Lotte Schröder

Het was nog donker buiten toen de schrijver bij het Instituut arriveerde. Het was bijna november, de dagen werden steeds korter. De lichten van het Instituut trokken nachtuiltjes aan, die onbeholpen tegen de ramen tikten. Door de warme herfst dachten ze dat het nog zomer was.

Voor de schrijver was het een bekend probleem. Ze woonde aan de rand van een park, en in dat park sliepen honderden vlinders. Wanneer de schrijver ‘s nachts de ramen niet sloot, vlogen de nachtuiltjes zo de slaapkamer in. Daar deden ze dan een ingewikkelde dans rondom de plafonnière. Vreselijk vond de schrijver dat.

Behalve het tikken van de nachtuiltjes hoorde de schrijver rondom het Instituut ook nog van alle kanten water stromen. Het zal wel openbare kunst zijn, dacht de schrijver – ze meende fonteinen te horen. Acuut moest ze ervan plassen. Zou daar nog tijd voor zijn? Vast wel.

In de gang van het Instituut was geen deur waarop het woord ‘Toilet’ stond, noch een bordje dat haar in de juiste richting van zo’n deur kon wijzen. Wel was er een man achter een balie die een naambordje droeg met het woord ‘Beveiliging’erop. ‘Bent u de halfacht van de afdeling Culturele Vooruitgang?’ vroeg hij.

‘Ja, dat ben ik,’ zei de schrijver.

De man drukte op een knopje dat achter de balie verborgen zat. De glazen draaideur tegenover de ingang kwam tot leven. Hij was vrij traag, de schrijver kon hem alleen schuifelend passeren. Als ze in haar gewone tempo had gelopen, was ze geheid met haar neus tegen het glas gestoten.

‘Welkom,’ zei een vrouw die de schrijver kennelijk had opgewacht. De vrouw was hoogblond en droeg een keycord om haar nek. ‘Ik ben Liesje,’ zei ze, ‘we kennen elkaar van de mail. Jij bent mijn halfacht, toch? Kom verder.’

‘Is er hier een toilet?’ vroeg de schrijver.

‘Nee, helaas,’ antwoordde Liesje, die al richting een open deur verderop in de hal liep. De schrijver volgde. Onderweg naar de deur keek ze nog even goed om zich heen, maar er leek daadwerkelijk nergens een toilet te zijn.

De open deur leidde naar een vergaderzaal. Naast de deur stond een industrieel koffieapparaat met allerlei opties voor warme dranken: latte, cappuccino, macchiato. ‘Neem wat je wil,’ zei Liesje. ‘Ik ga alvast zitten met je dossier.’

De schrijver drukte op de knop ‘wienermelange’ omdat ze niet wist wat dat was, en omdat ze een avontuurlijk karakter had. Het apparaat begon te pruttelen: een wienermelange bleek een mix van koffie en warme chocolademelk te zijn. Niet lekker, maar die drank had ze nu eenmaal gekozen. Het was onbeleefd om hem eerst in de wereld te brengen en vervolgens onaangeroerd te laten. De schrijver nam hem dus toch maar mee, uit deugdzaamheid. Ook dat was haar karakter.

‘Zo,’ zei Liesje. ‘Wat fijn dat je er deze ochtend kon zijn. Ga zitten.’ Ze gebaarde naar de poefen die rondom de vergadertafel waren opgesteld. De schrijver zag nu pas dat er geen enkele stoel met een rugleuning was: er waren louter poefen. Merkwaardig.

‘Wij doen niet aan stoelen,’ zei Liesje. ‘Dat vinden we niet ergonomisch. Bij het Instituut van Culturele Vooruitgang doen we graag aan inclusie. Zowel mensen mét als zonder ruggengraat zijn welkom in ons midden.’

‘Ik begrijp het,’ zei de schrijver. Ze nam plaats op de poef tegenover Liesje zodat ze elkaar konden aankijken. Ze morste wat wienermelange over haar knie terwijl ze het deed, maar Liesje merkte dat niet op. Daarvoor was de tafel te hoog.

‘Welnu,’ ging Liesje verder, ‘laten we ter zake komen. De reden dat ik je heb uitgenodigd is omdat je een boek hebt geschreven over ziekte. Jouw eigen ziekte, om precies te zijn – als kind had je een aandoening waaraan je bijna doodging. Is dat juist?’

