Het laatste huisbezoek valt weg, de centrale laat weten dat Trui Vanacker, Zandstraat, Oostkamp, in de loop van de dag naar het ziekenhuis gebracht is. Goed voor haar, ik durfde haar bijna niet aan te raken voor verzorging.
Zo heb ik alle tijd om naar Sint-Kruis te rijden. Er staat een lange file voor de brug en nu beginnen de zenuwen op te spelen.
Ik kom niet graag in Sint-Kruis, ik kom niet graag op de Maalse Steenweg. Ik woon aan de andere kant van de stad. In de Delhaize waar we elke vrijdag boodschappen deden, ben ik niet meer geweest. De laatste keer was aan het einde van de herfstvakantie, elf maand geleden. Hem achterlaten met een gevulde ijskast leek minder brutaal.

Nu ben ik hier voor het plan.
We moeten de kinderen redden, zegt Frank, ze moeten weg bij die man. Met die man bedoelt hij Alain, hun vader.

Gelukkig denk ik er tijdig aan om de auto niet op de Delhaize-parking te zetten. Vandaag, uitgerekend vandaag startte de firmawagen niet en moest ik mijn eigen auto nemen, een helgroene Berlingo Citroën. Robin, mijn zoontje van zeven, koos de kleur.
De parking van Interbad is goed, daar zullen ze niet komen. Een fatale fout is vermeden, ik speel in een politieserie.

Ik ben te vroeg en neem een kar om een en ander in te slaan als een gewone klant, en om de handen vrij te hebben.
Nu is alles nog normaal.

Hij duwde me tegen een muur van het drankmagazijn en klauwde onder mijn rok, we waren zo wild. Iedereen kon het zien aan ons. Alles was van ons. Hij zei Als het ooit weggaat is het leven niets waard. Zo was hij graag: groots, dramatisch, subliem.
Maar het is geen bedevaart, het is een missie. Laat je niet misleiden zei Frank.

Hun uur nadert en ik stel me op aan de kop van de tweede gang. Af en toe verlaat ik de uitkijkpost om met de kar heen en weer tussen de dierenvoeding te lopen, honden vs. katten, maar niet te lang, ik houd de ingang in de gaten. Het moet gezegd: de namen zijn fantastisch. Hondenbrokken Kleine Genieter bijvoorbeeld, en een merk dat Romeo verdeelt voor honden en Juliette voor katten. Maar ik mag me niet laten afleiden.
Op een wit blad tekende Frank twee punten: A en B.
A was ik en B een doel of voornemen, van mij. De lijn ertussen was golvend, en werd onderbroken door C en D en E. De lijn bereikte B net niet. Zo werkt je brein, zei hij.

Misschien heb ik nu al de aandacht getrokken van winkeldetectives. Ik neem mijn smartphone en doe alsof ik in gesprek ben.
— In orde Frank, zeg ik, ik zal ervoor zorgen, ik zal het plan uitvoeren.
Op slag kijk ik onverschrokken, een tikkeltje brutaal, zoals de assistent van commissaris Lewis wanneer hij een opdracht krijgt.
— Neen, ik zal niet sentimenteel zijn, je kan op me rekenen.
Sentimenteel zeg ik smalend, met verontwaardiging en zelfs verachting voor sentimenteel.
Het is een sketch.
En dan richt ik me tot Alain.
— Alain, zeg ik, het is een rotstreek maar je verdient het.
Hierbij knik ik gekweld doch vastberaden. Sommige straffen moeten voltrokken worden.

