Nadir Aharti — veldstation Texel, kantoor 209

Ik ben altijd gevoelig geweest voor het verdriet van anderen. Ik voel meteen met iemand mee. Ik groeide niet op in het land waarin ik werd verwekt. Mijn ouders ook niet, en hun ouders ook niet, geloof ik, al verdwijnt de genealogie daar in de mist. Ik weet dat je je familie kwijt kunt raken en dan opnieuw moet beginnen. Dat zegt genoeg, denk ik, al probeer ik mezelf niet te verantwoorden. [zucht] Mijn aandeel in de gebeurtenis is klein. Ik doe pas één seizoen veldwerk. Daarvoor stond ik in het lab. Ik kwam weleens op de kolonie voor nieuwe monsters, maar nooit wekenlang.
Misschien probeer ik te begrijpen hoe klein of groot mijn rol nu is geweest. Het gebeurde dit seizoen, en ik was erbij, al zou je kunnen zeggen dat alle elementen vorig seizoen aanwezig waren, toen ik er nog niet was. Ik herinner me een heldere, kokendhete dag, een strand vol badhanddoeken en een enkel windtentje. Overal glimmende lichamen, zo’n dag was het. Een kindje rende voor haar vlieger uit, maar er stond geen wind. De meeste strandgangers lagen roerloos en horizontaal.
Hoe het begon, daar kom ik nog op. Het helpt als je vooraf een paar dingen weet over M.AAI, zodat hij niet het typische mannetje wordt in dit verhaal, dat is hij niet. [zakt onderuit in zijn stoel] Sommigen van ons noemen hem Goudhals, vanwege de lichtgele kleur onder zijn kin, heel vaagjes, een ongetraind oog zou het missen.
Goudhals heeft twee seizoenen omgehangen met F.ADI, toen ze beiden net volwassen waren, maar het volgende seizoen zagen we haar alweer met de IJzerkoning paren, M.ERT, die het seizoen daarvoor met F.AAN paarde. Goudhals belande naast F.ELI op het nest. Had ik al gezegd dat ze niet erg loyaal zijn? [lacht] Goudhals en F.ELI waren ook geen succes. Hij was afwezig, we observeerden hem soms hele middagen op Noorderhaaks, starend naar de grond. Andere keren zag je hem op de gps grote rondjes om Texel en Vlieland maken, maar bracht hij amper eten mee voor de kuikens.
Ik ging ervan uit dat Goudhals niet was gemaakt voor het vaderschap, maar dit seizoen bleek alles anders. Hij vond Parel, een zacht, jong dier. Ze was nog een beetje onhandig in de jacht en zette ook op liefdesgebied haar eerste stappen. Jullie willen niet weten hoe prachtig Goudhals het nest had gemaakt, we vonden het in de derde week, wow, dacht ik, hij had het versierd met snoeppapiertjes en bierdoppen, Hertog Jan, Amstel, Klok, welke hij maar kon vinden, eromheen lag een spiraal van nonnetjes, kokkels, oesters, en ik dacht onwillekeurig aan het trapgat van mijn eerste huis dat volhing met fotolijsten en tekeningen, zo’n assemblage van souvenirs die meteen gevoelens van vanillevla en eredivisie oproept, van een warm bord op schoot.
Parel hield trouwens niet van oesters. Dat detail zegt op zichzelf niet zoveel, maar is belangrijk voor later. [(onverstaanbaar), plukt met beide handen onhandig aan de plopkap] Parel wilde alleen maar patat en kibbeling.