‘Dat klopt,’ zei de schrijver. ‘Op mijn elfde ben ik gediagnosticeerd met een zeldzame vorm van bloedkanker. Daar heb ik in mijn boek over geschreven. Maar het boek gaat voornamelijk over –’

‘Uitstekend!’ zei Liesje. ‘Dat ik even zeker weet dat het geen fictie is, dat is belangrijk. En zeg eens, die ziekte: heb je daar nu nog last van?’

‘Van de kanker, bedoel je? Nou, die is technisch gezien weg. Maar ik heb er nog wel het een en ander aan overgehouden. Ik heb posttraumatische klachten van de behandeling, en van de jarenlange doodsangst. En ik heb nog steeds een slecht immuunsysteem.’

‘Ha, blij te horen. Want in dat geval heb ik goed nieuws: wij, van het Instituut voor Culturele Vooruitgang, zouden jou graag vertegenwoordigen.’



Liesje haalde haar telefoon uit haar broekzak en zocht een website op. Ze liet de homepage van het Instituut aan de schrijver zien. Op het scherm verschenen foto’s van verschillende glimlachende mensen, van wie de schrijver enkelen weleens op tv had gezien. Helemaal onder aan de pagina stond een groepsfoto van alle mensen die bij het Instituut werkten. De schrijver herkende Liesje meteen, en ook de beveiliger die haar binnen had gelaten. Hij stond rechtsonder op de foto. Alle mensen die bij het Instituut werkten waren net zo hoogblond als Liesje – allemaal, tenzij ze kaal waren.

‘Kijk, dat zijn wij,’ zei Liesje trots. ‘Zie je, wij werken graag met kunstenaars die Iets hebben. Wat zeg ik, uitsluitend zelfs! Onze enige vereiste voor een samenwerking is dat je, tja, hoe zeg je dat…’

‘Ja?’

‘… Dat je pijn hebt. En wat pijn betreft zijn we heel divers, hoor, maak je geen zorgen. We vertegenwoordigen kunstenaars met nare ziekten, maar ook kunstenaars met dode ouders, kunstenaars die politiek vluchteling zijn, kunstenaars die ernstige vormen van geweld hebben meegemaakt… Je kunt het zo gek niet bedenken of wij vertegenwoordigen het. Je zult je vast bij ons op je plek voelen, dat weet ik zeker.’

‘En wat gaan jullie dan voor mij doen? Voor mijn werk, bedoel ik?’

‘Nou, dat zal ik je vertellen. Wij zetten kunstenaars die Iets hebben in de Markt. En niet zomaar een markt, nee, de Culturele Markt. Wij van het Instituut voor Culturele Vooruitgang vinden het heel belangrijk dat kunstenaars die Iets hebben ook als volwaardige kunstenaars worden gezien. En niet als slachtoffers met een therapeutische hobby – of wat mensen dan ook wel niet over kunstenaars zoals jij mogen zeggen. Nee, bij ons Instituut valoriseren wij het werk van kunstenaars die op enig vlak slachtoffer zijn.’

Dat vond de schrijver wel goed klinken. Al haar hele volwassen leven had ze erover gedroomd om professioneel schrijver te worden – een literaire schrijver. In haar puberteit bestudeerde ze al de kaften van haar lievelingsboeken en fantaseerde ze over de dag waarop haar eigen naam op zo’n kaft zou prijken. Anderhalf jaar geleden was het dan eindelijk begonnen, haar literaire carrière: een uitgeverij had haar gevraagd om een boek te schrijven over haar ziekte. Dat wilde de schrijver graag, en ze wist ook dat ze het kon, en dat het dan ook nog een mooi boek zou worden, met zinnen die complexe gevoelens heel tastbaar maken, zelfs voor lezers die zelf nooit ziek waren geweest. Ja, soms was de schrijver een dichter. Maar natuurlijk mocht het geen pure mooischrijverij zijn, dat boek van haar. Nee, de schrijver wilde een realistische verbeelding geven van hoe het was om met een chronische ziekte te leven. En juist omdat het realistisch was, mocht het boek geen goed einde hebben. Het boek moest mooi en lelijk tegelijk zijn, en volgens de schrijver was dat haar best aardig gelukt.

Maar nu haar boek er was had de schrijver ontdekt dat het niet echt uitmaakte hoe mooi of hoe lelijk ze schreef, en dat de mensen van de Culturele Markt vooral interesse hadden in haar slachtofferschap, en over hoe akelig dat allemaal wel niet geweest was. Naar haar literaire inspiraties – of aspiraties – was ze nooit gevraagd, en dat vond de schrijver jammer. En alsof dat nog niet genoeg was, lag haar boek in menige winkel ook nog tussen de zelfhulptitels. Op deze manier kwam het er bepaald niet van, dat literaire leven. Dus ja, de schrijver zou haar boek maar wat graag valoriseren – liever vandaag dan morgen!