Je mag ze niet onderschatten, de winkeldetectives, ze houden je in de gaten, ze zitten daar ergens in een kamer vol schermen. Zoals in die film.
Onze personeelsdienst organiseert activiteiten om ‘vervreemding op de werkvloer’ tegen te gaan. We zien nooit een collega, sommigen vinden dat lastig. Alleen zieke mensen en hun klagerige huisgenoten, soms niet eens huisgenoten, van spookhuis naar spookhuis.
Vandaar het initiatief.
Vorige maand was een Lumière-zaal afgehuurd voor een film over een man die na allerlei miserie winkeldetective wordt. Hij krijgt daar een opleiding voor, groot woord, hij moet schermen in de gaten houden terwijl de opperdetective instructies geeft over verdacht gedrag. Maak je geen illusies, ze zien alles. De aarzeling, de openhangende handtas, het gepruts aan een verpakking, aan een prijsetiket, de trucs aan de weegschaal. Sommigen tillen het zakje een beetje op tijdens het wegen, een klassieker. Een betere truc is bijvullen na het wegen, vlug nog een abrikoosje of twee, een handvol kersen, een extra trosje. De radicale vergissing is ook een methode. Je vergist je van soort, omdat je dom bent, het verschil niet weet. Op dat vlak was het een leerzame film. Maar de detectives waken dus.
Natuurlijk zijn ook zij soms lui of moe of verstrooid. Of solidair. Dan mogen ze vertrekken. In die film nam de man zelf ontslag omdat een caissière zelfmoord pleegde na haar ontslag, dat onrechtvaardig was. Het was een maatschappelijk correcte film voor het debat achteraf. De meeste collega’s vonden de ontslagen overdreven en de zelfmoord gênant en de film te lang, met al die gesprekken. De gehandicapte zoon was er ook te veel aan. Je ziet ze overal, in alle films en series. En altijd maken ze van de normale medemens een goedhartig en zelfs gelouterd wezen. Maar wij weten wel beter.
Het filmgebeuren scoorde achteraf 2 op 10. De film was een verkeerde keuze voor thuisverzorgers. De Lesse-afvaart was beter en de escaperoom het allerbeste want ontsnappen willen we allemaal.
Tijdens het aansluitend debat somde een man supermarktscènes in films op. Geen film zonder supermarktscène, zei die man. Ik had daar nog niet bij stilgestaan. Toen somde een vrouw films op zonder supermarktscène. Daarop zei de man dat het oude films waren, van toen de supermarkt nog niet bestond en dat er vast en zeker kruidenierszaken in voorkwamen. Toen werd het bits en moest de moderator ingrijpen. De moderator zei ter afronding dat de supermarkt een belangrijke rol speelt in de hedendaagse film zonder daarom in elke film aanwezig te zijn.
De slimme man is Michiel. Hij doet de chemopatiënten van regio Groot-Brugge. De vrouw noemde hem smalend Michiel de cinefiel, daardoor heb ik het onthouden. Zij is verantwoordelijk voor prothesen en hulpstukken.
Niemand wilde het debat, iedereen wilde drinken in café Republiek beneden.
In de film van ons leven, het leven van Alain en mij, zou deze Delhaize belangrijk zijn. Ik ben weggegaan en hij blijft komen, dat weet ik van de kinderen. Wanneer hij ze heeft — om de andere week van donderdag- tot zondagavond — doen ze hier boodschappen op vrijdag.
Nu botst iemand frontaal tegen mijn kar, die de toegang tot de kattenbakkorrels belemmert. Sorry sorry. De school is gedaan om vier uur en het is kwart voor vijf, ze zouden hier stilaan moeten zijn.

Het was onze winkel.
Vanaf de eerste dag, toen we aankwamen met de verhuiswagen en niet genoeg bier hadden. Onze eerste sortie in Sint-Kruis elf jaar geleden. Die avond hebben we met de buren gevierd. Er waren nog geen kinderen. De buren kwamen kennismaken en na een paar glazen zei de oude buurvrouw met het grijze snorretje Ik geloof in jullie. Zulke dingen zei ze graag: Je bent een schone mens, Liefde is een rots, Ik geloof in jullie.
Maar ze moet niet langer geloven, ze is dood en wij zijn niet meer samen.

Elke vrijdagavond, de supermarktstart van het weekend. Altijd dezelfde ronde. Eerst de bakkerij en dan de kaas, langs de traiteurstand met gerookte zalm, komkommersla, gemarineerde varkensspiesjes, naar het drankdepartement om te eindigen bij de diepvriespizza’s. Later deden de kinderen mee en kwam er snoep en frisdrank bij, gekleurde yoghurt en pudding, kleurboeken en stiften, stickers en plastic pistooltjes. Ze vroegen en we kochten, ze gooiden het in de kar en we vonden het goed, cola, oreo, doritos, op vrijdag mag alles, we waren samen, altijd de herinnering van ons begin, de dag van de verhuizing, en sommige caissières zijn nog dezelfde.
Feest met promo’s, aanbiedingen, en extra’s, we waren samen. En het draaimolentje aan de ingang. We proefden schaamteloos. We lieten de kinderen proeven. Soms fronste de verkoper de wenkbrauwen of mompelde Krijg je thuis geen eten misschien. Daar moesten we om lachen. Dan namen we opnieuw.
Frank vindt het ongemanierd, iets voor marginalen.