Ariejan Weester — veldstation Texel, kantine

Ik ga proberen deze historie uit de doeken te doen zonder te verzanden in antropomorfisme. Ik wil er geen kleine mensjes van maken zoals reeds in de media gebeurt, want dat zijn ze niet. Het zijn volstrekt singuliere wezens, en deze heksenjacht is wat mij betreft het resultaat van een gi-gan-tisch Narcissus-complex. Wij mensen zien dieren die anders leven dan wijzelf maar beoordelen ze als waren het mensen, maar het zijn geen mensen want het zijn dieren, ziet u — ik raak verstrikt in mijn woorden. [pauzeert]
Wat ik zeg: men beziet de ander, de Ander met hoofdletter, maar kan daarin alleen zichzelf zien. Van één nest maken wij gedurende een seizoen met gemak dertig- of veertigduizend foto’s. Dat doen we niet omdat we eigenlijk fotograaf willen zijn; die overdaad is nodig omdat de leefwijze van andere dieren niet zomaar in mensentermen te bevatten is. Maar wat doen de talkshows? Wat zeggen ze op pietleuterige podcasts en livestreams? Dat de dieren zich niet aan de wet houden. Een dier! Aan de wet! Kun je het je voorstellen? Het is niet alleen een belediging voor ons werk, maar ook voor de vogels. Nog even en we gaan kippen beboeten die de weg oversteken. Hadden ze maar het zebrapad moeten nemen! [bulderende lach, gaat op haast fluisterende, zakelijke toon verder]
Uiteraard is het niet fraai wat er op de kolonie gebeurde, maar men heeft geen flauw idee waar we ons mee inlaten als we dat gaan veroordelen. Niemand lijkt de relevantie van wat er deze zomer gebeurde te willen begrijpen binnen de semiotiek van het leven zelf. Liever plakt men er een culturele betekenis op. Liever wil men gerechtigheid zien — wat dat in deze kwestie ook maar mag betekenen.
Goed, de feiten: daar bent u voor gekomen. Ik zal u de situatie schetsen. Mijns inziens kunnen we niet om de toerist heen in deze kwestie. Ofschoon die niet nieuw op het eiland is, neemt zijn aanwezigheid toe. Dit seizoen noteerden we 104 incidenten met loslopende honden in het broedgebied, een outlier, en het kan niet anders dan dat het invloed heeft op de kolonie. Daarnaast moeten we ook het effect van andere soorten erkennen. De zilvermeeuw heeft doorgaans geen moeite met vreemden in zijn broedgebied, dat wil zeggen de grote mantelmeeuw en de kokmeeuw, er zijn in de literatuur zelfs gevallen bekend van gemengde broedpaartjes, maar dit seizoen was de balans zoek, dan neemt de spanning toe. Ofschoon M.AAI niet bekendstond als een ruziezoeker, had hij het meteen aan de stok met een gigantische mantelmeeuw. We noteerden bij beide vogels een beschadigd vleugeldek, en Goudhals leek een ontsteking bij het oog te hebben. Voorts was het een schroeiend hete zomer, dat leidt altijd tot stress, en de oester heeft een paar moeilijke jaren. Dus tel bij de genoemde factoren ook nog ondervoeding op en je hebt alle omstandigheden voor zo’n geweldsuitbarsting.
Ik waarschuw jullie alvast. Onder de streep zoeken jullie naar één oorzaak, maar dat gaat niet lukken. Gebeurtenissen in de natuur hebben geen duidelijke bron. Ze laten zich niet lezen als schoonschrift op een onbeschreven blad — als u mij de bloemrijke taal toestaat — maar als haastige krabbels op een vochtige palimpsest. Wat dat betreft onderwijs ik mijn studenten nog altijd over de vraagstellingen van Tinbergen, die ons leert dat je de meest simpele gedraging al op minstens vier manieren kunt verklaren. Functie, fylogenie, ontwikkeling en mechanisme: ten minste vier verschillende antwoorden op de vraag waarom een dier doet wat het doet, en ze zijn allemaal even juist. Lagen op lagen, zeg ik u, de natuur is net bladerdeeg. Reductionisme brengt ons nergens.

Jeannette Reg — camping Wad ‘n Pracht, kantoor

De vogels zouden binnen de natuurgebieden blijven, dat was de afspraak. Toen de gemeente dat beleid aankondigde, zaten de meeuwen een flink eind in de richting van de haven. Die plek is toen vastgelegd als natuur, daar kon ik mee leven, al was ik er niet blij mee, ik had ze liever helemaal weg gehad. Er is niets natuurlijks aan zo’n gigantische kolonie. Ze leven van ons afval. Maakten wij er niet zo’n bende van, dan zouden ze er niet zijn, niet met zoveel.
In de tijd dat mijn familie onze camping begon, kort na de oorlog, hielp de overheid nog met het stoppen van de groei, dat ging veel te gemeen hoor, met vergif en schieterij. Die tijden wil ik niet terug, maar nu is het de omgekeerde wereld. Nu lijken de meeuwen haast belangrijker dan de bewoners en alle kleine vogeltjes. Als je een emmertje oesters raapt, word je aangevallen, en je hoort alleen nog maar dat gekrijs. Het hele ecosysteem gaat kapot aan hun gepest.
Het heeft niks geholpen om de kolonie vast te laten leggen in de bestemming, want de gemeente handhaaft niet. Ze schoven ieder jaar een stukje op naar onze camping. Gebeurt niet, zei meneer de ecoloog op al die informatieavonden. Gebeurt niet, mevrouw Reg, zei die — hoe heet hij ook alweer — Weester, zit er maar niet over in mevrouw, zei meneer Weester, broedende meeuwen blijven met hun nesten het liefst bij mensen uit de buurt. Nou, dat is dus een gemene grap gebleken. Wat er dit seizoen gebeurde wil je niet meemaken als je op vakantie bent. Thuis ook niet, maar op vakantie al helemaal niet. Er zijn meerdere gasten van de camping vertrokken. Ik snap trouwens niet waarom het sindsdien zo lang moet duren. We weten al wat er moet gebeuren, daar zijn humane oplossingen voor, eieren schudden, nesten verwijderen, we hoeven echt geen kuikens te schieten, ik wil niet terug naar vroeger, maar er zijn humane oplossingen.

