Hij bleef even staan. Nee, onzin, niet in trappen, je zou je vader wel kunnen herkennen in iedere oude man met een tenger postuur, mager gelaat en een gladde schedel. Het is het gemis dat die herkenning teweegbrengt, zo nu en dan kom je hem gewoon weer tegen, op straat of in de tram of, waarom niet, als douanier op het vliegveld. Ik kan daar ook wel om lachen, het is tenslotte een overbekend fenomeen, de doden die even gedag komen zeggen en dan weer schielijk wegschieten. Maar toen Michiel zich schuifelend in de stroom reizigers met rugzakken, rolkoffers en bagagekarren voegde, kon hij het niet nalaten langs de vrouw te loeren die verstard toezag hoe de douanier haar weekendtas als bij een vivisectie opentrok en haar kleren er een voor een uit pakte, haar volumineuze toilettas en een angstvallig in doorschijnend plastic geseald pakket dat hij enige tijd tussen zijn handen hield, vervolgens keerde en keerde en van alle kanten onderzocht, alsof hij niet meer zo goed kon zien op ooghoogte. 
Hoelang was zijn vader er al niet meer, vijftien, zestien jaar? Hij had zijn afgeleefde lichaam in het ziekenhuisbed gezien, daarna aardig opgekalefaterd in de kist, die hij samen met zijn zussen tussen de zerken door in stralend zonlicht naar zijn eindbestemming had gedragen. Ook stond hem nog voor de geest dat iemand op een knop had gedrukt, een van zijn zussen of misschien toch een kraai, hoe dan ook was er geen goocheltruc bij komen kijken, de kist was onverbiddelijk in de aarde gezakt en ze hadden er ieder hun schepje op geworpen, met vochtige ogen.
Hij keek nog eens — o, die als geciseleerd zo verfijnde gebaren en die vervaarlijke havikneus, terwijl vader zo voorkomend en begripvol was, de goedheid zelve — maar iets duwde tegen zijn benen, een bagagekar met koffers en tassen. ‘Nou, waar wacht u op? Of wilt u hier voor altijd blijven staan?’ vroeg de man die er met zijn hoofd maar net boven uitstak.
Verbaasd staarde Michiel hem aan, ook achter de man geërgerde blikken, en met een abrupte beweging drong hij zich door een groep jongeren en ging naast de vrouw staan, zwaaide zijn rolkoffer naast haar tas op de inspectietafel. ‘Papa, wat doe jíj hier in godsnaam?’
De douanier, alsof hij hem niet zag of hoorde: ‘Dit pakket zal open moeten, mevrouw, komt u maar mee’, maar toen, zich naar Michiel toe kerend: ‘U kunt mee­lopen, dan kijken we ook in die koffer van u.’
Bang was hij nooit voor zijn vader geweest, toch voelde hij zich klein en onmachtig toen hij met de vrouw achter de spichtige gestalte aan liep. Daar droeg ook de gang aan bij, die bestond uit haastig tegen elkaar geplaatste systeemwanden die dramatische kieren lieten waarachter zich aanvankelijk nog de bedrijvigheid van de luchthaven ontvouwde, later vaal verlichte, desolate ruimtes die voor opslag bestemd leken, al was verre van duidelijk wat er opgeslagen zou worden; op een enkel krat na waren de ruimtes leeg, de gang was niet meer dan een leegte in een leegte, en iets zei hem dat dat altijd wel zo zou blijven.
