Redactioneel
De autoverkoper is een corpulente man met een ondefinieerbare lichaamsgeur. Ze blijft dicht in zijn buurt, ademt zijn lucht in, ze zou zijn gezicht likken als het moest. Haar nabijheid grijpt hem zichtbaar aan, een filmpje zweet vormt zich op zijn bovenlip, hij is eraan gewend dat mensen afstand houden en zij staat zo dichtbij dat hij haar warmte voelt.
Ze wil een auto als een roofdier, zwaar, donker. Ze noemt het type. Hij knikt instemmend en gaat haar voor. Trots wijst hij op het nieuwste model, alsof hij de wagen net zelf voor haar in elkaar heeft gezet. Staal, kracht, geweld.
Ze laat haar handen met poederroze latex nagels over de zwarte lak gaan. Tikt er zachtjes op. Opent de deur, ruikt het nieuw, zakt in de zoet geurende leren stoel. Zacht, als de nek van een jonge hond. De strakke pumps die haar circulatie beknellen doet ze uit, ze zet haar voetzool op het koude pedaal en voelt haar bloed stromen.
Het is bijna einde Qtwee. Ze is onderweg naar haar laatste deal. Zelfs als ze deze niet sluit, eindigt ze bovenaan. Tussen haar en de nummer 2 zit 13 miljoen.
Marcel, op z’n Frans, met de klemtoon op de laatste lettergreep, is haar manager. Om hem te pesten noemt ze hem steevast Márcel. Hij had haar gevraagd nog even te bellen voor ze bij de klant zou aankomen. ‘Niet dat je het nodig hebt, maar gewoon, even touch base.’
Een telefoontje zou een kleine moeite zijn geweest, het zou haar sympathie opleveren, maar als ze ergens geen behoefte aan heeft is het nog meer sympathie van hem. Ze belt niet, die keuze is makkelijk. Dat ze er überhaupt over nadenkt stoort haar.
Rijden is het nauwelijks te noemen, de nieuwe wagen glijdt. Links en rechts laat ze vaag gekleurde vlekken achter zich. Soms klinkt het geluid van een wegstervende claxon. Het is haar derde van dit jaar. De andere twee staan in de garage – verkopen kan, maar kost tijd en tijd is geld, al is er geld als water.
Ze is maanden met deze klant bezig geweest, een Vlaamse bullebak die haar consequent bij een andere naam noemt. Het doet haar niets, of hij nu Annabel, Annette of Tamara zegt, zij heeft haar doel. Wel is ze zo verstandig gebelgd te reageren, zodat ze hem de genoegdoening gunt haar te raken.
De Vlaming laat een bewonderende blik over de auto glijden als ze uitstapt. Ze kijkt langs hem heen. Zo meteen zal ze een handtekening van hem krijgen waarmee ze een zes nullen tellende verkoop sluit en ze zal hem behandelen alsof hij een minnaar is op wie ze is uitgekeken.
Op de terugweg belt ze Marcel wel. Ze voelt een opwinding die haar voor een kort ogenblik onzeker maakt.
‘En?’ hijgt hij, ze weet dat hij zich op dit tijdstip op zijn cardioapparaat aan het uitsloven is. Ze laat expres een stilte vallen en zucht overdreven. Er is niets dat ze liever doet dan zijn gevoeligheden bespelen. Ze hoort hoe hij zijn adem naar binnen zuigt.
‘Binnen.’
‘Jij beest.’ Nog meer gehijg.
Ze hangt hem op en zet de radio aan. De tonen van een wee r&b-nummer uit haar tienertijd rollen uit de hitech boxen, de chemische geur van haarlak, fietsen met een korte rok tot haar middel omhooggetrokken, tussen andere meiden, allemaal blond, natuurlijk of anderszins, hun aan vruchtbare hormonen onderhavige huid onder een dikke laag foundation verstopt. Zij fietst voorop, haar huid is schoon, haar haren van het fluweligste blond en haar borst plat als van een jongen. De rest van de meisjes fietst half naast, half achter haar, gehoorzaam als een roedel afgerichte honden.
Snel zoekt ze een andere zender, geen zin in vals sentiment, ze stopt bij een bonkende beat, draait het volume omhoog, jaagt de auto hard over de weg en negeert de flitspaal, de vierde die dag.
Maandagochtend, vergadering. Team gathering, noemt Marcel het tot haar ergernis. Hij heeft wat lekkers meegenomen, kleverige donuts, een van de treurigste snacks, om de ochtend op z’n Amerikaans te beginnen. Ze werken in een Amerikaans bedrijf en Marcel heeft zich volledig vereenzelvigd met de bedrijfscultuur, wat in zijn geval betekent dat hij zich ook als Amerikaan beschouwt, waarmee hij invulling aan zijn galmend holle identiteit geeft.