Hans Berrom — thuisadres in Naarden

[staart onophoudelijk naar het schapenvel op de witte tegelvloer] We waren met de camper de camping op gereden. Wilma was met Annie naar het strand. Dat ligt achter de duinen. Dat is altijd het eerste wat ze doet als we er zijn: naar het strand. Vroeger nam ze Willem mee op haar schouders. Willem met een witte snoet van de zonnebrand. Altijd een blauw petje op. Op het eiland lachte en speelde hij de hele dag. Ik bleef nog even bij de camper. Kees hielp mij met inparkeren. Kees van Annie. Zij komen altijd een week eerder. Ik vertelde Kees over de reis. De reis van Den Dolder naar de camping. De files. De overtocht. Wilma en ik hadden een podcast geluisterd. Daar vertelde ik hem over. Daarna heb ik de tafel uitgepakt. En de stoeltjes uitgeklapt. De campingstoeltjes.
Toen Wilma terugkwam had ik de barbecue nog steeds niet heet. Het rookte als een stoomtrein. [wappert met zijn handen]Ik stond bij de buren mijn excuses te maken toen ze aan kwam lopen, leunend op Annie. Ze had vochtige, rode ogen. Ze deed me denken aan onze Willem. Ze hyperventileerde. Ze ademde zo snel, maar ze zei niets. Ze keek dwars door me heen en ik vroeg: wat is er toch, Wilma? Ik was bang dat ze moe was van de honger. Wilma kan zo volschieten de laatste tijd. Vooral als ze moe is. We hadden een lange reis gehad. Ik kan ook wel verdrietig zijn hoor, als het allemaal indaalt. Het is nog niet zo lang geleden. Ik vroeg aan Wilma: wil je alvast wat aardappelsalade? Wil je alvast wat brood, Wilma? Ze kreeg maar moeilijk gezegd wat ze had gezien. Ze schokte. Ze huilde nog meer. 
Ze drukte haar hoofd tegen mijn schouder. Ik had wel lawaai gehoord vanachter de duinen, maar ik dacht dat ik gewoon even moest wennen aan de geluiden van het eiland. Er zijn daar altijd meer vogels dan thuis. Luide vogels. Dat valt me ieder jaar op.
Toen ik Wilma weer een beetje bij zinnen had, zag ik er één wegvliegen. 
Hij had ons stokbrood gepakt. Zijn snavel zat onder het bloed en zijn veren waren helemaal in de war. Ik wilde met een strijkijzer over zijn vleugels gaan. Eerst om ze in orde te maken, daarna uit boosheid. Nog diezelfde avond heb ik een andere camping gebeld. Of ze nog plek voor ons hadden. Ik ben meteen gaan inpakken. 
De barbecue heb ik brandend achtergelaten. Weg wilde ik. Ik wilde de mooie herinneringen aan onze camping niet vergooien.
De dag erna hebben we aangifte gedaan op het politiebureau. De politieman begreep ons eerst niet. Aangifte tegen de meeuwen, maar het kon, dat hadden we gehoord. Niemand had het nog gedaan, maar het kon. We hebben het haar voorgelezen, de agent. Het artikel daarover. Ze heeft haar baas gebeld. En toen heeft ze de aangifte opgeschreven. Eerlijk gezegd dacht ik niet dat ze er iets mee zouden doen.

