Redactioneel
Geef het volk zijn taal, opdat het zijn waardigheid voele; geef het zijn taal, opdat het zich naar de behoeften van zijn eigen wezen ontwikkele; geef het zijn taal, want met de tong raken de gedachten los, krijgen ze vorm, worden ze leven dat zich voortzet.
August Vermeylen, ‘Vlaamsche en Europeesche Beweging’ (1900)
Op de stralende ochtend dat ik in de trein naar België stap, valt in Nederland het kabinet-Schoof. Als ik niet alleen zou reizen, zou ik iemand in de armen vallen en juichen. Bij wijze van gesprekspartner ververs ik telkens Bluesky. Ik dacht al, wat is die zon ineens aan het schijnen, post ik bij het delen van het nos-bericht over de Val, en hoop op reacties, maar als onregelmatige gebruiker moet ik me tevredenstellen met een enkele like. In de maanden die zullen volgen, in aanloop naar de verkiezingen, zal een klein maar luid deel van Nederland zijn lelijkste gezicht laten zien. Een nativistisch nationalisme blijkt al te gemakkelijk te kunnen worden aangeboord door opportunistische politici, en eenmaal opgestookt zoekt het als automatisch de uitdrukkingsvorm van de vuistslag, het wegduwen, de grenscontrole en de vuurwerkbom. Dat lijkt nu nog ver weg. Op dit moment denk ik dat ik in Brussel moet zijn om nationalistische sentimenten te verkennen. Dat is ook niet onwaar. De hoofdstad van België, van Vlaanderen en zo je wil ook van Europa — maar niet van Wallonië, die kozen voor Namen — vormt het ultieme twistpunt in de onophoudelijke Vlaams-Waalse worsteling, en een buitenstaander kan makkelijker toeschouwer spelen.
De taalkwestie en de manier waarop die is verbonden met groepsvorming, nationalisme, in- en uitsluiting, daarnaar wil ik kijken tijdens deze maand in residentie bij literatuurhuis Passa Porta. Bij aankomst in Brussel loop ik onmiddellijk tegen een tragikomische boedelscheiding aan. De onbehoorlijk grote etalage van de blinkende Flandersshop toont wat Vlaanderen zoal te bieden heeft: paraplu’s met maskers van Ensor, vazen in de vorm van vissen, T-shirts met de tekst ‘Beer, fries and the beauty of the race — the heart of cycling beats in Flanders’. Het iets verderop gelegen, veel kleinere Mon Espace Wallonie oogt knus en knullig, met vooral veel eetbaars en drinkbaars in potjes en flesjes. ‘Alles is dubbel in Brussel,’ zal een Nederlandse expat me later zeggen. Van kinderopvang tot parlement — waar het geregeld kon worden bestaat zowel een Frans- als een Nederlandstalige versie. Maar tegenover een wettelijke tweetaligheid staat een praktijk van Franstalige dominantie. Met ‘Hallo, Bonjour’ tast ik af waar men op reageert, in restaurants en winkels, aan het postloket en in het zwembad — het is zelden het Nederlands. De Taalmonitor van 2024 bevestigt: 81 procent van de Brusselaars spreekt Frans, 22 procent Nederlands; 36 procent spreekt énkelFrans, minder dan 1 procent enkel Nederlands.
Mijn eigen Frans is goed genoeg om iets te bestellen, maar niet om ruzie in te kunnen maken. Niet thuis zijn in een taal betekent dat elk moment van communicatie inspanning kost, klunzigheid en ongemak dat ik compenseer met overmatig glimlachen. De makkelijkste optie is zwichten voor de taal die de wereld al heeft overgenomen, maar nu het land van de zogenaamde free and brave het pad van de dystopische autocratie is ingeslagen, voelt het als een principekwestie om dat niet te doen. Vanuit deze houding, van een Nederlandstalige die eigenlijk Nederlands wenst te spreken, glijd ik vrijwel elke dag kortstondig in een frustratie die de voedingsbodem kan zijn voor een partij als Vlaams Belang. Als er één nationalistische reflex is waarvoor ik sympathie kan opbrengen, dan is het die van de taalbescherming.
