Redactioneel
Op een van de laatste broeierige septemberdagen van 1979 marcheerde ik in mijn Spaanse laarzen over de stoep. Bijna twee uur lang liep ik rond en door de Groningse binnenstad. Van het Noorderplantsoen, langs de vervallen pakhuizen aan de diepen, over de singels met hun mysterieuze villa’s, tot het winkel- en uitgaansgebied rond de Grote Markt. De dag was begonnen om halfacht in mijn eenpersoonsbed in een kamer op een studentenflat aan de rand van de stad. In de ochtend had ik colleges gevolgd in het Filosofisch Instituut aan de Kraneweg en de hele middag had ik in een studiezaal van de universiteitsbibliotheek zitten lezen in een fotokopie van een hoofdstuk uit een boek van een Duitse filosoof die pleitte voor een transzendentale Kommunikationsgemeinschaft. Dat was een ideaal politiek systeem waarin uitsluitend redelijke argumenten de basis van het politiek proces zijn, dat vervolgens uitmondt in rechtvaardige wetten en democratisch bestuur.
Aangezien ik op mijn eenentwintigste tassen als uit den boze beschouwde, zaten de fotokopieën van hoofdstuk 6 opgevouwen in de binnenzak van mijn leren jack. Net als het kleinste gelinieerde schrijfblokje met een spiraal van de Hema, zo groot als een handpalm. Verder bestond mijn bagage uit een Bic-balpen, sleutels en wat geld.
Mijn lange doelloze wandeling overbrugde de tijd tussen het moment dat ik het hoofdstuk had uitgelezen en mijn aantekeningen had gemaakt, en het moment dat ik in het open jongerencentrum Vera in de Oosterstraat in de rij ging staan voor een maaltijd in de mensa. Door dat boek was ik namelijk te onrustig geworden om stil te zitten. Mijn tocht door het slome broeierige Groningen was een treffend zinnebeeld van mijn maatschappelijke positie: een nutteloze passagier, van wie vrijwel niets waardevols of opbouwends te verwachten viel. Een soort gestrande toerist, weliswaar opgegroeid in redelijk comfortabele omstandigheden, maar hier zonder geld, netwerk of programma. In mijn beleving had niets van wat ik wist, kon, leerde of verlangde enig maatschappelijk nut of belang. Ik liep door de wereld en besefte dat ik er feitelijk deel van uitmaakte, maar er vooral tegen aankeek.
Dat het bestel waarin ik leefde in crisis verkeerde was overweldigend duidelijk. Op de stoepen van pakhuizen op het Zuiderdiep zag ik de werkloze jongens uit de dorpen met de failliete scheepswerven halfdronken hangen, in de krant las ik over de terroristische aanslagen door extreemlinks en extreemrechts in Duitsland en Italië. En over de neergeslagen bedrijfsbezettingen en stakingen in Frankrijk en Italië, de rassenrellen in Engeland. De verzorgingsstaat kraakte.
De sociaaldemocratische bureaucratieën hadden hier geen antwoord op, de steden verpauperden, de fabrieken waren achterhaald, de industrie verplaatste zich naar Azië. De olieproducerende landen lieten hun naakte macht gelden. Het hele vreedzame en sociale naoorlogse verhaal, dat rijk en stabiel genoeg was om dertig jaar lang iedereen welvarender, vrijer en beter opgeleid te maken en daarbovenop ook nog ruimte wist te maken voor achtergestelde groepen zoals vrouwen, etnische minderheden, homoseksuelen en kinderen, ja dat hele verhaal was ongeloofwaardig geworden. Niet zomaar een zwak verhaal, maar verdacht, en in de ogen van ons, de jongste generatie, om van te kotsen. Op krakersbolwerken hingen spandoeken met de leus: jullie rechtsorde is de onze niet. Als eenentwintigjarige bezag ik de leiders van het land en in de wereldpolitiek als zelfingenomen, blind en doof voor wat er gebeurde. Ik zag hoe die verwarde en verlamde leiders werden vervangen door harde saneerders en veiligheidsdenkers die democratie en sociale voorzieningen afbraken om ruim baan te maken voor de globaliserende economie, en de vrije beweging van het grote geld.
