Redactioneel
ook u bevoer uw schip met dromen
en welke, dat weet u alleen
Ik zit aan de tafel aan het raam. ‘Elke dag hetzelfde, en geen dag gelijk,’ had mijn vader gezegd over het uitzicht toen ik hier in de vuurtoren kwam wonen. Het ergerde me, die uitspraak. De stelligheid die zelfs het begin van een gesprek uitsloot. Bovendien was het mijn uitzicht, en had ik dat langzaam zelf willen ontdekken, door uit het raam te kijken. Zolang ik me kon heugen was het die beslistheid bij hem geweest, zijn monologen vol pertinente uitspraken, de weetjes, die tussen mij en mijn vader stond. Over de toren was hij mij ook gaan onderwijzen, nog voordat ik erin was getrokken, over de geschiedenis, de functie, de mechanische bijzonderheden. Alsof ik dat toen niet allang zelf had opgezocht, zelf wist. Ik denk vaak aan hem, de laatste tijd. Misschien omdat hij aan het verdwijnen is, dicht bij de rand staat. Misschien omdat ik zelf verdwijn, me vasthoud aan wat ik van vroeger ken.
Het is vrijwel windstil, het water is vlak en leeg. Er is geen pleziervaart, het is midden januari. In de verte komt door de grote vaargeul een enkel vrachtschip met zand, kennelijk met een schipper die ook op zondag werkt. Een wolkendek ligt, van onderaf belicht door de reflectie van het water, bewegingloos in lange voren naast elkaar. Ik zet het weerbericht van de marifoon aan: ‘Hoog beweegt naar noordoost, houdt een rug boven Nederland.’ Met windkracht 1 blijft het voorlopig hetzelfde weer.
Ik woon al jaren in de toren. Destijds was het nog bijzonder dat ik, een vrouw alleen, was uitgekozen door Rijkswaterstaat om hier te komen. In de advertentie vroegen ze uitdrukkelijk om stellen, onder de vlag van veiligheid: zodat er een tweede persoon aanwezig was als de beheerder – ik had dat gelezen als: de man – iets overkomen zou. Ik moest concurreren met kandidaten van wie ik dacht dat ze veel beter pasten in dat profiel. Er waren natuurlijk ook de verwachte kunstenaars, de schrijvers en de schilders die hoopten op een horizon rondom vol inspiratie, en de beoogde kluizenaars, met plannen voor een yogaschool en stilteretraites. Mensen die zich wilden terugtrekken uit de wereld als beheerder van dit monument dat geen echte nautische functie meer had maar nog altijd in het donker zijn licht liet schijnen over het getemde binnenwater: acht seconden aan, één seconde uit. Voor hen was ik niet beducht, die mensen waren te vaag, te zelfgebreid voor de commissie van techneuten, waarvan de leden stil leken te vallen bij het woord ‘verwondering’. De echte concurrenten waren de degelijke echtparen: hij een handige man, een monteur, een docent techniek, zij een vrouw met een netwerk als vrijwilliger, met kinderen en kleinkinderen, van wie de foto’s in de woonkamer stonden. Toch kozen ze mij. Ik had daarna verteld over mijn achtergrond in elektrotechniek, mijn werkervaring in moeilijke landen bij het opzetten van telecomnetwerken. Ik had laten doorschemeren dat ik de bijna honderd jaar oude zendinstallatie die in de toren stond weer tot leven kon wekken. Dat heb ik gedaan, ik heb dit puntje van het schiereiland gemaakt tot radiostation, ik maak programma’s met geluiden die ik via de lange golf uitzend. Programma’s over niks, met de geluiden van de wind, het water, de vogels van het seizoen. En tussendoor vertel ik wat ik zie, elke dag hetzelfde en elke dag weer anders. Wie mijn luisteraars zijn, weet ik niet goed. Daar doe ik het niet voor, het gaat om de geluiden, dat ze niet vergeefs zijn, langer aanhouden dan de duur van het moment. De taal is kennelijk geen barrière voor ontvangers in het buitenland, soms krijg ik een kaart van iemand van heel ver weg. Een antwoord stuur ik nooit.
Achter mij, in de weilanden tussen de toren en het dorp, stijgt een wolk ganzen op. Waarschijnlijk opgeschrikt door een loslopende hond, of door een vogelaar. Ik denk aan de moeite die het moet kosten om op te stijgen. Alsof ik het in mijn eigen lichaam voel: het door mijn roodoranje poten buigen, mijn vleugels wijd, een kleine sprong en dan mijn hele gewicht in één slag losvliegen van de grond, formatie maken, in een grote kolk van gealarmeerde ganzen zweven, bewegen. Ik hoor door het raam heen het snelle gakken in de vlucht langzaam rustig worden als de vogels achter elkaar vliegen, in een steeds bredere ellips komen en als het kennelijk weer veilig is langzaam naar de grond gaan, hun vleugels stilhouden bij het dalen, hun poten uitgespreid naar voren om de landing op te vangen, het opvouwen van de vleugels, nooit in één keer goed, het met gestrekte nek, nog steeds alert, dichter naar elkaar lopen – pas dan hervatten ze het grazen.