In een hal beval de douanier hem en de vrouw met een afgemeten gebaar hun bagage op een aluminium tafel te zetten. Wat maakte hem dat ook uit, vader mocht rondneuzen in zijn spullen als hij dat zo graag wilde, en met een licht gevoel in het hoofd, alsof de tijd opnieuw begon, liet hij zijn blik rondgaan: overal reizigers die er verloren bij stonden, douaniers in marineblauw uniform die zich over tassen en koffers ontfermden, op sommige tafels lagen kleren als kakelbonte vangst uitgespreid. ‘Nee, onmogelijk,’ riep hij ineens uit, ‘die vrouw daar, die met dat lange witte haar die beide armen in een plunjezak heeft gestoken, dat is toch tante Agaath? En die man die over die gigantische koffer gebogen staat, die grijze, geribbelde, dat is die man die… eh… die vriend van jullie die bij een auto-ongeluk in de Hoeksche Waard, nee, Alblasserwaard… ‘ en de douanier, met een schuin oog op de vrouw, klein en vol, met vlammende ogen en lippen die van haar gezicht sprongen: ‘Meneer, we doen hier ons werk, niet meer en niet minder. Het gaat ons alleen om zaken die u niet mag invoeren of die u dient aan te geven.’
‘Maar papa!’ en ineens vriendelijk, zelfs bemoedigend, knikte de douanier hem toe. ‘Eerlijk gezegd had ik u er niet tussenuit gepikt als u zich niet bij uw partner had gevoegd. Ik bedoel, u had kunnen doorlopen, al zou haar dat wellicht hebben teleurgesteld.’
‘Partner? Zij? Denk je dat we… dat zij en ik…’ maar een potige man dook naast de douanier op. ‘Ik zal het overnemen, ga jij maar weer naar je post,’ zei hij terwijl zijn blik aan het pakket bleef plakken alsof hij daar de hele dag al naar uit had gekeken.
Zie dan, de verende tred waarmee zijn vader zich verwijderde, lopen was voor hem nooit een inspanning geweest, op dagtochten vloog hij de duinen over en stond hij al in de branding als zij over het laatste duin aan kwamen kakken. Toen Michiel zich weer naar de tafel toe keerde had de man het mes al in het pakket gezet. Routineus sneed hij het open, haalde er in grauw pakpapier gewikkelde kopjes en schoteltjes uit, stak zijn handen er als bij een keizersnede nog dieper in en tilde een plastic zak met wittig poeder omhoog. Maar dat verbaasde Michiel allang niet meer, zijn vader was vroeger ook nooit wat ontgaan, soms had hij het daar benauwd van gekregen, dat papa het altijd onmiddellijk doorhad als hij iets voor hem achterhield, liefdesverdriet of een slecht rapport, iets wat hij gebroken had, en er nog over begon ook. Hij had zich altijd bekeken gevoeld, waarom was zijn vader ook geen ongevoelige botterik geweest?

Hoe raar werkten zijn hersenen, of zou iedereen dat hebben? Alsof bekenden niet op zichzelf leken waren er dagen dat hij ze niet herkende. Evengoed waren er dagen dat hij onbekenden uitbundig groette omdat hij dacht dat ze goede bekenden waren. Zo’n dag moest het vandaag dus wel zijn, een dag waarop hij gevoeliger was voor overeenkomsten dan voor verschillen zodat iedereen op iedereen zou kunnen lijken, waarom had hij anders een wildvreemde voor zijn vader aangezien, zijn vader, die al anderhalf decennium niet meer op de aardbol rondliep? En dan dat mens dat het altijd beter wist en overal commentaar op had, nu hij erbij stilstond was het volstrekt ongerijmd dat hij er ook maar een milliseconde van overtuigd was dat tante Agaath daar net zoals zijn vader doende was smokkelwaar uit bagage te vissen. Maar toen een agent hem een moment later langs haar leidde, kon hij het niet nalaten ‘Dag tante, ik ben het, Michiel, weet u nog!’ te roepen. Met droeve ogen keek ze op, vervolgens ging ze verder met het doorzoeken van de plunjezak, haar arm was er helemaal in verdwenen en hij zag al voor zich dat de rest van haar zou volgen, tot ze er helemaal door was opgeslokt.