Zoals ik daar door Groningen stiefelde was ik doordrongen van mijn onrijpe, marginale en nutteloze maatschappelijke positie. De onrust die ik voelde was niet alleen veroorzaakt door het lezen van de Duitse volzinnen over redelijk en gelijkwaardig communiceren. Het kwam ook door de botsing van dat verheven gedachtegoed op wat ik de avond ervoor had gezien en gehoord. Dat waren twee dingen. Ten eerste een documentaire op de wdr-televisie (uitstekend te ontvangen via de centrale antenne op de studentenflat op mijn kleine zwart-wittoestel) over het leven in de Bronx op Manhattan, New York. Het tweede was het beluisteren van het net verschenen album van Talking Heads, Fear of Music, met daarop het nummer ‘Life During Wartime’, dat me deed duizelen.
Ik zag kleumende oude mannen in besneeuwde ruïnes van uitgebrande woonkazernes, verzameld rond een olievat waarin een paar balken brandden. Ze vertelden over de huiseigenaren die de deels leegstaande huizenblokken in de fik lieten steken om het verzekeringsgeld te innen. Ik zag een gezelschap op het dak tijdens een hete zomer, vooral vrouwen en kinderen, allemaal op elkaar gepakt rond een sofa met oma en twee tantes. Een van de weinige mannen die niet aan drugs, bendegeweld, de psychiatrie of de gevangenis ten onder waren gegaan, zette uiteen dat het vanuit hun positie en eeuwenlange ervaring niet redelijk en verstandig was te veronderstellen dat overleg met wie dan ook, in goed vertrouwen en op basis van argumenten, enig soelaas zou bieden.
‘Niemand zal ons zwarte mensen geven wat we nodig hebben, we krijgen het alleen als we het pakken en daarvoor zijn van oudsher erg weinig kansen hier. De mensen die het ons onmogelijk maken zijn veel machtiger dan wij.’
Er was ook vrolijke energie in de documentaire te zien. Buurtfeesten met breakdancende jongens en meiden, scratchende dj’s, rappende lefgozertjes. Maar ook de strijd om de beste straathoek tussen dealers, leidend tot drive-by shootings. Hartverscheurende beelden van een uitgemergelde vrouw van onbestemde leeftijd. Ze was een zwaar verslaafde moeder die door de dood van haar eigen moeder nu voor haar drie kinderen moest zorgen en radeloos was, omdat ze dat onmogelijk kon. De paniek, de drogredenen, de schaamte, de afgrondelijke vermoeidheid en lichamelijke aftakeling, ja, de Bronx was erg ver verwijderd van wat voor Kommunikationsgemeinschaft dan ook.
In het nummer ‘Life During Wartime’ neemt David Byrne de persona aan van een strijder in een ondergrondse militie, tijdens iets wat op een hedendaagse burgeroorlog in de VS lijkt. De muziek beweegt zich voort op een beat die stampend is als een energieke discohit, maar ook iets dreigends en verbetens heeft, als een marcherende patrouille. De hoge, schelle stem van David Byrne klinkt fanatiek, manisch, gespannen. Hij is net niet buiten adem. De verteller in de tekst is volledig in beslag genomen door het extreme levensgevoel dat de burgeroorlog oproept. Makkelijk is dat nieuwe leven niet, maar het went, meldt hij, en al die paranoia en gevaar zijn ook erg opwindend, ze geven het leven de zweem van een roes.
Het lied is vooral een opsomming van alle zaken waarin zijn situatie verschilt met die in vredestijd. Hij heeft geen betrouwbare informatie over hoe het in het land gaat, er is geen echt nieuws. Hij heeft geen vast adres of enige vorm van geborgenheid of veiligheid. Er zijn geen feestjes of andere vormen van vermaak meer, ontspanning is er nooit, voor de lol thuis platen draaien kan niet. Van school, studie of cursussen kan geen sprake zijn. Zelfs met familie en vrienden communiceren is nauwelijks mogelijk, door afgeluisterde telefoon en weggevallen posterijen. Een uiterlijk naar keuze zit er niet in: alle kleren en kapsels zijn vermommingen, die hem zo verwarren dat hij nauwelijks nog weet hoe hij er ‘zelf’ uitziet. Hij heeft meerdere paspoorten, zijn partner kent voor de zekerheid zijn echte naam niet. Hij wil haar wel uitgebreid liefkozen en beminnen, maar daar is geen tijd voor. Een eigen wil, toekomstplannen of verlangens kan hij niet hebben, er dienen bevelen en instructies te worden uitgevoerd. Uitspreken wat je denkt en voelt is levensgevaarlijk en zelfs iets opschrijven is zinloos: ‘Burned all my notebooks, what good are notebooks, they won’t help me survive’. Het enige wat overblijft is het gevoel in brand te staan en vooral fysiek fit te moeten blijven, niet ziek te mogen worden. Het kale overleven is het hoogst haalbare.
