces van jagen op gedachten, ervaringen en indrukken die moeilijk te grijpen zijn, die normaal gesproken door je vingers dreigen te glippen. Een goede dichter kan ze te pakken krijgen en vastzetten in een gedicht, zodat ze goed kunnen worden bekeken. Het voltooide gedicht is dus een gevangen dier: “a new specimen of the life outside of your own.” Anders dan Rilke, die in “Der Panther” suggereert dat gevangenschap de levenskracht van een dier kapotmaakt, lijkt Hughes te geloven dat het mogelijk is om iets levends te vangen en op te sluiten zonder dat het daarbij zijn wildheid, vreemdheid en vitaliteit verliest.
Hughes werkte in 1954 een tijdje als afwasser in de dierentuin in Regent’s Park, Londen. Het keukenraam waaraan hij werkte, keek uit op de kooi van een jaguar, en Hughes zou het eerder besproken gedicht op zijn observatie van dit echte dier hebben gebaseerd. Geloofde Hughes echt dat deze ijsberende jaguar niet wist dat hij gevangen zat, dat zijn opsluiting hem niets deed? Of moest Hughes dit zichzelf vertellen, omdat anders de metafoor waarop zijn jagerspoëtica berustte ineen zou storten? De dierenpoëzie van Hughes wordt vaak gelauwerd omdat ze erin zou slagen de essentie van echte dieren te vatten, in plaats van hen te reduceren tot levenloze metaforen of symbolen. Maar het is de vraag of het Hughes werkelijk om echte dieren te doen was. Ik denk van niet. In “Capturing Animals” bespreekt hij een ander dierengedicht van zijn hand, genaamd “The Thought-Fox”. Over dit gedicht schrijft hij: “In some ways my fox is better than an ordinary fox. It will live forever, it will never suffer from hunger or hounds. I have it with me wherever I go. And I made it.”
Wat een opmerking! Wat een hybris! Ik vind dat Ted Hughes best een paar mooie gedichten heeft geschreven, maar het idee dat een gedicht beter zou kunnen zijn dan een vos, een echte vos? Een levend dier, met oren en ogen en snorharen en een ongelooflijke staart, met zijn eigen gewoontes en herinneringen en voorkeuren, een echte vos in de echte wereld? Met deze opmerking laat Hughes wat mij betreft zien dat hij uiteindelijk weinig opheeft met het echte, wilde, vreemde dier waar het hem in zijn poëzie zogenaamd om te doen is. Hughes verkiest één onsterfelijke nepvos in zijn hand boven tien echte vossen die buiten zijn bereik, buiten hem om, hun eigen leven leiden. Een gedicht kan een mooi eerbetoon zijn aan iets of iemand, maar zodra het beweert datgene waaraan het eer betoont te kunnen vervangen of zelfs te kunnen overtreffen, ligt er een akelig soort solipsisme op de loer: een onvermogen om de ander te waarderen juist voor zover die zich niet door jou laat vangen, bezitten of begrijpen.
De derde en laatste katachtige die ik wil bespreken, komt uit een gedicht van Jorge Luis Borges, getiteld “El otro tigre” (1960). In dit gedicht staat het metapoëticale aspect centraal: de setting is geen dierentuin, maar een bibliotheek. De eerste regel: “Pienso en un tigre.” Dan volgt een evocatieve beschrijving van de manier waarop deze wilde tijger zich door de wereld beweegt: hij overbrugt “las bárbaras distancias” en snuffelt rond “en el trenzado laberinto / de los olores”. Maar dan onderbreekt de dichter zichzelf opeens: hij beseft dat de tijger van zijn gedicht “un tigre de símbolos y sombras” is, een verzameling literaire gemeenplaatsen waarmee hij alleen via boeken vertrouwd is. Deze tijger is niets anders dan een construct van woorden. De dichter doet een nieuwe poging, en dan komt tijger nummer twee:
Al tigre de los simbolos he opuesto
el verdadero, el de caliente sangre,
el que diezma la tribu de los búfalos
y hoy, 3 de agosto del 59,
alarga en la pradera una pausada
sombra…
Ik heb tegenover dat symbolisch dier
het ware, het warmbloedige geplaatst
dat huishoudt in de kudde van de buffels,
en nu, op 3 augustus ’59,
een onderbroken schaduw werpt op het gras…
Maar daar hebben we de sombra weer. De dichter probeert bij de echte, niet-symbolische tijger te komen door concreter te worden: de tijger die op dit moment in leven is, die een echt effect op de wereld heeft… maar realiseert zich al snel dat ook deze tweede poging niet kan slagen:
… pero ya el hecho de nombrarlo
y de conjeturar su circunstancia
lo hace ficción del arte y no criatura
viviente de las que andan por la tierra.
…maar louter door het feit dat ik hem benoem
en naar zijn leven gis, verandert hij
in kunst, en is hij geen levend schepsel
onder de vele die op aarde gaan.
Ook deze tweede tijger was niet echt, helaas. Maar ondanks het feit dat de dichter zich realiseert dat al zijn pogingen tevergeefs gaan zijn, kan hij zichzelf er niet toe brengen om op te geven:
Un tercer tigre buscaremos. Éste
será como los otros una forma
de mi sueño, un sistema de palabras
humanas y no el tigre vertebrado
que, más allá de las mitologías,
pisa la tierra. Bien lo sé, pero algo
me impone esta aventura indefinida,
insensata y antigua, y persevero
en buscar por el tiempo de la tarde
el otro tigre, el que no está en el verso.
Wij zullen naar een derde tijger zoeken.
Deze zal opnieuw een droomgestalte zijn,
een samenstel van woorden en niet meer
de tijger die met sterke ruggengraat,
los van mythologische bedenksels,
op de aarde stapt. Ik weet het wel, maar iets
verplicht me tot dit onbestemde, dwaze,
dit aloude avontuur, en ik volhard
en breng mijn schemeruren door met zoeken
naar de andere tijger, die niet zit in het vers.
Ik weet niet hoe waarschijnlijk het is dat Borges de dierenpoëzie van Hughes heeft gelezen, maar dit gedicht komt mij voor als een keurige Aufhebung van de dialectische beweging tussen Rilke en Hughes. Rilke zegt: we kunnen een dier niet vangen zonder zijn wildheid en vreemdheid kapot te maken. Hughes zegt: jawel hoor, een goede jager-dichter kan daarin slagen. Borges zegt: realiseer je dat het niet mogelijk is, maar blijf het toch maar proberen.
Vertaling Barber van de Pol (1989).