Daar zijn ze.
Hij heeft er natuurlijk een cultus van gemaakt. Hier kan hij zich telkens opnieuw verlaten voelen.
En hij draagt altijd dezelfde kleren, ook een cultus. ‘De kleren die Michelle voor me kocht voor ze wegliep.’ Ik heb je liever groots en subliem, Alain.
Jimmie hangt blèrend aan de kar, met zijn hoofd naar achter, het is gevaarlijk. Ik ben te laat voor de foto. Hij heeft zijn pyjama aan, in de supermarkt, pyjama en rubberlaarzen. Foto. Het kind is niet naar school geweest. Godverdomme ze zijn niet naar school geweest. Robin is al snoep aan het grissen.

Een personeelslid in meloenpak biedt stukjes meloen aan, maar ze weigeren. Er loopt ook een peer rond en een appel. Fruitfestival. Neen dank u, het is te gezond.
Dit was mijn gezin. Zie ze lopen. Terwijl ik tussen de rekken loer. God, wat stinkt dit diereneten.
Twee jaar geleden sprak een smurf me aan in de Carrefour van Koksijde, een jobstudent. ‘Hoe gaat het met u, mevrouw Goderis?’ Ik had zijn moeder ooit verpleegd. Dat een smurf me kende, maakte indruk op Robin. Mij maakte die ontmoeting blij. Zijn moeder was doodgegaan en toch begroette hij mij. En Alain me maar plagen, de hele vakantie door. In bed hoorden we de zee terwijl hij sabbelde aan een oorlelletje van Verpleegsmurfin Goderis. We hoorden de zee.
Nu gooit Jimmie zich op de grond. Verkeerde toets. En Robin gooit maar in de kar. Ik moet vlugger afdrukken, mijn handen trillen. Nu tilt hij zijn broertje in de kar, die bijna kantelt. Weeral te laat. Alain kijkt niet op, hij staat voor de wijnrekken. Foto. Een medewerker komt iets zeggen, ik kan het niet volgen. Alain doet heftig, hijst Jimmie driftig uit de kar. Ik laat de mijne staan en sluip dichterbij langs de parfumerie. Nu kiest Alain wijn terwijl Jimmie aan zijn voeten ligt te krijsen. Goed beeld. Alain met hangbuik. Koeken en flessen in de kar. Inzoomen.
Toen we hier kwamen wonen was de winkel kleiner met een wijnhoek achteraan. Hij duwde me tegen de muur. Hij zei Als het ooit weggaat is het leven niets waard.
Nu is het weg en leven we toch.