Wat het lied beschrijft is de verwoestende uitwerking in de persoonlijke en lichamelijke sfeer als gevolg van het leven in oorlogstijd: wanneer basale veiligheid, openbaar gezag, werkende voorzieningen en bestaanszekerheid wegvallen. De mensen in het lied zijn opgefokte eenzame zombies, paranoïde, zonder verleden, zonder gemeenschap, zonder toekomst en vooral zonder een kans ook maar iets werkelijk te voelen, te denken, te maken en te ontdekken of te delen.
In negatieve beelden is het een verbazend nauwkeurige lijst van zaken die je als de allerbelangrijkste en overtuigende argumenten kunt aanmerken voor het bestaan van een democratische rechtsstaat. De rechtvaardiging voor zo’n bestel is dat het dient te voorkomen wat het lied schildert: een burgeroorlog, de afbraak van alle voorwaarden voor wat een leven de moeite waard maakt, voor iedere vorm van samenleven, cultuur en kansen op een leven met iets van waardigheid en zelfbeschikking.
Het is zevenenveertig jaar geleden dat al deze zaken op elkaar botsten in mijn eenentwintigjarige brein. Het is niet zo dat de geschiedenis zich herhaalt, maar dat er naast belangrijke verschillen ook opvallende overeenkomsten zijn is moeilijk te ontkennen. Dit stuk is de hedendaagse tegenhanger van die lange wandeling door Groningen in 1979, een poging een houding te vinden in de onrust die door zo’n botsing wordt veroorzaakt.
Het beest bij de naam noemen
Misschien is het overdreven, maar als ik nu een sprong maak van die middag in september 1979 naar het heden, dan is het eerste wat ik denk dit: de politieke cultuur waarin we leven heeft ons dichter gebracht bij die sofa op het dak in het getto en de toestand van de hoofdpersoon in Byrnes zang dan bij iets wat lijkt op een Kommunikationsgemeinschaft waar alle sprekers gelijkwaardig zijn en alleen argumenten tellen.
Ik kan de ketens van oorzaken niet overzien, maar het is gebeurd in een dynamiek van zevenenveertig jaar globalisering, een terugtredende overheid, deregulering van de financiële markten, de enorm gegroeide economische macht van totalitaire machtsblokken, de vrijwel ongereguleerde kolonisatie van de openbaarheid, onderwijs, media, grote delen van de cultuur en zelfs de persoonlijke levenssfeer door grote technologiebedrijven.
Ook al vormt men geen stammen in de klassieke historische betekenis van het woord, er heeft zich een vorm van tribalisme meester gemaakt van de politieke cultuur. Er zijn politicologen die beweren dat we al ruim vijfentwintig jaar, misschien zelfs al langer leven in een schemertoestand, als het om het functioneren van de democratie gaat. Een postdemocratisch bestel. De instituties zijn er nog, de protocollen worden grotendeels nog gevolgd, maar hun maatschappelijk functioneren is ernstig belemmerd, of erger. Er zijn aardig wat voorbeelden van door democratische politiek aangestuurde instellingen die exact het tegenovergestelde bewerkstelligen van waarvoor ze zijn opgericht. Toeslagen voor kinderopvang zijn bedoeld om voor mensen met minder geld extra ontwikkeling en een goede combinatie van werk en gezin mogelijk te maken. In naam van efficiency, fraudebestrijding en bezuinigen werd door de Nederlandse overheid het exacte tegendeel bewerkstelligd: tienduizenden gezinnen werden gecriminaliseerd, in financiële en sociale ellende gestort, kinderen van ouders vervreemd door uithuisplaatsingen. Ruim tien jaar lang werd het ontkend. De hersteloperatie die uiteindelijk in gang werd gezet, is zowel politiek, moreel als financieel een ramp. Een bestuurlijk moeras, belachelijk kostbaar en schadelijk voor het vertrouwen in politiek en openbaar bestuur.