Femke Wildevank — thuisadres in Zaandam

Ikzelf was erg gecharmeerd van de rechten voor de natuur toen dat zo’n issue was. Ariejan Weester wees me wel op de gevaren maar die gleden langs mij heen, ik was jong. Nadir en ik zijn meteen naar Amsterdam gegaan voor de eerste symposia. Veel mensen van het veldstation gingen daar toen heen. Herre-Jan Balen was er geregeld, Aleks Sivakov ook. Het waren natuurlijk momenten om collega’s te ontmoeten. Soms trof je de groep experimentele biologen uit Yerseke, met aan het hoofd Kilian Weesp en Arial C. Pesha, terwijl zij het doorgaans niet zo politiek maakten. De traditionelere gedragsbiologen zag je er soms, mannen als Minne Van der Broek, al ben ik Quinn Matthews nooit tegen het lijf gelopen. En ook al was er binnen die vakgroepen veel scepsis, ook Wageningen en Groningen lieten weleens het hoofd zien. Marianne Zands heeft toendertijd nog een fel essay in De Groene Amsterdammer gepubliceerd waarin ze de beweging antiwetenschappelijk wensdenken verweet. Weester hing het artikel op in onze kantine. En toch kwam je Zands er tegen, misschien om een oogje in het zeil te houden.
Natuurlijk waren we in de minderheid als biologen. De symposia trokken vooral filosofen, juristen en activisten aan. Herman Norbert was toen heel vocaal en kreeg wat mij betreft erg veel ruimte voor gepalaver over Nietzsche en zijn terra­sofie. Als hij sprak, speurde ik zenuwachtig de zaal af naar fotografen, bang dat ik op de achtergrond in een foto van Norbert zou belanden. Volgens mij ging je er het grote publiek alleen maar mee vervreemden.
Het was gelukkig de tijd dat Janne Pens en Marieke van de Rag de kar trokken: nuchtere, heldere juristen. Het zou nog een paar jaar duren voor dit issueonderdeel werd van de cultuuroorlog, dat bizarre handjevol verkiezingen waarbij de Nederlandse natuur ineens het paradepaardje van rechts werd. Onder Pens en Van de Rag ging het vooral om de governancevan Natura 2000-gebieden. Onvervreemdbare rechtspersoonlijkheid was voor hen simpelweg een opmaat naar beter bestuur. Zo zaten velen van ons in de wedstrijd, en zo werd het ook in de Tweede Kamer besproken. Tom de Meester van D66 was daar de aanjager van, samen met Inge Winner van GroenLinks en Christine Ommen, die toen nog bij de Partij voor de Dieren zat. De minister van wat nog lnv was, Engelen, was alleen van mening dat de natuur met de vigerende regelgeving voldoende geborgd was. Ze vond dat gebreken in de naleving moesten worden opgelost voordat we nieuwe regelgeving optuigden. Daar viel toen wat voor te zeggen, al landde het natuurlijk slecht binnen de sector.
In het buitenland waren best practices te over. Die kwamen vooral uit het globale Zuiden, Nieuw-Zeeland, Ecuador, dat soort landen — landen met wilskracht maar met in sommige gevallen een wankele juridische basis, waardoor de rechten in de praktijk niet veel zoden aan de dijk zetten. De gemeente Blikkendam was hier de eerste. Die verleende rechten aan de Wierst. Ik vond het wel blijk geven van bestuurlijke durf, maar de meeste mensen binnen de beweging haalden hun neus ervoor op. Het is een piepklein zoetwatersysteem en de bever was geloof ik de enige doelsoort met wat smoel in de beeldvorming. Pens en Van de Rag hebben zich altijd gericht op de Maas, nu nog steeds, een rivier met een stevige verankering in de maatschappij, maar die blijkt tot op de dag van vandaag een maatje te groot voor het experiment. Te veel belangen vanuit de scheepvaart en de landbouw, en niemand in het openbaar bestuur die zijn nek ervoor uitsteekt.
Na de Wierst dachten wij in ieder geval: als een klein beekdal een rechtspersoon kan worden, dan moet dat ook kunnen voor een meeuwenkolonie. Ik geloof niet dat ik het vaker dan één keer heb hoeven opperen, op een conferentie in Den Haag. Daarna is het idee een eigen leven gaan leiden. Ik had niet verwacht dat het een paar jaar later werkelijkheid zou worden. Vreemd genoeg hebben we dat aan de rechtse partijen te danken, die hesen het dier ineens op het schild als nationaal symbool. Links de grutto, rechts de meeuw: ik ben blij dat die tijd weer achter ons ligt.