‘On parle le flamand aux animaux et aux domestiques — je praat Vlaams met beesten en knechten, in die volgorde,’ opent de podcast Kinderen van het ABN (2023) van dialectexpert Miet Ooms. Die schofterige uitspraak, in de eerste helft van de twintigste eeuw nog gebruikelijk onder Franstalige Belgen, vangt de noodzaak van de taalstrijd en van de bredere Vlaamse emancipatiebeweging, het flamingantisme. Die ene zin bevat het klassenverschil, het onrecht, de vernedering. Hij verklaart waarom flaminganten ertoe opriepen het Standaardnederlands te hanteren: opdat hun taal niet langer kon worden weggezet door Franstaligen als ‘slechts een dialect, geen rechten waard’. Na de Belgische Opstand van 1830, waarbij België zich afsplitste van Nederland, leefden de Nederlandstalige Belgen, een getalsmatige meerderheid, als een inferieure minderheid. Dat duurde tot de instelling van de taalgrens in 1963, die de Belgische gemeenten Nederlands- óf Franstalig maakte (behalve dan de negentien van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de negen Duitstalige in het oosten). ‘Een geheel volk werd in een vreemde taal bestuurd; men veroordeelde mensen zonder dat zij van beschuldiging en vonnis één woord verstonden; zelfs in de lagere scholen moest Frans de voertaal worden, en de uitslag was een algemene onwetendheid onder de arbeiders, de boeren, de kleinburgers,’ vatte de invloedrijke Brusselse flamingant en letterkundige August Vermeylen de negentiende-eeuwse uitgangssituatie kernachtig samen. Maar de strijd van de Vlaamse Beweging, onderstreepte Vermeylen keer op keer, moest niet enkel een taalstrijd zijn. Onderdrukt worden in je eigen taal, daar heb je nog niets aan, deze emancipatiebeweging moest ook de klassenverschillen opheffen, moest hand in hand gaan met sociale rechtvaardigheid. ‘En kom me niet preken dat ik eerst en vooral Vlaming moet zijn. Ik ben eerst en vooral ik, een mens — en het minst veranderlijke wat ik in mij erken, vind ik terug bij alle mensen die tot mij komen, in welke streek zij ook geboren zijn,’ schreef hij in ‘Kritiek der Vlaamsche Beweging’ (1895). Wat een redenaar, wat een held.
Ik heb het altijd een spijtige zaak gevonden,’ zegt Piet Joostens, mijn aanspreekpunt bij Passa Porta, ‘wat er is gebeurd met de Vlaamse Beweging.’ Piet draagt een shirt van Belgisch voetbalelftal de Rode Duivels, ik een tweedehands rode jurk, want we maken deel uit van de massa die een Rode Lijn wil trekken tegen genocide. Tussen gezinnen compleet met kinderwagens lopen we van de benedenstad (waar, zo vertelt Piet, van oudsher ‘het volk’ woonde, wat vroeger samenviel met ‘de Nederlandstaligen’) naar de bovenstad (waar vroeger de Franstalige elite huisde en inmiddels het Europarlement). Deze tocht geeft Piet genoeg tijd voor een beschrijving van een teloorgang. In de jaren zeventig, Piets kindertijd, ging zijn vader jaarlijks naar de IJzerbedevaart, waar de Vlaamse gevallenen uit de Eerste Wereldoorlog werden herdacht. Zijn vader bezat ook een oude vlag met de Vlaamse leeuw erop: eenduidig zwart tegen een gele achtergrond, anders dan de Belgische leeuw, die met zijn rode tong en klauwen de driekleur toont. ‘En hij was progressief, hij had niets tegen België of Franstaligen, hij had het alleen niet op de Franstalige bourgeoisie.’ Piets vader paste binnen een flamingante stroming die zich, met de collaboratie van Vlaams-nationalisten tijdens de Duitse bezetting op enige afstand, had herpakt als sociaaldemocratische kracht. Lang mocht dat echter niet duren; de economische recessie van de jaren tachtig, met bijbehorende werkloosheid, zorgde ook in België dat nationalistische gevoelens zich al te gemakkelijk lieten koppelen aan antivreemdelingenretoriek over de recentelijk geronselde en nu alweer ontslagen gastarbeiders. De Volksunie, een flamingante partij die aanvankelijk alle richtingen verenigde, van behoorlijk links tot uiterst rechts, begon uiteen te vallen, waarbij de progressieve en socialistische afsplitsingen nooit zo populair werden als de radicaal-rechtse en neoliberale. De vlag met de zwarte leeuw werd tijdens de IJzerbedevaart door neonazi’s rondgezwaaid. Zodra men daar, eind jaren negentig, officieel verdraagzaamheid en inclusiviteit ging verkondigen, begon de rechtse vleugel de IJzerwake, waar conservatieve katholieke jongeren zij aan zij stonden met etnonationalistische clubs als Voorpost. (Een cyclus die zich wellicht herhaalt: de IJzerwake werd in de zomer van 2025 omgedoopt tot het IJzertreffen, dat weer ‘gezinsvriendelijker’ zou moeten zijn.)