Er zijn mensen die kraaien hoe het zelfreinigend vermogen van het democratisch bestel toch maar mooi gewerkt heeft: een vernietigend enquêterapport van het parlement, excuses van het rechterlijk systeem, en verkiezingswinst van een van de degenen die de zaak aankaartten, Pieter Omtzigt. Ik zie het anders. Volgens mij is juist de falende hersteloperatie een symptoom van de postdemocratische toestand waarin we leven. De omschrijving van die lelijke term luidt: een politieke cultuur die als legitieme politieke strategie accepteert dat men opzettelijk feiten verdraait, geruchten verspreidt, ongegronde verdachtmakingen uit, wezenlijke openbare informatie verzwijgt.
We moeten niet doen alsof deze ondermijning van de basis van ieder rechtsstatelijk en democratisch bestuur pas met de komst van de extreemrechtse populisten is begonnen. Het is zelfs niet voorbehouden aan extreemrechts of gewoon rechts, ook keurige middenpartijen en linkse bewegingen of idealistische ngo’s kunnen zich niet onttrekken aan de macht van ‘beeldvorming’, oftewel propaganda. Het is een historische constante, maar niet altijd even ongebreideld en openlijk zichtbaar.
Henk Kamp, destijds de vvd-minister van Sociale Zaken, was er volkomen transparant over. Hij gaf het onder ede toe: hij zette de racistische, discriminerende, ongrondwettelijke vervolgingsmethode in tegen de gezinnen, niet omdat er argumenten of feiten voor waren, maar op basis van ‘een gevoel dat leefde’, oftewel, hij bediende zijn tribale aanhang op illegale gronden en had de institutionele macht het te doen. Het systeem blijkt al meer dan tien jaar nauwelijks in staat die schending van alle wettelijke basiswaarden te corrigeren. Ook achteraf vond Kamp zijn beleid volkomen terecht. Voor de rampzalige menselijke consequenties en de gigantische kosten die eruit voortvloeien voelt hij zich niet verantwoordelijk. Hij vertoont geen spoor van schaamte. Hoe zelfreinigend is een democratisch bestel als zulke politici zonder enige vorm van aansprakelijkheid wegwandelen en hun status en positie behouden? Kamp is niet de enige die kan rekenen op de straffeloosheid die hoort bij een postdemocratisch bestel.
Die hele toeslagenkwestie, hoe immens ook, is maar een voorbeeld. De krankzinnige saga van het asielbeleid, de wooncrisis, de energietransitie, de landbouwtransitie en het ermee samenhangende stagnerende milieu- en klimaatbeleid, de megafraude in de zorg door malafide ondernemers van minstens tien miljard, de razendsnelle instorting van de geestelijke gezondheidszorg en het onderwijs, het zijn allemaal voorbeelden van systemische disfunctionaliteit.
Het lijkt me goed het beest bij de naam te noemen. De liberale democratische rechtsstaat mag de logische organisatievorm lijken om de gevaren van een burgeroorlog te bezweren, de uitwassen van uitbuiting, misdaad en tribalisme te corrigeren en iets van vrijheid, beschaving en welvaart mogelijk te maken, toch staat die, net als alle historische politieke systemen, uiteindelijk ten dienste van de heersers: de rijken en machtigen, en de banken en bedrijven die hun vermogens macht geven en doen groeien.
Onze wetten, ook de grondwet, berusten op ficties, op denkbeeldige voorstellingen van zaken, ideaalbeelden en normen, die samen een wereldbeeld oproepen waarin twee waarheden naast elkaar kunnen bestaan, ook al lijken ze tegenstrijdig. Aan de ene kant beseft iedereen dat de wetten en het politiek bestel de barre geleefde werkelijkheid niet adequaat weergeven. We leven in een politiek-economisch systeem dat is gebaseerd op grote ongelijkheid, in termen van macht en geld, en de mensen die de meeste macht en geld hebben zorgen ervoor dat dat zo blijft. Zo zit het systeem in elkaar. Natuurlijk zijn er mensen die dat schandalig vinden en anderen die het juist uitstekend vinden omdat ze aan de goede kant van de ongelijkheid zitten of denken daar terecht te kunnen komen.