De vrouw werd naar een cel gebracht, hij kreeg de cel ernaast, of eigenlijk een kamer met alleen in de deur een betralied raampje. ‘Ik ken haar niet, ik heb niets met haar te maken, het was stom toeval dat ik naast haar stond,’ probeerde hij nog eens, maar de agent, terwijl hij hem telefoon, sleutels, portemonnee en broekriem afnam: ‘Dat kunt u straks bij het verhoor allemaal kwijt, daar zijn verhoren voor.’
Een bed stond er niet, alleen een tafel en een stoel. Lang zouden ze hem daar niet houden, ze zouden hem komen halen en hij zou alles ophelderen en door kunnen gaan, van de luchthaven naar huis, al was hem niet meteen duidelijk hoe hij zou moeten verklaren waarom hij met zijn rolkoffer naast de vrouw was gaan staan toen ze uit de stroom reizigers was geplukt. O ja, een misverstand, een vergissing, hij had gemeend dat de douanier hem wenkte, de douanier had hem aangekeken en een gebaar gemaakt, aannemelijk klonk dat niet maar hoe dan ook aannemelijker dan als hij zou beweren dat hij in de douanier zijn overleden vader had herkend — ze zouden hem uitlachen of linea recta naar een inrichting brengen.
Hij hoefde niets uit te leggen, de deur bleef gesloten en het was er zo stil dat hij het gevoel had met cel en al de ruimte in geslingerd te zijn en voorgoed vergeten te worden, een opsluiting met geen ander gezelschap dan zijn eigen gedachten, die, zo stelde hij zich voor, zichzelf zonder prikkels van buitenaf na verloop van tijd zouden uitputten zodat hij ook dat gebabbel in zijn hoofd uiteindelijk zou moeten missen en voor eeuwig als een stomme pop door de oneindigheid zou blijven tollen. Zover was het gelukkig nog niet, hoe het zo kwam begreep hij niet maar hij moest denken aan die keer dat zijn vader en hij in een donker dennenbos hadden gelopen en daar waar een bundel zonlicht vol trillende en alle kanten uit schietende zilverachtig schitterende insecten tussen de stammen wist te dringen een goudvink op een tak hadden zien zitten, met helrode borst en als een verschijning stralend beschenen. ‘Goudvink,’ had zijn vader gefluisterd terwijl de vogel al opvloog en in de groenige schemer opging, Michiel hoorde het hem nog zeggen, geen idee waarom hij zich juist zo’n onbenullige gebeurtenis herinnerde, een vogel op een tak en zijn vader die hem die wees en toen ‘goudvink’ zei. Wat maakte het zien van die ene goudvink nu uit op een heel leven dat hij met hem had gehad?
‘Kom, wakker worden.’ Hij was onderuitgezakt op de stoel in slaap gevallen, het duurde even voordat tot hem doordrong dat het zijn vader was die voorzichtig, als om hem vooral niet te laten schrikken, zijn schouder beroerde.
‘Papa, ik wilde je alleen maar even…’ maar zijn vader, met de vinger voor de mond: ‘Sst, ze mogen ons niet horen.’
Zijn vader wachtte tot hij zijn riem had vastgegespt en zijn telefoon en sleutels in zijn zakken had laten glijden, hield nog eens de vinger voor de mond en sloop het hok uit, Michiel volgde al even stil. De inspectiehal was verlaten, op de vloer karton, proppen papier, flarden plastic en kronkelende stukken touw. Op een enkele geplunderde koffer en een in elkaar gezegen tas na waren de tafels leeg, met zachte glans verklaarden ze zich onschuldig, al kon hun zoals hij het zag op zijn minst medeplichtigheid worden aangerekend voor wat daar was aangericht.
De exit die hij eerder had willen nemen moest gesloten zijn, zijn vader leidde hem naar een nooduitgang, duwde de balk omlaag en hield de deur met gestrekte arm voor hem open.