‘Kijk, daar heb je het gebouw van Vlaams Belang,’ wijst Piet, bij een zandkleurige blokkendoos met rechthoekige ruiten waarop Vlaamse leeuwen prijken. Onder de zwarte leeuwen staat, in een eindeloze herhaling: eerst onze mensen.
Via Piets zus Griet, die werkte op een basisschool in de Vlaamse Rand rond Brussel, in een Nederlandstalige gemeente waar men zich zorgen maakt over ‘verfransing’ door Franstaligen die francofone ponyclubs beginnen, kom ik in contact met een hedendaagse Vlaams-nationalist. Bart De Valck, geboren in 1965, werd al op zijn vijftiende actief in de Vlaamse Beweging. Eerst ijverde hij, ruim twintig jaar, met het anarchistische Taal Aktie Komitee voor naleving van de taalwetten, vervolgens lobbyde hij met de Vlaamse Volksbeweging voor een eigen Vlaamse staat, tot hij moest vertrekken vanwege zijn relatie met een Vlaams Belang-Kamerlid, omdat de Vlaamse Volksbeweging partij-onafhankelijk wil zijn. Zijn separatisme zet hij voort bij de International Commission of European Citizens, waar onder anderen Catalanen, Schotten en Venetianen elkaar vinden in hun onafhankelijkheidsstreven. Als basisschooldocent haalt hij zich intussen met dat activisme regelmatig kritiek van ouders en van het schoolbestuur op de hals — ‘Allez, het is geen gemakkelijk pad hè, ge zijt wel altijd kop van Jut, maar bon, ik heb het overleefd tot nu toe.’
Bij het terras van De Markten — een van de schaarse plekken in Brussel met Nederlandstalige bediening — arriveert De Valck in een wieleroutfit, op een oranjekleurige elektrische fiets. Al in de eerste minuten van ons gesprek — de koffie is nog niet besteld — laat hij me weten dat hij een ‘Groot-Nederlander’ is. De Belgische Opstand ziet hij als ‘een historische vergissing’ (net als Bart De Wever, de huidige premier van België). De Valck kwalificeert zichzelf daarnaast als republikein en democraat, maar in zijn antimonarchisme maakt hij een uitzondering voor de Nederlandse koning Willem Ⅰ, die België na de nederlaag van Napoleon bestuurde. Voor hem heeft hij niets dan lof. De Opstand was wat De Valck betreft dan ook geen rechtmatige revolutie, maar een één-tweetje tussen de Franse regering en de Belgische elite. Die Franstalige bovenlaag zou de democratisering en vernederlandsing van het onderwijs die Willem Ⅰ in gang had gezet onverteerbaar hebben gevonden. (Geen volstrekt uit de lucht gegrepen lezing van de geschiedenis, al zien historici zoals Marc Reynebeau wel meer bronnen van onvrede, waaronder Willems protestantisme en een hoge belastingdruk.) Hereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, dat is voor De Valck ‘de max’. De taalgrens tussen Vlaanderen en Wallonië zou wat hem betreft ook de staatsgrens moeten zijn. Want Vlamingen en Walen zijn voor hem onverenigbaar, niet alleen vanwege het taalverschil maar ook vanwege hun vermeende volksaarden, die hij samenvat als behoudend versus opstandig, kerkelijk versus socialistisch, en bescheiden versus hoog van de toren blazend. België ziet hij als ‘een gedwongen huwelijk’, waarin de één de almaar oplopende rekening betaalt, terwijl de ander respectloos de eigen gang gaat. ‘Ik voel mij als partner totaal genegeerd en ik kan niet praten met mijn partner, dus ik wil hier weg!’
De Valck praat met vuur en vrijwel zonder pauzes. Als hij vertelt over de Guldensporenslag van 1302 is het alsof de Franse ridders gisteren nog in de pan werden gehakt en hij daar zelf tussen stond. Als hij vertelt over de Grote Oorlog voel je zijn innige medeleven met de arme Nederlandstalige drommels in de loopgraven, die ‘sukkelaars van boerenzonen en ambachtslui’, die de Franse bevelen van hun superieuren niet konden verstaan en daardoor dubbel onnodig de dood in werden gejaagd. ‘Daar zijn die jongens omgeslagen van belgicistisch, tricolore, naar afschuw van alles wat met België te maken heeft.’ Hij belandt onvermijdelijk bij een van de mythen waar het Vlaams-nationalisme op rust, die van twee flamingante Vlaamse broers, Edward en Frans Van Raemdonck. Zij zouden in de loopgraven ineengestrengeld zijn gesneuveld, maar ook De Valck moet erkennen dat dat verhaal dichterlijk verfraaid is. Edward stierf niet werkelijk in omhelzing met zijn jongere broer Frans, helaas. ‘Maar hij was wel naar hem op zoek gegaan, het was de bedóéling dat ze in elkaars armen stierven.’ In plaats daarvan stierf Frans in de armen van een andere soldaat. Wie dat dan was, wil ik weten. ‘Toch niet een Waal?’ De Valck lacht niet mee, hij stapt over op een ander onderwerp.