Zoals altijd zit ze achter in de ruimte, bij het raam, ze staart gebiologeerd naar de ringweg waarop de ochtendspits als een giftige slang voorbijtrekt terwijl haar mannelijke collega’s gesuikerde stukken deeg naar binnen werken. Hij noemt haar naam, waar ze eerst niet op reageert omdat ze deze bij iedere baan verandert, aan deze nieuwe is ze nog niet gewend. Pas bij de derde keer draait ze zich om. Met een kinderlijke grijns bejubelt hij haar prestaties. Niemand valt hem bij. Waarom zouden ze? Geld verdienen is oorlog, en zij heeft hun bloed aan haar handen omdat ze een meester is in vals spel zonder sporen achter te laten. Dat weet iedereen, behalve Marcel. Door haar op het schild te hijsen realiseert hij zich niet dat ze haar levend kunnen villen.
Ze maakt zich nooit kwaad, dat zou een teken van zwakte zijn. Alleen Marcel, dat is een uitzondering. Zijn eendimensionale intelligentie, zijn behoeftigheid, het kind dat hij is en dat zo zichtbaar door zijn wankele exterieur schemert.
Hij is een uitzonderlijk knappe man. Dat zou zijn redding kunnen zijn, als zijn schoonheid niet zou worden verstoord door zijn karakter, een verkeerd woord doet onmiddellijk afbreuk aan zijn wonderschone voorkomen. Ze bekijkt hem weleens als hij zich onbespied waant, om te testen hoelang ze zich tot hem aangetrokken kan voelen.
Wat haar het meest tergt is dat hij idolaat is van haar. Vanaf hun eerste ontmoeting zag ze iets in hem verzwakken. Nu ze systematisch het meest omzet, behandelt hij haar als een heilige. Zijn huwelijk lijkt bijzaak, zijn pasgeboren baby een detail op de achtergrond. Ze is gewend dat mannen hun standvastigheid verliezen wanneer ze in de buurt is, maar zo openlijk als hij de jacht op haar heeft geopend is van een ongeëvenaarde schaamteloosheid. Ze zou hem erom bewonderen als ze hem niet zwak zou vinden.
Na de vergadering houdt Marcel haar staande. Hij wil haar overhalen, een moment samen, straks, na werktijd, overleg, strategie bepalen, handig, een op een, onder vier ogen, een drankje misschien.
Haar maag draait zich om, hij is onzeker als een vrouw, kneedbaar als warm kaarsvet. In een opwelling stemt ze in, uit een gevoel van schuld, of deernis, ze weet het niet, het doet er niet toe, wat ertoe doet is dat hij haar week maakt en dat dat niet de bedoeling is. Ze ziet dat hij zijn blijdschap probeert in te slikken.
Het ligt voor de hand te denken dat ze niets voelt. Maar ze voelt heel veel. Zoals voor haar nieuwe auto. Het begint met genot, esthetisch, kinetisch, al is dat slechts de oppervlakte. Ze voelt ook een diepe genegenheid voor de betrouwbaarheid en de intelligentie van zijn technologie, en ontzag voor zijn zwijgzaamheid en kracht. Stil, sterk, intelligent en snel. Een ideale liefde.
Ze voelt als ze eet, ze houdt van kracht, zoet, geroosterd, gezouten, gegrild, geblakerd, verkoold. Van vlees, vis, ook rauw. Nog meer voelt ze bij seks. Dat is een probleem, merkte ze al vroeg. Toen ze veertien was verleidde ze de jonge conciërge van haar middelbare school, een jongen van begin twintig die niet wilde deugen.
De conciërge werd ontslagen toen ze na schooltijd waren betrapt in de kleedkamer, zij liet niets over zichzelf los tijdens de talloze gesprekken die er met haar werden gevoerd, al vermoedde ze dat ze de jongen misschien had kunnen redden. Ze proefde voor het eerst de weldaad van een onzichtbare macht.
Meer dan alles voelt ze iets bij de dood. Als ze in de weekenden gaat jagen met een paar oude dispuutgenoten zwelt haar hart zodra ze een dier in haar vizier heeft en haar vinger op het punt staat de trekker over te halen, het is alsof al haar liefde voor het dier zich in de kogel samenbalt die ze diep zijn vlees in zal jagen, eerst door de glanzende vacht, zo het zachte, weerloze lichaam in, tot ver in de dieprode organen, waar de kogel zijn wrede werk doet. Ontroerd snijdt ze het nog warme dier in stukken.