De andere waarheid is deze: dat ondanks die wrede realiteit en de onverbeterlijke tribalistische en egoïstische aard van mensen iedereen er het beste aan doet om de wetten en regels te volgen, ook al berusten ze op ficties. Het is een instinct dat ook in het klein bij fatsoensregels effectief blijkt: ze bezweren de chaos, wekken gehoorzaamheid aan de spelregels en bieden de meeste ruimte voor tolerantie, pluralisme, een gevoel van vrijheid en waardigheid.
Wanneer je meespeelt in de liberale democratische rechtsstaat, sjoemel en rommel je met die twee waarheden. Politiek is de strijd om de spelregels die de relatie tussen die twee waarheden bepalen. De kwaliteit van het leven in een land wordt bepaald door de al dan niet gespannen relatie tussen die twee waarheden. Parameters in die relatie zijn bijvoorbeeld corruptie van machtshebbers, rechtsbescherming, persvrijheid, onderwijs, gelijke kansen voor vrouwen en minderheden, zorg voor ouderen, zieken, enz. Die kwesties zijn nooit volmaakt geregeld, maar binnen het bestel kan het altijd minder slecht. Sociale vrede is denk ik een niet zo pijnlijke relatie tussen die twee waarheden. Nu lijkt het erop dat de pijn snel toeneemt.
Als ik verhalen hoor of lees, al dan niet vol verwijt of met begrip, over mensen die afhaken, die het geloof in de rechtsstaat verloren hebben en zich ongegeneerd tribalistisch opstellen en geen enkele boodschap hebben aan solidariteit, of de waarde van een pluralistische democratie, aan algemeen belang of de kracht van redelijke argumenten, dan denk ik altijd even aan Henk Kamp. Als voorbeeld.
De kleine filosofe
Mensen vallen niet samen met de meningen die ze nawauwelen, dat is denk ik de meest veelbelovende gedachte als het om polarisatie gaat. Antidemocratische meningen, die bepleiten om van bepaalde groepen hun rechten af te nemen, dat de rechterlijke macht zijn onafhankelijkheid dient te verliezen, en nog veel erger, zijn inmiddels te vinden bij verbitterde marginalen, maar ook bij miljonairs en marktkooplui. Bij stedelingen en dorpelingen. Bij ingenieurs en boeren. Bij mensen zonder diploma die alles frituren en bij mensen met alle diploma’s die culinair genieten met Mozart erbij. Bij babyboomers en twintigjarige corpsballen. Er is geen gemeenschappelijk cultureel of sociologisch profiel.
Deze mensen behoren in hun ‘openbare meningen’ tot een stam, althans dat is het gevoel dat ze erdoor krijgen, maar die fantasiegroep staat los van de realiteit van hun familie, buurt, werk, vereniging, sportclub en ga zo maar door. Er zijn economische en politieke belangen gediend met het rondpompen, opkloppen en inzetten van die meningen via alle denkbare media. Er is een door algoritmes opgefokte parallelle spiegelwereld ontstaan, die de werking van de liberale democratische rechtsstaat kan verstoren en lamleggen. Het grote gevaar is dat die fantasiestammen in het electorale proces worden gemobiliseerd, soms aangevoerd door militante knokploegjes.
De rechtsstaat is geen paradijs, het is een bestel gebaseerd op ficties. De wetten en de overheid beschermen ons tegen de ergste uitwassen van de macht van de rijken en machtigen en tegen burgeroorlog. Bovendien regelen ze de mogelijkheden via democratische procedures rechten te garanderen, politieke macht in te zetten tegen economische macht en onrecht en leed te verminderen. Het gaat erom: hoe laat je mensen inzien dat de disfunctionaliteit van het huidige bestel geen slimme reden is om de ingebakken misdadigheid en partijdigheid ervan nog te versterken? Dat dat op de langere termijn ook niet in hun eigen belang is?
Volgens mij kan iedereen dit snappen, of je nu boer, winkelier, receptionist of hoogleraar bent. Een miljonair kan dat inzien, maar ook een kantoorbediende of een ober. Mensen van twintig uit een dorp kunnen dit begrijpen en ook bejaarden uit een chique villawijk.