Hij doet me denken aan Don Quichot, Bart De Valck. Hij maakt van zijn leven een avontuur, met zijn afscheidingswens als voortdurend voortstuwend onbereikbaar verlangen. Ergens heeft dat iets benijdenswaardigs. Naast een doel heeft hij ook een plek, een groep, hij is onderdeel van een geschiedenis, hij lééft die geschiedenis. Het is een verwarrend gesprek, want ergens mag ik hem wel, deze man die het niet kan nalaten te klagen over ‘massamigratie’ en ‘linkse media’. Hij is hartelijk, meester Bart, hij protesteert telkens als ik de koffie betaal, gunt elk volk, inclusief de Palestijnen, een eigen staat (waarbij hij ‘een volk’ niet raciaal definieert maar cultureel), en hij handelt waar hij onrecht waarneemt, zamelt brandblussers en kogelwerende vesten in voor Oekraïne — ‘Dat activisme zit in uw lijf hè.’ Hij vertelt dat hij er ook naartoe is gegaan, naar Oekraïne, dat hij daar op een kerkhof al die graven zag van jonge jongens en… ineens valt hij, voor het eerst, stil. Hij knippert vergeefs om opkomende tranen terug te vechten. ‘Ach,’ zeg ik, waarop hij me afleidt door te wijzen naar een winkelpand. ‘Crèmerie de Linkebeek,’ zegt hij, en kucht even, ‘die mensen komen waarschijnlijk ook uit de Vlaamse Rand.’
Eenmaal terug in mijn statige residentieappartement met de krakende houten vloer en de hoge plafonds met sierlijsten, beduusd van het vier uur durende gesprek, word ik bevangen door een gevoel van verlies. Een verlies bij voorbaat, bij alleen al het idee van een opgesplitst België, een Vlaanderen dat niet langer anders is maar eigen, geen ‘buitenland’ maar een verlengstuk. Nooit meer kunnen twijfelen over België, omdat iedereen daar lacht — die grote onwaarheid, dat mooie beeld. Ik zet Stromae op, echte naam Paul Van Haver, reïncarnatie van Jacques Brel. Zonder België, zonder de samensmelting van een Oost-Vlaamse vrouw en een Rwandese man in Brussel geen Stromae. Zonder België geen Jacques Brel. Ik zoek op hoe het nou zat met die gebroeders Van Raemdonck, met hun broederliefde tot in de dood. Een dossier van de vrt geeft dit antwoord: terwijl zijn broer naar hem op zoek was, stierf de twintigjarige Frans Van Raemdonck in de armen van de zesentwintigjarige Amé Fievez. Een Waal. Geen broederschap van bloed, taal en bodem. Wel: een broederschap van gedeelde verdrukking, van tot kanonnenvoer gemaakt zijn door de nationalistische waandroom en de machtswellust van hogere heren.
Amicale socialisten vragen me om mee te doen aan een voedselbedeling bij de humanitaire hub aan de Havenlaan. Ik heb mezelf de opdracht gegeven om zolang ik hier ben ja te zeggen tegen elke groepsactiviteit. In een bijgebouwtje van een loods, waarvan de glazen deuren open kunnen om de buitenwereld binnen te laten, nemen wij, de vrijwilligers, onder wie enkele vluchteling-vrijwilligers, plaats achter aan elkaar geschoven tafels. Mijn plaats is achter de flesjes water, tussen de vrouw met het voorgesneden brood en de vrouw met de warme maaltijden in papieren doosjes. Vanaf halfeen komen de mensen langs de andere kant van de tafels gelopen, netjes in de rij maar snel voorbij, zo’n vierhonderd personen, bijna allemaal mannelijk, in alle leeftijden vanaf de puberteit en in alle tinten die de menselijke huid kan aannemen, maar wit-roze-beige is — anders dan aan mijn kant van de tafel — zwaar in de minderheid. Wij, de vrijwilligers, zijn een geoliede machine van ‘Bonjour goeiedag’, een lach, een voedingsmiddel. (‘Wil je het kontje?’ vraagt de vrouw naast me, die uit Nederland komt, meerdere keren aan mannen die verward hun schouders ophalen — ‘Wat is “kontje”in het Frans?’) De ontvangers knikken of groeten, aanvankelijk uitdrukkingsloze gezichten breken open in een voorzichtige of een brede glimlach. Of, minder vaak: blijven uitdrukkingsloos, gesloten, kijken naar de grond of naar een telefoon. De telefoonstaarders ergeren me, tot het woord ‘trots’ omhoogschiet. Dit is geen onbeschoftheid, dit is een poging tot behoud van waardigheid, een ontkennen dat jij iemand bent die hulp aanneemt. Dit is wijzen naar crèmerie de Linkebeek om even niet gezien te worden.