Marianne Zands — Universiteit van Wageningen, 
faculteit Life Sciences, kantoor 711

Weester en zijn vakgroep hebben veel te lang vastgehouden aan verstorende methodes. Ze komen al jarenlang te dicht bij de nesten en tegen de hekken die ze eromheen plaatsen heb ik me altijd verzet. Het is niet uitgesloten dat de kannibalistische episodes zijn begonnen nadat hij daar is neergestreken met zijn onderzoek. Waarnemingen van voor die tijd zijn niet vastgelegd.

Nadir Aharti — Veldstation Texel, kantoor 209

Ja, er viel veel bloed uit de lucht en dat heeft al snel iets Bijbels, maar ik stel me de eindtijd toch anders voor, meer uitgesponnen, minder knullig. Het is absoluut verdrietig dat er zoveel toeristen in de buurt waren.[…] Ja, ik ken het verhaal van die campinggast die eerder dat jaar haar zoon had verloren aan een zelfdoding en met een paniekaanval het strand verliet. Verschrikkelijk, ik voel met haar mee.
[…] Goudhals was inderdaad de eerste die ermee begon, als ik er één moet aanwijzen, maar ik heb de rechercheurs ook verteld dat hij van alle kanten onder druk stond. Die arme vogel werd halverwege het seizoen plots opgescheept met de zorg voor Parel, boven op wat de kuikens al van hem vroegen. Een vrijwilliger die weleens signaleringen uit Amsterdam doorgeeft, gaf aan dat een van de meeuwen was geraakt door een viskramer. […] Ja, zover komen ze wel hoor. Een retourtje Texel-Amsterdam is niets. Viskramers doen graag gemeen tegen de meeuwen. Ze delen soms demonstratief een schop uit, ze gooien weleens een bak ijs leeg in hun richting, maar ze raken nooit — daar is het ze denk ik niet om te doen. Dit keer was het dus wel raak, en Parel moest het ontgelden. De vogelaar gaf ons de kleurcode door en stuurde een foto. We herkenden Parel direct. Ze zat verslagen op de stoep van de Albert Cuyp. Ze zwalkt verward over straat, zei de vrijwilliger.
Die avond zat ze wel weer op het nest, maar ze is er de hele zomer niet af gekomen. Parel zal iets gebroken hebben, maar goed, wij bewaren onze afstand dus we spelen niet voor dokter — in tegenstelling tot wat weleens over onze vakgroep wordt beweerd.
Goudhals deed zijn best haar te voeden, maar liep tegen de grenzen van zijn kunnen aan. Als soort zijn ze veelzijdig, maar als individu zijn ze toegespitst op een handjevol voedselbronnen, en Goudhals is in de afgelopen jaren een ster geworden in oesters. Zelfs in een moeilijk jaar weet hij eraan te komen. Hij sleepte ze onophoudelijk aan voor Parel en de kinderen, maar Parel wilde er niets van weten, ze is precies zo eenkennig als we van een zilvermeeuw kunnen verwachten, en ik dacht: Parel, toe nou, eet de oesters, doe niet zo moeilijk, ik heb het zelfs hardop tegen haar gezegd, ik zei: Parel, het is Goudhals, hij heeft het beste met je voor, en Goudhals bleef proberen en Parel bleef weigeren en geen van beiden leek een poging te wagen om iets te veranderen, misschien uit vrees de onhoudbare maar weliswaar nog liefdevolle spelregels van hun verhouding definitief te verstoren. Zo is het huwelijk soms. Voor iets vechten betekent risico’s nemen, het betekent dat je durft kwijt te raken wat je hebt, juist omdat je het wilt houden, dat leren we vroeg of laat allemaal, maar leg het zo’n jong stel maar uit. Die klampen zich vast aan wat nog goed is. […] Het zijn natuurlijk ook meeuwen, ja, maar goed, we zagen dus het paartje waar we zoveel hoop op hadden gevestigd aan het begin van het seizoen steeds minder worden, en Parel werd lichter en lichter, en Goudhals ging uiteindelijk ook niet meer bij het nest weg, hij bleef bij Parel, tot we op die ene dag moesten noteren dat ze er niet meer was en dat ook de kinderen er niet meer waren — het raakte mij enorm, want ik ben nog niet gewend aan het soms gruwelijke veldwerk, ik ben nog nieuw — en ik zag dat Goudhals geradbraakt was, hongerig, misschien ook vervuld van jaloezie door al het geluk bij de paartjes om hem heen. Hij maakte een vreselijk kabaal, eerst bij het nest en later door de hele kolonie, wat natuurlijk kon rekenen op reactie van de andere vogels. Het kabaal werd ruzie, en in die ruzie vlogen overal vogels op van hun nesten. Tja, toen liep het uit de hand. Met de nesten onbeschermd zagen sommigen de kans elkaar nog meer pijn te doen — maar ik speculeer nu want we weten niet waarom ze deze kannibalistische uitspattingen hebben, we weten wel dat ze eerder voorkwamen. Hoe dan ook zag ik Goudhals als eerste rondvliegen met een jong in zijn bek, ergens uit het nest gepikt, overal veertjes en bloed, met F.ELI op zijn hielen, dat wil zeggen, zijn ex-partner, een saillant detail, jankend en wild pikkend naar Goudhals z’n nek, en de kolonie spatte uiteen als strakgespannen balsemien. Kaboem! [veert op uit zijn stoel, zwaait met de armen in de lucht]Overal waar je keek vlogen volwassen meeuwen met bloederige kuikens in de bek.
De toeristen op het strand hadden al snel door dat er iets aan de hand was — we hebben allemaal hun filmpjes gezien — maar toen de dode kuikens uit de lucht begonnen te vallen brak er paniek uit. Verschrikkelijk, ik had nog nooit zoiets gezien. Het hoort erbij, maar ik had nog nooit zoiets gezien. Verschrikkelijk. Alles zat onder.