‘Afijn,’ zei Liesje. ‘Om de valorisatie van jouw boek te bereiken, hebben we bedacht dat er een heruitgave moet komen. Een heruitgave met verscheidene aanpassingen, bedoeld om je boek aantrekkelijker te maken. Onze eerste suggestie is… nou, we hebben het voorstel om de titel van je boek te veranderen. De huidige titel is te archaïsch, te vaag. Als schrijver binnen de Culturele Markt moet je iets hebben waardoor mensen meteen denken: aha, dus dáár gaat dit boek over. Snap je? Met het oog op deze overweging is het ons voorstel om je boek opnieuw uit te brengen onder de titel… Kankerschrijver.’

‘Wat?’ zei de schrijver.

Kankerschrijver,’ herhaalde Liesje. ‘Wat denk je ervan?’

‘Ik vind het een vreselijk woord.’

‘Ja, maar hoor eens, het is de bedoeling dat je boek de aandacht pakt, hè. Je kan wel heel genuanceerd willen zijn, of poëtisch, maar daar is geen ruimte voor op de Culturele Markt… je moet mensen een beetje shockeren! En bovendien was de ziekte er al vóórdat het woord “kanker” een scheldwoord was, hè? Daar spelen we natuurlijk een beetje mee. Het hóéft geen vreselijk woord te zijn, zolang je het maar op de juiste manier leest…’

‘Ja, maar…’

‘Als een soort gedicht…’

‘Ik denk toch…’

‘Heel literair, als je het mij vraagt…’

‘Nee!’ zei de schrijver, wier geduld nu wel op was. ‘Ik wil geen kankerschrijver zijn. Sterker nog, dat is het állerlaatste wat ik wil. Ik wil graag een gewone schrijver zijn als het even kan, een heel gewone schrijver met een uitzonderlijk boek. Dát is mijn wens. Mijn enige wens, eigenlijk, en ook de enige reden dat ik hier deze ochtend naartoe ben gekomen.’

‘Ai, maar dat is jammer,’ zei Liesje. ‘Want dit is het Instituut voor Culturele Vooruitgang – niet het Instituut voor Culturele Uitzonderlijkheid. Dat is er niet eens, haha. Uitzonderlijkheid verkoopt zichzelf, snap je, die heeft geen vertegenwoordiging nodig. Maar slachtoffers, ik bedoel kunstenaars zoals jij… die hebben een extra steuntje in de rug nodig. In de vorm van herkenning, ontroering, misschien een beetje controverse… je kent het wel.’

‘Geen sprake van,’ zei de schrijver. ‘Ja, ik ken het, maar geen sprake van!’



Liesje sloeg het dossier van de schrijver open. Dat lag al die tijd al op tafel, maar was nog onaangeroerd gebleven. Ze begon te bladeren door een stapel A4’tjes waarin de schrijver haar manuscript herkende. Enkele passages waren met een gele stift gemarkeerd, en andere waren onderstreept met rode pen. Liesje stopte bij een van de rode passages; er stond een notitie bij die de schrijver niet kon lezen. Liesje trok een bedenkelijk gezicht.

‘En dan nog iets,’ zei ze. ‘Van de stagiaire had ik vernomen dat jouw boek een passage bevat over… zelfbeschadiging. En ook nog enkele passages over suïcide, klopt dat? Alleen ben jij niet zo netjes om het “suïcide” te noemen. Nee, jij noemt het… zelfmoord. En dat kan echt niet. Ab-so-luut niet. Onze stagiaire vond het erg triggerend. En bij het Instituut voor Culturele Vooruitgang vermijden we alles wat in de minste mate triggerend kan zijn. Dat begrijp je wel, hoop ik.’

‘Dat snap ik, maar…’

‘Onze tweede suggestie is om de passages over de zelfbeschadiging en de suïcide volledig te schrappen, voor de veiligheid, en in plaats daarvan iets minder aanstootgevends aan het manuscript toe te voegen. Misschien kun je een verhaal verzinnen over je ouders? Dat ze allebei op een gruwelijke manier zijn verongelukt toen je nog klein was, bijvoorbeeld? Ja, dat zou enig zijn. Met dode ouders is ons publiek wel bekend, ze kennen het concept immers uit menig sprookjesboek. Een dode ouder is véél gangbaarder dan een huid vol zelfaangebrachte krassen! Wat denk je? Gaat dat lukken?’