Straks ga ik drinkwater halen, zoals elke paar weken, met de oude trekker die onder aan de dijk staat, aan het begin van de verbindingsdam naar de vuurtoren. Ik haal het bij de boerderij, een kilometer verderop, in twee vierkante industriële vloeistoftanks van doorschijnend plastic met een metalen buitenframe op een aanhangwagen. Als ik terugrijd, na het vullen, denk ik altijd de golf te voelen die na het optrekken in de bakken ontstaat. Ik neem de traagheid van de materie mee naar huis. Misschien vraag ik de boer vandaag of hij de trekker terug wil rijden, zodat ik bij het wegrijden achterop – de afsluiter van de tank nog open, de microfoon door het gat naar binnen – het geluid van de golfslag naar achter op kan nemen. Op de achtergrond zal de slag van de motor van de trekker ook te horen zijn. En daarna, bij aankomst, als we stoppen bij de toren, de enorme klots naar voren en het naschommelen van het water erna, in steeds tragere golven, hoe dat klinkt. Daarna pomp ik het water over naar het oude reservoir, onder het woonhuis dat tegen de toren is gebouwd, met een lange gele slang vanaf de dijk over de dam tot onder het huis. Het geluid daarvan nam ik al eerder op. De echo van de waterstroom, in het oude gemetselde gewelf van gele baksteentjes met plavuizen op de vloer dat vroeger werd gevuld met regenwater van het dak, het stille nadruppelen na het vullen, als het wateroppervlak is uitgedeind, hoelang dat duurt.
De toren ligt te ver van het dorp om aangesloten te zijn op de gewone voorzieningen. Ik heb een generator, de diesel ervoor wordt aan huis geleverd. Verwarmen, koken, de lichten van de toren, alles gaat op zelfopgewekte stroom. Ik ben eraan gewend, weet hoe ik de installaties draaiend houden kan. Het wordt wel zwaarder, de laatste tijd, dat werk.
Als de boer vraagt: ‘Waarom?’, waarom ik dat geluid wil horen, vast wil leggen, geef ik geen antwoord. Ik weet het niet. Het voelt als een opdracht. Wat ik uiteindelijk wil is het geluid van stilte vangen. Dat wist ik toen ik hier kwam, na jaren van vergaderen, in elk land met andere gebruiken maar altijd en overal met een teveel aan taal, de woorden in de aanbestedingsdocumenten, de verslagen, het lege praten op kantoor. Hier hoor ik de stilte onder het brommen van de motoren van de schepen in de verte, achter het suizen van de windmolens op de verbindingsdijk. Ik voel de stilte, als een dikke laag waarin ik liggen kan, in de donkerte van de nacht, achter de wind en de geluiden van het water tegen de stenen van de verbindingsdijk. Stilte, denk ik, is de oneindigheid, de zwarte uitspanning van het heelal, de ruimte tussen twee zendstations op een ontvanger.
Gisteren kreeg ik weer een kaart uit Japan. Het begon drie jaar geleden met een ansicht van De grote golf: een enorme vloed donkerblauw water met daarop een kam van schuim die als een reusachtige hand grijpt naar drie smalle boten waarin de roeiers plat liggen van de inspanning om de branding voor te blijven. Ik dacht dat ik de afbeelding kende, ze is zo vaak gekopieerd, op bekers, kaarten, onderzetters en andere gebruiksvoorwerpen, dat ik er nooit goed naar had gekeken. Pas veel later had ik door dat in het midden van de prent, ver van de golfslag, in het dal tussen twee hoge brekers, een piepkleine berg opduikt. En dat het daarom gaat, het is de heilige vulkaan Fuji. Later, toen ik al meer kaarten had gekregen met prenten van dezelfde kunstenaar Hokusai, altijd met diezelfde enkele berg op de achtergrond, heb ik het opgezocht. Een negentiende-eeuwse Japanse tekenaar, al oud, zijn eerdere werk uit de mode geraakt, zonder geld, alleen en zonder vrienden, gaat lopend rondom die solitaire vulkaan om hem van alle kanten, met allerlei verschillende dagelijkse taferelen op de voorgrond, in verschillende seizoenen, onder telkens ander weer, te tekenen. Hij maakt er uiteindelijk zijn prentenserie 36 gezichten op de berg Fuji van. Als ik het goed begrijp, is dit de laatste kaart uit die serie. Het maakt me onrustig, ik ben gaan houden van de onverstoorbare regelmaat waarmee ik de kaarten kreeg, van het bestuderen van de afbeelding, het erbij zoeken van de topografie, me voor te stellen hoe de tekenaar daar rondtrok, vanuit welke hoek hij de berg had getekend, wat het beroep, de bestemming van de mensen op de voorgrond was. Hoe het daar geklonken had, op de voorgrond, met die stille krater op de achtergrond. In de tijd dat mijn vuurtoren gebouwd werd, liep die man aan de andere kant van de wereld rondom zíjn baken. Hij was oud en vergeten, en hij kwam terug, met een serie prenten die uiteindelijk iconisch werd. Het werk werd al in zijn eigen tijd beroemd. In een catalogus van zijn werk las ik dat hij vlak voor zijn dood, stokoud, had gezegd dat hij al die jaren nodig had gehad om goed te leren kijken, dat hij het toen pas kon. Dat hij toen pas echt kon tekenen waar het om ging.