Dan gebeurt iets waar ik geen seconde aan dacht.
Iemand tikt op mijn schouder en het is geen winkeldetective die zegt dat het verboden is om opnames van andere klanten te maken. Het is Jeffrey Titeca, de collega-elektricien van Alain. Samen assembleren ze liften en roltrappen in Atelier Dumon.
Jeffrey Titeca, die zwiepend met zijn rosblond haar op heavy metal rondsprong in onze garage en me menige pint kostte.
— Hey Michelle, zegt Jeffrey, wat doe je? Ik houd je al een tijdje in de gaten. Waar ben je mee bezig Michelle?
Bliksemsnel stop ik de gsm in mijn handtas om naar de kar terug te benen. Zet mijn bril op om de samenstelling van een blik kattenvoer te bestuderen.
— Dwaze kalle, zegt Jeffrey die me natuurlijk achtervolgt, je bent toch allergisch?
Hij bracht eens een kat voor de kinderen en ik wilde die niet. Hij is het niet vergeten.
Met een zucht zet ik het blik terug.
— Waar ben je mee bezig, zegt Jeffrey. Vind je dat normaal? … Ga je me negeren?
Hij spreekt het uit alsof het van neger komt, een oude grap van hen.
— Het zijn je zaken niet, Jeffrey.
— Mijn vrienden zijn mijn zaken, Michelle.
Je man en je kinderen zegt hij, en jij verstopt je hier en je maakt filmpjes en foto’s of wat is het? Ik heb veel goesting om Alain erbij te halen.
— Niet doen, niet doen. Please. Dan krijgen we een scène met de kinderen erbij.
En dan is het foutu. Ik moet hem aan de praat houden tot ze weg zijn.
— Voor wie jij zo bezorgd bent. Wat is de bedoeling, Michelle? Hem zijn kinders afnemen?
— Ik weet het niet Jeffrey, zeg ik. Ik weet het niet.
Maar ik weet het verdomd goed.
— We gaan soms langs, zegt Jeffrey. Geraldine en ik. We brengen een maaltijd. Hij moet het nog leren maar het gaat niet zo slecht. Je bent weggegaan. Wil je hem alles afpakken.
— Jimmie loopt hier wel rond in zijn pyjama.
— En dán, zegt Jeffrey. Olala, in zijn pyjama! Is het zo erg. Ben je een trutje geworden. Is het een drama. Die mens doet zijn best, geef hem tijd. Het is nog geen jaar geleden.
— Bijna een jaar. Maar misschien heb je wel gelijk Jeffrey, zeg ik terwijl ik pseudonadenkend naar mijn voeten staar.
Dat horen mensen graag. Ze gaf me gelijk, zal hij zeggen. Alain en de kinderen staan in de rij aan de kassa.
— Het gaat nu al beter. In het begin, we waren bang in het begin. Hoe kan ze dat doen, zei Geraldine, hoe kan ze hem zo alleen laten.
— Ik begrijp het, zeg ik schuldbewust alsof het inzicht tot mij komt. Het inzicht bij monde van Jeffrey Titeca.
— En ze zei ook Mijn hart bloedt voor de kinderen. Ja Michelle, dat zei ze.
Geraldine is een goed onderwerp.
— Hoe gaat het met Geraldine, Jeffrey?
Nu vang ik de vlaag. La totale. Over de zware inzinking van Geraldine na de operatie, huilbuien en slapeloze nachten. Maar Jeffrey en Geraldine staan elkaar bij in kwade tijden. Elkaar bijstaan, zegt het iets? En dan over het goede hart van Geraldine. Over dat hart is Jeffrey onuitputtelijk.
Geraldine heeft geen baarmoeder maar een hart dat bloedt voor de kinderen.
— Ik heb niets meer laten weten omdat het moeilijk lag Jeffrey. Ik heb bloemen gestuurd.
— Jaja bloemen, een bezoekje was beter.
Het is ook nooit goed. Alain is aan het afrekenen.
Ik vraag of het litteken geheeld is, of Geraldine nog medicatie neemt, of ze weer fietst met de Cyclettes, fulltime werkt, op controle moet.
De juiste professionele vragen, de delicate inleving.
— Zo lastig voor jullie.
— De specialist zei U kroop door het oog van de naald. En we zullen nooit kinderen hebben.
Gelukzakken.
— Dat is erg Jeffrey. Ze sprak veel over kinderen.
— Ja, en de jouwe lopen hier rond en jij neemt foto’s. Wie doet zoiets. En komt het uit jouw koker?
— Wat bedoel je?
— Je weet wat ik bedoel. Of is het die klootzak?
— Stop met jezelf op te draaien Jeffrey. Het is al erg genoeg.
— Ja, en Frank zal het nog erger maken.
Ze rijden weg ze rijden weg.
— Ik moet nu verder Jeffrey.
— Madam moet verder. Denk over wat ik zeg Michelle.
Ik kijk naar de grond en knik als verslagen. Tot inkeer gebracht.
De kar laat ik staan. Geen courage meer. Niet voor fake boodschappen en niet voor boodschappen.

Het draaimolentje aan de ingang is weg. Er staat nu een bank waar mensen hun honden aan vastmaken
Wanneer Jeffrey buitenkomt zit ik tussen de honden. Hij spuwt een fluim op de grond, ik denk niet dat het voor mij bedoeld is, het is tot de vruchtbare aarde gericht.
Eerst zit ik tussen een terriër en een boxer, dan tussen een Duitse herder en iets anders. De herder legt zijn kwijlende muil op mijn knie.
Het wordt laat. Een afstandelijke collie houdt me gezelschap tot sluitingstijd.

— Waar was je? zegt Frank. De advocaat heeft gebeld voor de foto’s.
— Ze waren er niet, ik heb lang gewacht, ze zijn niet gekomen.

Er waren een paar obstakels. ¶

Sarah Andrea Desplenter is schrijver. Ze studeerde Romaanse filologie aan de Universiteit Gent en was lector aan de Arteveldehogeschool Gent. Ze schrijft verhalen en publiceert ook in Hollands Maandblad. In haar verhalen krijgen menselijke verhoudingen een absurde dimensie waardoor het tragische draaglijk wordt.

Meer van deze auteur