I
Overschaduwd door de omgeving
hult een man zich in greppel.

In de achtergrond regent lamplicht.
Meer symmetrie dan geluid.

Zijn weerspiegeling ligt zwak in een plas.
Vanuit de neonzee knikken gelukzalige vissen hem toe.

Het ontbreekt hem
aan optimisme,
zelfverzekerdheid en honger
naar iets nieuws.

Als de regen stopt, doet een ondernemer
aan het restaurant zijn e-sigaret bloeien.



   II
Een bloedbad is het nooit. Het is mistblauw
gebrek waarin een vliegtuig langgerekt
gaapt naar meer.

Het zijn de afgetrapte modderschoenen
bij de achterdeur en kinderen
die zich opmaken in afwezigheid.

Het is de lucht boven de hoogspanningsmast
die dag na dag wordt uitgeleend.
Na lang opkijken suft onder in
de mast een gehangene.

Het is de zomer
met de vraatzuchtige pikdorsers,
de rilling in een drinkplas
als een koter rek slaat in de muggen,
de bodem zoekt en andere woorden
voor dieperik komen.

Het is de zucht waarmee een meisje stopt
de masten te tellen
en herhaling eraan kan geloven.



   III
Een wandelaar overziet de velden. Ze blijven gewoon
een keurige erfenis — kleuren    vorm    kindertijd.

Het landschap reist door hem.
Bij elke stap vluchten sprinkhanen.
Een hond slikt kiezelstenen.

De dag neuriet als een gespannen koord.
De zon breekt vingernagels in zijn hoofd.
Hij buigt zich. Wolken scheren over.

Hoedrand. Slepend zeewezen. Sluier.
Deining in het strand. Lemmet. Een gapende keel.

Vogels bekabelen het ontkennen
van beweging,
de idee van wraak,
laat staan afleiding.

In de achtergrond blijven jagers
boterachtig, de weggebruikers
onopmerkzame pelgrims. Hij buigt.

Labyrint. Verstoord vossenbont. Olie.
Drijvende landen. Rouwvlek. Een mondopening.

Is dit de uitkomst van onverzettelijk
rijpen — hij buigt zich
als een restaurateur —
een lijf met te grote ogen en licht loopt
dik uit een achterhoofd?

De hond graaft een put. Stikt.



   IV
De zon duizelt het heelal in
boven op de pauwenkop.
Het kroontje blijft stevig op zijn plek.

Sinds alle verhalen weleens werden verteld,
gaat het enkel om de geografie.

Zijn poten rusten
voornaam langs de wegmarkeringen.
Hij wordt hoogstens meegenomen.
Zijn oog al een mat ei
hals en borst onverstoorbaar
blauw, bourgondisch.

Er is het schichtige gehik van de kip,
de duif met dat laf gefrunnik
en de haan maar des te kolderieker klauwen.

Licht stuitert
met een huivering door het dons
als een bestelwagen voorbijraast.

Rondingen barsten door de zeegroene bast
na de aanrijding.

Rauw vlees en darmen klitten aan elkaar
tot een bedauwde tros.

Tillen ze hem op, ruimt de pauw met zijn sleep
borstelig, huishoudelijk.

De Brusselaar Flor Declercq (1985) publiceerde gedichten in o.a. Het Liegend Konijn, De Revisor en De Gids en werd onder meer geselecteerd voor Vers van het Mes en het Europese project Poetry Unbound. In 2027 verschijnt zijn debuut The Cadillac Dream.

Meer van deze auteur