‘Nou, nee, want dat is allemaal niet echt –’

Nu begon Liesje geïrriteerd te raken. ‘Nee, nee? Ik hoor alleen maar nee!’

‘Ik wil mijn boek niet veranderen. En ik hoef eigenlijk ook niet zo nodig vertegenwoordigd te worden door jullie als ik het zo allemaal hoor. De manier waarop ik schrijf bevalt me goed. Ik wil niets veranderen. En ik wil al helemaal geen kankerschrijver zijn!’

Daar had Liesje niet van terug. De schrijver liep niet warm voor de suggesties van het Instituut, dat was wel duidelijk. En dat de schrijver geen interesse had in een verdere samenwerking stond buiten kijf. Er zat dus niets anders meer op. Het was tijd voor plan B – het minst favoriete plan van Liesje.

‘Je wilt dus niet vertegenwoordigd worden door het Instituut voor Culturele Vooruitgang. Ik snap het. Ja, ik respecteer het. Maar dan wordt het nu wel tijd om je te vertellen over het ándereterrein waar ons Instituut bedreven in is. En dat is… de Openbare Kunst. Kom, we gaan naar buiten, dan laat ik het je zien. Moet je nog naar het toilet?’

‘Heel graag,’ zei de schrijver opgelucht.

‘Kan niet. Doen we allemaal buiten. Kom maar mee.’

De schrijver liet de beker, waar nog een restje wienermelange in zat, op de vergadertafel staan en volgde Liesje de gang door, voorbij de draaideur, die ze wederom met een ongemakkelijk schuifelritme moest passeren. De man achter de balie stak zijn hand op naar Liesje, en Liesje stak haar hand op naar de schrijver – een non-verbale uitnodiging om naar buiten te gaan, waar het inmiddels licht was. De nachtuiltjes waren ook gestopt met tikken. Ze waren teruggekeerd naar de bomen, waar ze onzichtbaar waren voor het ongetrainde oog.

‘Kijk eens om je heen. Zie je wat dat zijn?’

‘Ja,’ zei de schrijver, ‘en eerder hoorde ik ze ook al. Het zijn fonteinen. Heel mooie, luide fonteinen. Dankzij hen moet ik al een halfuur lang plassen.’

‘Deze fonteinen waren vroeger mensen. Kunstzinnige mensen, net zoals jij. Maar ze hadden allemaal een, hoe zeg je dat, een mankementje. Een Iets. Iets wat Goed Mis was, een beetje zoals jouw ziekte en alle zelfmoordenaarskrassen op je lijf.’

‘Eerder noemde je het nog suïcide.’

‘Ach, wat maakt het uit! Je bent niet akkoord gegaan met het vertegenwoordigingsprogramma van ons Instituut – nu gaan we ook niet meer omslachtig doen. Nee, bij het Instituut voor Openbare Kunst noemen we het beestje bij de naam. Al onze fonteinen kenmerken zich door hun tekorten. Deze bijvoorbeeld, kijk, hier zie je het bordje: deze fontein kan niet tegen pittig eten.’

De schrijver kwam dichter bij de betreffende fontein, die om de tien seconden een toren water de lucht in spoot. Het water werd opgevangen in het bassin onderaan, en er dan via het filtersysteem opnieuw uit gegooid. Zo ging het maar door en door, alsof er niks beters te doen was. Op de rand van de fontein was een goudkleurig bordje gemonteerd. En inderdaad, daarop stond dat de fontein beslist niet tegen pittig eten kon.

‘Alle fonteinen aan deze kant van het gebouw zijn voormalige schrijvers,’ zei Liesje. ‘Genocideschrijvers, miskraamschrijvers, uithongerschrijvers… sommigen waren ook kankerschrijvers, net als jij. Maar geen van hen stemde in met ons reglement voor Culturele Vooruitgang. Ze moesten allemaal zo nodig kunstenaar zijn… en nou, dan krijg je dit! Allemaal sculpturen in de openbare ruimte. Ons hele plein staat vol met dit soort kunstzinnige gestes. En ze maken nog een herrie ook, al dat eindeloze geklater. De mensen die ons Instituut bezoeken, moeten bij aankomst altijd meteen naar het toilet. Maar dat hindert onze agenda, al die uitloop vanwege toiletbezoeken. Vandaar dat we onze toiletten de deur uit hebben gedaan. Ja, als je hier plassen moet, dan hang je maar gewoon boven een fontein.’