De amicale socialisten horen bij Vriendschap zonder grenzen/Amitié sans frontières, een organisatie die voortkomt uit de laatste unitaire partij van België: de Partij van de Arbeid/Parti du travail de Belgique (niet te verwarren met onze PvdA). Zowel de partij als Vriendschap zonder grenzen is gelijkwaardig Frans- én Nederlandstalig, en die talen worden dan ook door elkaar gesproken bij alles wat ze doen. Tijdens een gespreksavond die ik bezoek, over de vraag hoe vrijwilligers vluchtelingen het beste kunnen ondersteunen, werken twee simultaantolken zich een slag in de rondte. De traumapsychologe die de lezing geeft, schakelt halverwege over van het Nederlands op het Frans. Het kan dus, denk ik: evenveel recht doen aan beide talen. En als het hier kan, waarom dan niet door heel België? Het is omslachtig en arbeidsintensief, maar dit is een rijk land, met een hoge werkloosheid — als men het wil, is het mogelijk.
Taalsocioloog Rik Vosters onderdrukt een treurig lachje bij het idee van een eensgezind twee- of zelfs drietalig België. Dat gaat hem niet meer worden, na al die energie die is gestoken in de opdeling. ‘Ik zou het mooi vinden, natuurlijk, het is doodzonde dat er niet meer wordt ingezet op vroeg tweetalig onderwijs.’ Op Vlaamse scholen krijgen alle leerlingen Frans als vreemde taal, maar pas vanaf een jaar of tien. Dan is het wat Vosters betreft al te laat om je een taal werkelijk eigen te maken, wat de gemiddelde Vlaming met Frans ook niet van plan is. In Wallonië is Nederlands een keuzevak; de meesten kiezen daar voor Engels. Daar staat volgens Vosters tegenover dat er in Wallonië meer goodwill is en meer tweetalig immersieonderwijs, waardoor een kleine groep juist vloeiend Nederlands spreekt. ‘Het is niet symmetrisch,’ verzucht hij, ‘en we staan er niet eens bij stil dat we het “vreemde talen” noemen, terwijl het nationale talen zijn.’
Ik spreek Vosters in zijn krappe, met boeken volgestapelde kantoor op de vijfde verdieping van de Vrije Universiteit Brussel. Hij spreekt zacht en bedachtzaam, zegt meermaals dat de taalkwestie ‘een gevoelig onderwerp’ is. Net als Piet noemt hij zich desgevraagd ‘Nederlandstalige Brusselaar’ — de geijkte zelfidentificatie voor hoofdstedelingen die geen partij willen kiezen tussen ‘Vlaming’ en ‘Belg’ —, maar hij twijfelt aan die typering, want eigenlijk voelt hij zich evenzeer Limburgs. Hij groeide op in Belgisch-Limburg in een gezin dat dialect sprak en kwam pas op school in aanraking met het Standaardnederlands — ‘dus ik heb altijd wel een gevoel gehad dat taal een cruciaal deel is van identiteit’. De tweedeling Nederlands-Frans is te beperkt voor België, aldus Vosters. Dat was al zo tijdens de periode die hij voor zijn proefschrift onderzocht — het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, toen Willem I het Frans verving door het Nederlands ‘als natiebindend instrument’ en daarbij de variëteiten binnen het Nederlands moest negeren —, en dat is het nu zeker. ‘In Brussel zijn talloze gezinnen meer- of anderstalig. Bij hun schoolkeuze zie je vaak sociale in plaats van talige motivaties. Omdat het Nederlands wordt gezien als de taal van sociale mobiliteit, kiezen veel Spaanstalige en zelfs Franstalige ouders voor Nederlandstalig onderwijs.’