Haar moeder zei vroeger dat ze zich als een klootzak moest leren gedragen. ‘Mijn kereltje’ noemde ze haar, en kleedde haar in stugge kleren en stevige jongensschoenen, knipte haar blonde haar kort. Op de lagere school hoorde ze nog bij de jongens, rende achter de meisjes aan op het schoolplein en probeerde die dan op zachte plekken aan te raken. Tot ze verliefd werd op Tessa, een timide meisje met een ouwelijke blik. Toen ze Tessa eens in een hoek van het schoolplein had gedreven en haar resoluut met haar hele lichaam tegen het hek aan duwde, had Tessa zich omgedraaid en haar hand tussen haar benen gestopt. Ze grijnsde onverwacht vals. Je bent helemaal geen jongen, siste ze in haar oor. Die zomer, voor ze naar de middelbare school ging, liet ze haar haren groeien, haar nog platte borst liet ze uitdagend half bloot.
Toen haar moeder een paar jaar geleden overleed verwachtte ze een gevoel van verlossing. Ze droeg een zwart maatpak op de begrafenis, had haar haren afgeknipt en droeg geen make-up. Net als bij vergaderingen zat ze achterin, en ze keek naar de rug van haar vader op de eerste rij. Hij werd omringd door verschillende vrouwen, hun haren geverfd en hun oude polsen en broze nekken omhangen met dure sieraden. Tijdens de samenkomst na de begrafenis waaierden de vrouwen om haar vader als een zwerm vogels, de een haalde koffie, de ander droeg zijn jas, eentje veegde met onvaste hand een lok haar uit zijn gezicht. Zij aanschouwde het tafereel van een afstand, en bezocht daarna voor het eerst en voor het laatst het verse graf van haar moeder. Verlost was ze allerminst.
Marcel neemt haar mee naar een club die ze niet kent, ze heeft nog steeds geen idee waarom ze heeft ingestemd, haar weerzin voor hem is onverminderd en toch lukt het haar niet om zich van hem los te maken. Ze gaan aan een tafel in een donkere hoek zitten, de muren betegeld met rokerig spiegelglas.
Hij kijkt haar doordringend aan. Het smekende, onderdanige is weg. Er trekt een rilling over haar rug, haar mond is droog.
‘Ik ken jouw soort.’
Ze trekt een wenkbrauw omhoog. ‘Mijn soort?’
Dan grijpt hij haar pols, het doet pijn. Een koud, hol gevoel in haar buik. Angst. De oudste soort. Ooit was ze op safari en liep er ‘s nachts een leeuw om haar tent. Ze was in slaap gevallen.
Zijn woede is zichtbaar. Hij zweet, klemt zijn kaken op elkaar. Haar angst maakt haar weerloos, weekhartig, en ze vindt hem mooier dan ooit, terwijl hij naar haar kijkt of ze een vies insect is. Ze voelt zich misselijk worden van de vernedering.
‘En wat doe je met mijn soort?’ vraagt ze temerig.
Hij rijdt, zij kijkt uit het raam naar het verkeer dat fonkelt in het donker, en rookt een sigaret. Haar hoofd is kalm, haar lichaam geladen.
Ze kijkt opzij, naar zijn perfecte profiel, zijn schone, onbehaarde handen op het stuur. Ze heeft met hem te doen. Het had ook gewoon leuk kunnen zijn.
Ze denkt aan haar moeder. Aan zwak, zacht vrouwenvlees. Aan Tessa, de zalige woede op haar knappe gezicht. Aan de dieren, die er ook niets aan kunnen doen. Aan wie de baas is. Aan Marcel als klein jongetje, onbezoedeld door de ziekte van de wereld. Aan zijn kind, zijn vrouw. Haar zwakke, zachte lichaam waar dat kind in groeide, voortgesproten uit zijn zaad. Hoe het slechte woekert. Ze is tevreden over hoe het gaat, hoe het zal gaan.
Ze volgt hem naar de hotelkamer en doet wat hij haar opdraagt.
Wanneer ze de volgende ochtend door het bos rent denkt ze niet meer aan hem, zoals ze ook niet meer denkt aan het dier dat ze heeft gedood. Ze denkt niet aan zijn blik, zijn lijden. Ze heeft iets rechtgezet, de natuurlijke orde hersteld. Noem het tao, noem het karma, noem het kosmisch evenwicht. Het is haar om het even. De zon kleurt de hemel bloedrood en zij heeft honger. ¶
Essay
De (ai)R komt met een hoge prijs
Poëzie
We kwamen elkaar tegen en we brachten de klank voort
Essay
Hé, zeg eens [r]
Poëzie
Gedichten
Beeld
Beeldbijdrage
Poëzie
hove r c r aft
Beeld
Beeldbijdrage
Essay
De r als sjibbolet
Essay
Ik heb mijn vaders stem
Essay
The Continental R
Polarisatie, oorlog en samenleven
Tribalisme en de kleine filosofe
Beeld
Beeldbijdrage
Verhaal
Transcript van het gezegde in afwachting van het ongezegde
Poëzie
Gedichten
Essay
Limbo
Essay
Twijfelen over België
Poëzie
Blauwdruk
Essay
De ficties van Edward Said
Essay
Witte jas
Stripverhaal