Liesje wees naar een fontein naast haar, links van de ingang van het Instituut. Op het bordje stond: deze fontein kent de voicemail van haar vader uit haar hoofd.

‘Dit is mijn favoriet,’ zei ze. ‘Vlak bij de ingang. Lekker makkelijk.’

‘Maar dat is een mens!’ zei de schrijver verontwaardigd. ‘Een voormalig mens, een kunstwerk. Daar kun je toch niet zomaar overheen plassen?’

‘Moet jij eens opletten,’ zei Liesje, en ze liet haar broek al zakken.

De schrijver keek niet. Daar was ze te fatsoenlijk voor, vond ze, alhoewel ze zelf ook nog steeds nodig moest. Ze zou het later wel in de bosjes doen. De bosjes vonden dat vast niet erg, het waren immers planten. Die hebben vocht nodig om te overleven.

Toen Liesje klaar was liep ze naar een lege plek op het plein. Ze maakte een weids gebaar met haar armen en deed toen twee stappen naar links en daarna weer naar rechts – een soort wals met de leegte.

‘Dit zou jouw plek worden, zo ongeveer. Je staat hier wel op het noordwesten, dus je zou niet bijster veel zon krijgen. Maar het uitzicht is mooi. Vanaf hier kun je op de esdoorns uitkijken, zie je dat? Die staan langs de gehele rand van het plein geplant. Alleen is het nu bijna winter, dus hun bladeren zijn al op. Na februari zullen de bomen langzaam weer wat kleur krijgen. Je zou het mooi vinden, dat weet ik zeker.’

‘En wat krijg ik er dan voor? Als ik een fontein word, bedoel ik?’

‘Dat lijkt mij vanzelfsprekend,’ zei Liesje. ‘Als fontein kun je niet doodgaan, en met dit programma biedt het Instituut jou dus de eeuwigheid. Tientallen, misschien wel honderden jaren zul je een esthetisch middelpunt zijn op dit plein!’

De schrijver keek naar het plein en probeerde het zich voor te stellen: hoe het zou zijn als zij daar straks in de leegte zou staan. Zou ze haar eigen lichaam mogen houden, of zou ze het moeten verruilen voor steen? Voor graniet, of brons? Een bloedfontein zou nog best mooi zijn. Jammer dat je geen fonteinen kon maken van echte mensen, een fontein van vlees en bloed.

‘En dan vergeet ik nog bijna het belangrijkste,’ zei Liesje, ‘want als fontein krijg je natuurlijk ook je eigen bordje.’

‘En wat mag daar dan wel niet op staan, in mijn geval?’

‘deze fontein schrijft mooie zinnen.

Dat klonk zo verkeerd nog niet, dacht de schrijver. Ja, misschien was dit wel de beste kans die ze had om een echte schrijver te worden – een professionele schrijver, een literaireschrijver.



Gisteren, toen ik langs het Instituut voor Culturele Vooruitgang liep, passeerde ik een merkwaardige fontein. Eerder stond hij er nog niet, dat weet ik zeker, want ik passeer het Instituut elke dag. Deze nieuwe fontein was gemaakt van plexiglas en had de vorm van een grote hand. Door iedere vinger van de hand kon je het water zien stromen. Het water zelf kon er nergens uit, zo leek het. Ik kon het zelfs amper horen. Er was alleen een licht gezoem, een lichte puls vanuit de binnenkant.

Het water van de fontein liep van de duim naar de wijsvinger, van de middelvinger naar de ringvinger, naar de pink – enzovoort. En wanneer het water bij de laatste vinger was geweest, begon het grote stromen weer van voren af aan. Ik had nog nooit eerder zo’n fontein gezien. Op het metalen bordje kon ik niet lezen wie de fontein had bedacht, of door wie hij vervaardigd was. Wel stond er iets op over een eigenschap die de fontein zogenaamd moest hebben – iets over poëzie, ik weet het niet. Ik heb daar geen verstand van. Ik begreep de functie van de fontein ook niet echt. Maar ik houd van kunst in de openbare ruimte. Een mooie fontein, een uitgestrekte hand, ja, die laat ik nooit aan mij voorbijgaan.

Nadia de Vries (1991) is schrijver en cultuurwetenschapper. Ze is de auteur van De bakvis (2022), Kleinzeer (2019) en drie Engelstalige dichtbundels. Haar tweede roman, over bijgeloof en herstel, verschijnt in mei 2024.

Meer van deze auteur