Vermoedelijk waart er in mij nog een schim rond die je een onverzoenlijke Verlichtingsdenker kunt noemen, want ik denk dat de nagewauwelde meningen kunnen wegsmelten als je de gebruikers ervan confronteert met wat en wie ze nog meer zijn — in de sociale en fysieke realiteit — dan de feitenvrije kletskoek van de spiegelwereld, of die nu van linkse of rechtse snit is. Ik denk dat het niet voldoende is hooggestemde boodschappen via massamedia uit te zenden. Ook toespraken in het parlement doen het ‘m niet. In alle mensen, ook in mij, zit een niet te verwijderen reservoir aan egoïsme en tribalisme. Dat kan worden getemd of juist opgestookt. Als je radicaliseert in een mediabubbel, dan zullen andere mediabubbels dat niet zo snel opheffen. Het zijn sociale interacties in de fysieke wereld, de omgang met mensen die ook meer zijn dan de cartoonfiguren in je meningen, die eventueel iets veranderen.
Ben ik sinds de verlammende botsing in mijn jonge hoofd tussen begrijpelijk fatalisme en de solipsistische manie van de burgeroorlog nu verworden tot een bepleiter van begrip en verzoening? Dat ligt eraan wat de pretentie van die sociale interacties is. Ja, als je op die manier je eigen bekrompen meningen ontmaskert, die tot onverschilligheid of zelfs haat en ontmenselijking leiden. Maar ook nee. Juist omdat mensen van gedachten kunnen veranderen en politieke meningen niet hoeven samen te vallen met afkomst en belang, bepleit ik het keihard bestrijden van meningen, voorstellen, frames en suggesties die de liberale democratische rechtsstaat verder doen afbrokkelen. En dat niet in naam van de deugd of broederliefde, maar als appèl op wat ik een archaïsche vorm van sluwheid noem.
In vrijwel ieder van ons schuilt, desnoods in kaboutervorm, in een klein hoekje van ons lijf, een cynische beschouwer, die zich meestal stilhoudt. Ik stel me die voor als de stem van een oudere vrouw, een grootmoeder die dwars door het gelul heen kijkt van bureaucraten, generaals, kooplui en industriëlen, priesters en goeroes, wonderdokters en lefgozers. Zelfs de goede bedoelingen van de eigen groep en de eigen idealen neemt zij met een korrel zout. Zij is iemand die snapt dat iedere wet, ieder systeem heersers en overheersten veronderstelt, mensen die er voordelen bij hebben en mensen die het gelag betalen. Wat het goede precies is weet deze vorm van boerenwijsheid niet, maar gerommel en gesteggel is beter dan elkaar de hersens inslaan. Het is deze kleine alledaagse filosofe in de schaduw die begrijpt dat de gezamenlijke tolerantie van onzekerheid voor iedereen beter is dan de schijnzekerheden die beloofd worden door de dwang en tirannie van enkelen. Dat er geen andere waarheden zijn dan die waarover we al bekvechtend samen struikelen. En dat er meer waarheden tegelijk bestaan.
Het is deze vorm van bescheiden redelijkheid die mensen in elkaar kunnen aanspreken. Niet om het eens te zijn, of om vrienden te worden, of omdat de heilstaat dan aanbreekt, maar uit het besef dat er een algemeen belang bestaat waar iedereen afhankelijk van is en dat gediend is met het hele chaotische theater van de democratische rechtsstaat. Noem me naïef, maar ik put enige hoop uit de overtuiging dat vrijwel iedereen dit stemmetje in zijn hoofd kan herkennen. Wat natuurlijk geen enkele garantie biedt tegen de dreiging van de grote Ratsmodee. ¶
Essay
De (ai)R komt met een hoge prijs
Poëzie
We kwamen elkaar tegen en we brachten de klank voort
Essay
Hé, zeg eens [r]
Poëzie
Gedichten
Beeld
Beeldbijdrage
Poëzie
hove r c r aft
Beeld
Beeldbijdrage
Essay
De r als sjibbolet
Essay
Ik heb mijn vaders stem
Essay
The Continental R
Beeld
Beeldbijdrage
Verhaal
Transcript van het gezegde in afwachting van het ongezegde
Poëzie
Gedichten
Essay
Limbo
Essay
Twijfelen over België
Poëzie
Blauwdruk
Essay
De ficties van Edward Said
Verhaal
Queen of Sales
Essay
Witte jas
Stripverhaal