Historische pijn laat zich moeilijk afschudden, maar de huidige Belgische situatie staat diametraal tegenover die van een eeuw geleden: Vlaanderen is nu het rijke gewest, met de betere baankansen. Het Nederlands wordt nu ook stevig beschermd. Verfransing ziet Vosters dan ook niet als een reële dreiging voor Vlaanderen, op de Brusselse Rand na. Wel begrijpt hij dat gevoelens van dreiging en vernedering zijn blijven hangen, ook vanwege het achterblijvende culturele prestige van het Nederlands ten opzichte van het Frans. Werkelijke waardering voor de Nederlandse taal is bij Franstaligen vaak nog ver te zoeken. En dat maakt sommigen zo rabiaat anti-Frans dat anderen daar, met de lieve vrede in het achterhoofd, voor gaan compenseren. ‘Anders dan mijn vrouw, die Spaans is en goed Nederlands spreekt,’ zegt Vosters, ‘begin ik in Brussel vrijwel altijd in het Frans. Voor haar speelt die lading van de taalstrijd niet, maar ik wil niet die Vlaming zijn die erop staat dat… Je houdt van je taal en je wil je taal gebruiken en daar is helemaal niets mis mee, maar je kan dat niet op een complexloze manier beleven.’
Wat vindt hij mooi aan onze taal? vraag ik Vosters, in de hoop dat zijn ogen achter zijn bril zullen gaan schitteren en hij me taalkundige eigenaardigheden zal gaan voeren, iets over de open klinkers, verkleiningsachtervoegsels, samenstellingen. Maar nee, de schoonheid van een taal op zich, daar moet ik bij hem niet mee aankomen. ‘Het zijn de sprekers die een taal mooi maken,’ zegt hij stellig. In mijn hoofd schieten mensen voorbij die het Nederlands het luidst spreken, de talkshowquerulanten, de influencers, Wilders met zijn haatdragende taalvondsten en zijn venijn tegen alle cultuur buiten de Efteling. Ik denk aan de Hollandse toegeeflijkheid tegenover het Engels, het dedain waarmee zoveel Nederlanders, inclusief onze boekbesprekers, de eigen literatuur benaderen (‘on-Nederlands goed’). Hoe liefdeloos, hoe pragmatisch en hoe onachtzaam wordt onze taal behandeld door haar eigen sprekers.
Op mijn zoektocht naar de uitgang in dit gebouw van smalle gangen sla ik een hoek om en zie, opgeprikt op een prikbord, een uitgeprint A4’tje met daarop, alsnog, een kleine liefdesverklaring ‘aan de Nederlandse taal’.’ Ik besta in de manier / waarop ik van je houd,’ dicht Mark Insingel,’ Jij vormt mijn lippen, jij / bestaat in de manier / waarop men mij verstaat. / Ik wil je horen en ik / spreek, ik wil je zien en / teken je, lichaam van / tekens, in betekenis / heb ik gemeenschap met / je, in gemeenschap met/ je voel ik: ik besta.’ Ik lees het en weet: die Insingel is Belgisch, Vlaams, een oudere Vlaming, zeker geen Nederlander. Hier spreekt iemand die weet hoe het voelt wanneer je taal van je wordt weggehouden.
Oh God, / God of sorrow and death, / God of misery and exile, / God of yesterday and tomorrow, / why is my entire people led to the slaughter? / Is there no one? / Is there no one/ to stop this blade from our necks?
Op het dakterras van Passa Porta, tijdens hun feestelijke fin de saison, te midden van mensen die proosten met rosé en cava: de zevenentwintigjarige Palestijnse dichter en activist Ahmed M. Saleh, die voordraagt in het Arabisch, waarna Toon van de organisatie de Engelse vertaling geeft. Niets wat nog past na deze woorden, maar het is een open mic, dus volgt er, in het Nederlands, een humoristisch bedoeld verhaal over een sollicitatiegesprek — alles bestaat naast elkaar, zeker in Brussel.
Ahmed en ik drinken koffie op een hip, zonnig terras, daags nadat hij, precies twee jaar na zijn aankomst in Europa, heeft gehoord dat hij in België mag blijven. Hij heeft zichtbaar moeite de vreugde over dat nieuws tot zich door te laten dringen, de slechte nachtrust tekent kringen op zijn mollige, jongensachtige gezicht. We spreken in het Engels, dat verdomde Engels, over zijn vergeefse pogingen de Vlaamse regering in beweging te krijgen om schepen met wapenonderdelen voor Israël in de haven van Antwerpen te laten staan, en over zijn botsingen met Hamas-aanhangers, in Palestina en hier. In Gaza werd hij telkens gearresteerd, de laatste keer omdat hij een filmvertoning had georganiseerd waarbij mannen en vrouwen door elkaar mochten zitten. Hij is geen gewone vluchteling, zegt hij, maar een politíék vluchteling. ‘Ik vertrok uit Gaza vanwege de leegte, hoe zeg je dat…’ — hij typt het Arabische woord dat precies uitdrukt wat hij bedoelt in Google Translate. Existential vacuum, zegt de vertaalmachine. ‘Zoiets,’ zegt Ahmed, ‘ik vluchtte om vrijheid te vinden.’