Ariejan Weester — Veldstation Texel, kantine

Of Goudhals het heeft gedaan? [buldert van het lachen] Ik had van jullie een nuchterder kijk op de zaak verwacht. Wat denken jullie dat het Openbaar Ministerie wil: M.AAI in de gevangenis? […] [zijn lach verdwijnt] Nee maar, dat kan toch niet. [opent zijn telefoon] […] Verdomme, het is nog waar ook. Het staat er echt. Dat zat eraan te komen, dit alles zat eraan te komen. Dit is wat ervan komt als je ze rechten geeft, heb ik gezegd, jarenlang heb ik gezegd dat men dan zal denken dat het kleine mensen met vleugels en snavels zijn, en er komt een bewind dat daarin meegaat, zei ik, maar de gestoorde manier waarop het nu gaat had ik me nooit kunnen voorstellen. Fascisme is het, en jullie doen eraan mee! [wijst onze kant op] Vindt u dit waarlijk een goede besteding van uw tijd? Arme vogels verdacht maken van misdaden waarvan ze de realiteit niet eens bevatten? Uw krant staat al maandenlang vol met deze apekool. Al die verschrikkelijke koppen. Hel op het strand! Het is de laagste vorm van antropomorfisme. De hel, dat zijn wijzelf, dat is wat wij de aarde aandoen! Zegt u mij: hebt u ooit een zilvermeeuw met de snavel in het wetboek gezien? […] Ja, ja, de meeste mensen ook niet, heel ad rem van u.
Nou, ik feliciteer u met uw onderzoek, maar ik werk niet langer mee, ik zie inmiddels waar dit op uitloopt. Goudhals heeft het gedaan — jullie zijn absoluut gek geworden! Je moet de moed maar hebben, hoor. Het is volstrekt natuurlijk gedrag! Ik heb deze kannibalistische uitbarstingen in mijn carrière meermaals meegemaakt, zilvermeeuwen doen dat nu eenmaal, het is onbegrijpelijk maar waar, ze doen dat nu eenmaal. Dat de kleinburgerlijke Nederlander er misselijk van wordt, daar kan ik niets aan doen. Dan nemen jullie lezers maar een maagtablet.

Goudhals — Almere, bezoekersruimte Huis van bewaring

Aau! Aau! Aaau! Kjiii aukjaukjaukjaukjau! [tweekwartsmaat; aanvankelijk lento /mezzo forte, tussenstuk forte met een allegretto in het slot]

Elke geliijkenis tussen de meeuwen in dit verhaal met bestaande meeuwen, levend of dood, berust op louter toeval. De ‘juichsequentie’ in het slot is genoteerd door Frits Portielje, geciteerd in De zilvermeeuw van Kees Camphuysen.

Tjesse Riemersma (1993) is schrijver, recensent, filosoof, en geeft les over essayistiek en posthumanisme aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij werkt momenteel aan een non-fictieboek over het Nederlandse dijkdenken en een bundel korte verhalen.

Meer van deze auteur