‘Je had beter niet kunnen komen,’ mompelde hij en gaf vervolgens met een nauwelijks merkbare knik te kennen dat Michiel moest gaan. ‘Maar je hebt me hier zelf heen gebracht!’ en zijn vader weer, terwijl die een schichtige blik achter zich wierp: ‘Wat kon ik anders toen je ineens voor me opdook? Ik wil je geen verwijt maken maar je hebt het over jezelf afgeroepen.’
‘Kunnen we niet even… ik bedoel, nu we weer bij elkaar…’
Zijn vader schudde het hoofd, ‘meer kan ik niet voor je doen, ik moet met-een weer terug, je weet niet hoe…’, en het laatste wat Michiel van hem zag was een smalle pols en een glazige hand, bezet met vlekken die hij zich niet van vroeger kon herinneren — of had zijn vader die in zijn laatste jaren toch al gehad en had hij die verdrongen?

De vertrekhal is uitgestorven, zelfs geen schoonmaker of beveiliger te bekennen, hij loopt langs gesloten winkels, met namen en logo’s die onverlicht alle betekenis verloren hebben, glimmende vuilnisbakken, spiegelende vloeren, en alsof het vliegveld is opgegeven zijn de roltrappen stilgevallen en staan de vliegtuigen roerloos in de vale nacht. De trap naar de bagagebanden is met een rood-wit geblokt hek afgezet, op zoek naar een andere uitgang dwaalt hij langs neergetrokken rolwanden en wachtruimtes waar niet meer wordt gewacht. Even krijgt hij het benauwd, hoe kan hij hier ooit nog uit geraken, maar hij zou zijn vertrouwen niet onmiddellijk moeten verliezen, ze kunnen nou eenmaal niet alle trappen en uitgangen openhouden als er geen reizigers meer zijn.
Gelukkig vindt hij nog een trap zonder hek. Hij tilt zijn rolkoffer op en daalt af, jakkert langs de bagagebanden, moet door een geknikte gang waar koffers en tassen tegen de wand gestapeld liggen, en belandt weer bij bagagebanden en duifgrijze videoschermen, tot hij het groen oplichtende woord exit ontwaart. Alsof ze er uiteindelijk niet toe doen zijn er geen douaniers meer, zonder dat iemand hem nog tegen zou kunnen houden loopt hij langs de dichte winkels de stationshal in, die verlaten ruimer en hoger lijkt, als het uitspansel zelf. Bellen of appen lukt niet, geen verbinding, en dat er geen treinen rijden en er buiten geen taxi valt te bekennen, spreekt voor zich. Maar, in godsnaam, is hij dan niet slechts een kwartier van zijn huis verwijderd en zit er voor hem, comfortabele kosmopoliet die van stad naar stad hopt, van hotel naar hotel en van conferentieoord naar conferentieoord, niets anders op dan rechtsomkeert maken en ergens tegen een kiosk geleund wat proberen te slapen tot het leven weer op gang komt en roltrappen mensen de stationshal in spuwen?
Het is ijzig koud en windstil, de hemel zo zwart dat je er volledig in zou opgaan als je het zou wagen er te lang in te staren. De straatlantarens en neonreclames zijn er nauwelijks tegen opgewassen, plichtsgetrouw blijven ze hun armzalige licht verspreiden, maar hij heeft de indruk dat ze er al in ten onder gaan. Besluiteloos staart hij over de taxibanen en zebrapaden, langs vlaggen die wezenloos afhangen, het valt hem nu pas op, geen geluid, niet van landende en stijgende vliegtuigen maar ook niet het verre geruis van de snelweg, alles wat beweegt moet in de uren waarin hij vastzat zijn stilgevallen.
Hij wil weer naar binnen gaan als hij een gelig schijnsel ziet. Hij loopt zo ver hij kan over de stoep, vervolgt zijn tocht over de taxibaan, aarzelt voor een knipperend verkeerslicht, steekt de asfaltvlakte over en kan dan toch al wat meer onderscheiden: onder een viaduct een olievat waarin vuur, gestalten die eromheen zitten of liggen, een die opstaat en iets in het vuur werpt, vonken die opstuiven en in vlucht alweer uitdoven.