Als zijn vriendin Franziska aanschuift — frisblauw overhemd en dito ogen —, vervolgen we in een mix van Engels en Nederlands. Franziska, afkomstig uit Oost-Duitsland, maar op haar vierde verhuisd naar het Duitstalige gebied in België, spreekt immers vloeiend Nederlands (naast vloeiend Duits, Frans en Engels), en Ahmed blijkt intensief Nederlandse les te hebben gehad, vier uur per dag. Hij kan het verstaan maar nauwelijks spreken, want ‘iedereen praat Engels met me’. Het onderwerp waar beiden van opleven is het Arabisch, dat Franziska aan het leren is. Ze hoopt dat het ‘haar taal’ zal worden. Nu heeft ze eigenlijk geen moedertaal, vindt ze, in het Duits schrijven is ze deels verleerd, steeds meer woorden ontbreken. Ook Ahmed begint al woorden te missen, zegt hij, terwijl hij voor vertrek uit Gaza geen Engels sprak — zo snel neemt die taal het over. ‘Maar het Arabisch,’ zegt zij, ‘heeft meer woorden dan welke andere taal dan ook, je kan er zoveel mee uitdrukken.’ Daar, in die taal, wil zij hem ontmoeten, terwijl hij in het Engels de brug slaat naar haar, naar Brusselse collega’s, naar westerse lezers. Dankzij dat Engels, en dankzij het feit dat hij gedichten schrijft, vond hij, dwars door de ontmenselijkende asielprocedure heen, een plek hier in Brussel, binnen een internationale schrijversgemeenschap. Schrijven, zegt hij, bracht me een nieuw thuis.
Vergelijkbare bewoordingen gebruikt Rob van Essen, hoe anders zijn omstandigheden ook zijn, op een avond op het terras van De Markten. Hij voelde zich een buitenstaander, zegt hij, tot zijn schrijverschap door andere schrijvers werd herkend en gewaardeerd. ‘Bij de schrijvers vond ik mijn plek in de wereld.’ Ik voel het ook, hoezeer mijn situatie ook weer verschilt van de zijne. Zonder er al te zeer op aan te sturen kom ik in Brussel voortdurend in schrijverskringen terecht. Zij reageren het snelst als ik een bericht stuur, of benaderen mij zodra ze zien dat ik hier op residentie ben — vooral, logischerwijs, de Nederlandse schrijvers. Ik had niet verwacht dat het zo gemakkelijk zou gaan, in Nederland voel ik me er vaak buiten vallen, buiten alle schrijverskliekjes. Hier blijkt dit toch mijn groep te zijn.
De Nederlandse schrijvers geven hoog op van Brussel, zeggen zich nederiger te voelen hier, als minderheid tussen andere minderheden. Ze zeggen hier veel gemakkelijker aansluiting te vinden dan in Antwerpen, waar de sociale verhoudingen vastgeklonken zouden zijn, voor nieuwkomers ondoordringbaar. Die aansluiting blijken ze wel voornamelijk te vinden met ‘andere internationals’ en niet tot nauwelijks met Vlamingen, die ze ‘afstandelijk’ noemen, ‘op zichzelf’. Hun verblijf hier voelt tijdelijk, en is dat vaak ook, maar juist daarin lijken ze hun houding als schrijver, als betrekkelijk ongebonden individu, te kunnen vinden.
We gebruiken vergelijkbare kwalificaties als De Valck als we het hebben over de ‘aard’ van de Vlamingen, maar we wijzen het nationalisme af, vanzelfsprekend en bij voorbaat, wereldburgers die we zijn. Waar we niet bij stilstaan, niet langer dan een enkele losse opmerking: dat de culturele organisaties die onze verblijven faciliteren, waar we podcasts voor maken, stukken voor schrijven en het podium voor op gaan, bestaan bij de gratie van Vlaams nationalisme. De organisaties zijn uitgesproken progressief, zouden onder weinig andere nationalistisch gezinde overheden worden gespekt, maar hier lijkt het voor de Vlaamse overheid vooralsnog te volstaan dat ze het Nederlands bevorderen en zo nu en dan eer betonen aan een Vlaamse literaire held. Wij, de Nederlandstalige schrijvers, profiteren, gewild of ongewild, van het bestaan van dit dubbelsprakige land en de spanningen die dat oplevert. Betrekkelijk ongebonden of niet, als schrijvers hebben we onze identiteit verbonden aan de taal die we het best beheersen. Kunnen we anders dan afhankelijk zijn van degenen die onze taal op waarde schatten?
Mijn laatste avond in Brussel breng ik door op de Grote Markt. Hier, op de meest toeristische plek van de stad, wordt een historisch spektakel opgevoerd: de Ommegang, door Unesco erkend als immaterieel cultureel erfgoed, in een rijtje met ‘de Belgische biercultuur’ en ‘de Garnaalvisserij te paard in Oostduinkerke’. Ook zonder regering blijkt Brussel in staat om 1400 vrijwilligers te ronselen die een zestiende-eeuws feest ter ere van keizer Karel Ⅴ laten herleven, compleet met ridders, vendelzwaaiers, steltlopers en vele banieren. Misschien is het omwille van historische getrouwheid dat de inleidende tekst, uitgerold door een man in lakeienkostuum, wordt uitgesproken in het Frans, de toenmalige hoftaal, met slechts her en der een halve zin Engels of Nederlands, maar ik voel een Vlaams-nationalistische verongelijktheid in me opborrelen. Als de vertelling drietalig wordt voortgezet — Frans, Nederlands en Engels, de Duitstalige minderheid moet zich schikken — kan ik me aan andere dingen gaan storen. Aan het bizarre dat de Habsburgse Karel een wereldrijk het zijne kon noemen dat niet alleen de Bourgondische Nederlanden en het Duitstalige gebied omvatte, maar ook Spanje, het merendeel van Italië en aanzienlijke gebieden in Amerika en Azië. Dat hij dat toch nergens aan had verdiend, net zomin als de superrijken van nu hun groteske bezit verdienen, Jeff Bezos met zijn Venetiaanse praalhuwelijk en zijn werknemers die nog geen pauze krijgen om in te plassen, en hoeveel moeite doen wij mensen steeds weer om zulke plunderaars te behagen — maar zie die steltlopers, die elkaar met hun stelten pootje proberen te haken, als ze maar niet vallen, daarvoor staan ze veel te hoog, ai, ze vallen, of nee, die daar blijft balanceren, wiebelend op één boomlange staaf, bravo! Ik laat me, ja, meeslepen: de botsende stelten, wapperende vaandels, paraderende paarden en papier-maché monsters verdringen alle gedachten aan onrecht of imperialisme. Pas helemaal aan het eind, als de vertellers ons op het hart drukken dat dit spektakel alleen mogelijk was door de samenwerking tussen Noord en Zuid, als ze in drie talen achter elkaar, voor een juichend publiek, ‘Eendracht maakt macht!’ roepen, die Belgische wapenspreuk die toch echt het krachtigst klinkt in het Nederlands, ben ik weer in staat tot kritisch denken. Natuurlijk, denk ik, zo werkt propaganda.
Brussel, stad van rooftopbars, chocolade, smog en op straat gerookte cocaïne, viert zijn in bier gedrenkte zaterdagnacht, de mensen zoeken hun slaapplekken in panden en parken en ik wandel voor de laatste keer terug naar mijn al te royale residentieappartement, mazzelaar dat ik ben, omdat ik me schrijver mag noemen.
Als het zonlicht weer over de straten stroomt, ga ik, op weg naar het station, nog één keer langs het terras van De Markten, gelokt door het hortende geluid van een amateurorkest. Het is een klein orkest van blazers en zangers, dat Nederlandstalige liedjes speelt: ‘Heb je even voor mij’, ‘Wat zullen we drinken’, ‘Kom van dat dak af’. Niet bepaald de meest verfijnde hoogtepunten uit de Nederlandse liedcultuur, maar het kleine orkest speelt met oprecht enthousiasme en wordt onthaald op uitgelaten applaus en complimenten. Juist, opvallend genoeg, door Franstaligen. Met zijn hand op zijn hart zegt een verfomfaaide witte jongen — warrig haar, stoffige broek — dat hij het merveilleux vindt, ‘dank u wel’. Een van de orkestleden vraagt hem verrast of hij Nederlands spreekt. Schutterig antwoordt de jongen, met zijn blik op zijn schoenen en een verontschuldigende glimlach: ‘Ik spreek een beetje het Nederlands.’ ¶
Essay
De (ai)R komt met een hoge prijs
Poëzie
We kwamen elkaar tegen en we brachten de klank voort
Essay
Hé, zeg eens [r]
Poëzie
Gedichten
Beeld
Beeldbijdrage
Poëzie
hove r c r aft
Beeld
Beeldbijdrage
Essay
De r als sjibbolet
Essay
Ik heb mijn vaders stem
Essay
The Continental R
Polarisatie, oorlog en samenleven
Tribalisme en de kleine filosofe
Beeld
Beeldbijdrage
Verhaal
Transcript van het gezegde in afwachting van het ongezegde
Poëzie
Gedichten
Essay
Limbo
Poëzie
Blauwdruk
Essay
De ficties van Edward Said
Verhaal
Queen of Sales
Essay
Witte jas
Stripverhaal