Verspreid rondom de reizigers rolkoffers, rugzakken en handtassen; sommigen moeten zich er al langer schuilhouden, nu hij voor hen staat ziet hij in de flakkering bleke, vermoeide gezichten, en de mannen hebben allen een baard, een enkeling van een paar dagen, de meeste van weken, maanden, vuil en woest. Ook hun kleren zijn vuil maar dat kan zo lijken door het weifelende, telkens weer in het vat terugvallende vuur. Allemaal lijken ze te slapen, liggend of zittend, het enige kind volmaakt vredig, met de oogleden bollend en een beer tegen zich aan geklemd, maar er is er een die de armen stijf om zijn knieën heeft geslagen en hem vanuit donkere oogkassen opneemt.
‘Hoelang zijn jullie hier al? Kunnen jullie hier ook niet wegkomen?’, maar de man, waarschijnlijk rond de twintig maar zozeer vervuild dat hij evengoed veertig, vijftig zou kunnen zijn, keert zich van hem af alsof hij er niet van overtuigd is dat iemand bij hen is komen staan en hem een vraag heeft gesteld.
Hij draagt over zijn jasje niets dan een trenchcoat en begint al te rillen, wat kan hij anders doen dan een plek tussen hen in zoeken, dicht bij het vat, en met hen de morgen afwachten? Vlak naast het slapende meisje laat hij zich op de tegels zakken, als hij zijn benen optrekt is er net genoeg ruimte. Alsof er een voile over haar is neergelegd heeft haar gezicht een fluweelachtige gaafheid, er is geen smet of ongerechtigheid te zien, alleen maar gelijkmatige welving, en dat ze ademt veroorzaakt nog niet de minste beroering van haar lippen. Zou ze hier alleen zijn of met een vader, moeder, tante of oom?
Verderop ziet hij kantoorgebouwen, verkeersborden die zich alleen van dichtbij nog laten onderscheiden, straatlantarens die in flauw gebogen slierten in de donkerte verdwijnen, en, nog dieper in het zwart, alsof daar lava opwelt, een wazige gloed — de stad waar zijn vrouw en zoon in bed liggen, het echtelijke bed, en waar voor hem het lege jongensbed wacht, in de jongenskamer. Hij stelt zich al voor hoe hij zijn schoenen van zijn voeten schuift en zich muisstil uitkleedt, de deur van de badkamer zo zacht mogelijk dichtdoet en zijn tanden poetst, vervolgens op zijn tenen door de gang sluipt en nog even een blik in hun slaapkamer werpt, het grote bed waarin ze liggen te slapen, haar haar dat uitwaaiert, zijn foetushouding in de plooien van het dekbed. De deur laat hij op een kier staan, zo zijn ze toch dicht bij elkaar, en hij gaat ook liggen, nog onrustig van de reis. In het zwakke licht van het bedlampje laat hij zijn ogen door de kamer dwalen, het karatepak met blauwe band, het tot knappens toe gespannen lijf van Bruce Lee, de schoolschriften gehusseld op het appelgroene bureau, de wereldbol en de boeken over dieren van alle continenten, alles door en door vertrouwd. Dan worden zijn ogen zwaar, laat ook maar, laat ook maar gaan, en op het moment dat hij ze niet meer open kan houden gaat de deur open en komt zijn vader binnen, nauwelijks meer dan een silhouet.
Zijn gewicht als hij zich naast hem op het bed laat zakken, zijn hand op zijn pols en dan zijn stem, fluisterend: ‘Slaap je al, lieverd, of zal ik je nog een verhaaltje vertellen?’ ¶

Edzard Mik is schrijver en hoofdredacteur van De Gids. Hij schreef onder andere de romans Mont Blanc, Mea culpa, en waarom vogels. Zijn laatste roman, Damian, verscheen afgelopen februari.

Meer van deze auteur