Wie mij de kaarten schrijft, weet ik niet. Het is vast een man, er zijn geen vrouwen die mij schrijven. Het zal mijn stem zijn die de mannen lokt, mijn stem die niet is meeverouderd met mijn lichaam. Misschien omdat ik er zuinig mee ben, met praten, alleen het nodige zeg, met lange intervallen. Bedachtzaam noemen mensen dat. Dat is niet waar, want ik denk niet in de leegte tussen mijn woorden. Ik heb gewoon geen zin om te praten, om te zoeken naar de juiste toon, de goede uitdrukking, en dan toch niet begrepen te worden. Een keer kwam een bewonderaar van mijn programma onverwachts aan het hoge stalen hek op de verbindingsdam. Hij zei verliefd te zijn geworden op de vrouw van de geluidsprogramma’s, zag de uitzendingen als het hoogtepunt van zijn week. Ik was net buiten bezig, hij vroeg naar mij. Kennelijk had hij niet bedacht dat ik dat was, een stokkerige vrouw op leeftijd met doffe, verwaaide haren, de vrouw achter de stem. Ik hield me van de domme, antwoordde dat zij er vandaag niet was. De man bedankte beleefd, leek nog iets te willen zeggen, twijfelde misschien (had hij mijn stem herkend?), draaide zich toen om en verdween. Mijn stem had ik gekleurd toen ik hem antwoord gaf, een randje scherpte meegegeven. Ik had me lang gemaakt, mijn taal van boven op hem laten komen. Van praten houd ik niet, maar wel van spelen met mijn stem als boodschap onder de woorden. Het mengen van de kleur en warmte ervan, de ander daarmee dichterbij te halen of juist weg te sturen, te troosten of te verkillen.
Ik sta op van tafel, aan het keukenraam op de eerste verdieping van de dienstwoning die tegen de toren aan gebouwd staat, pak de kaart en loop naar beneden. Buitenlangs loop ik naar de ingang van de toren, via de stenen wenteltrap weer naar boven naar de machinekamer halverwege, mijn favoriete plek. Hier staat de oude afgedankte generator, een enorme gietijzeren machine, die destijds de stroom voor de torenlichten maakte. Elke maand laat ik hem even draaien, alles werkt, ik smeer de kleppen en de zuigers, kijk tevreden naar het vettig lopen van de onderdelen. Het ruikt in de torenkamer naar machinesmeer en brandstof. Hier hangen de oude lampen van het torenlicht, grote bollen glas met een handgrote gloeidraad, door mij gesorteerd op glaskleur, vorm en grootte. Hier hangen ook de eerdere kaarten uit Japan, met plakband op de witgepleisterde muur, tussen de ijzeren raampjes rondom. Ik hang de laatste kaart erbij. Het is de enige kaart van de serie waarop de Fuji niet te zien is. De berg is te dichtbij: je ziet alleen grote brokken steen en pelgrims die langs een zigzagpad naar de top gaan. Hun monden staan open, ze gebaren, helpen elkaar bij een moeilijke overgang waar ze via een bamboetrap over een rotsblok moeten klimmen. In het geroep naar elkaar is de berg verdwenen. Wat betekent het, dat ik deze kaart als laatste in de serie krijg? Ik wilde dat ik kon lezen wat de afzender me schreef, altijd in twee of drie rijen heel precies getekende karakters, van boven naar beneden, naast het adres dat in het Engels gewoon horizontaal staat geschreven: Lighthouse, Marken, Holland. Bij elke kaart opnieuw verbaas ik me over de vorm, elk teken is een begrip, als een rij bomen in de winter, een silhouet met betekenis. Ik wil weten wat er staat, de tekens kunnen lezen, kunnen duiden, zonder hulp van een ander. Het kan, Japanse karakters leren lezen, met oefening en toewijding, vaak en veel herhalen. Er zijn goede handboeken voor, dat zocht ik al uit. Maar tijd, heb ik nog tijd?
Het gaat me niet om de afzender, die interesseert me niet, het gaat erom te zien of ik hem goed begrepen heb. Of het klopt wat ik denk dat hij bedoelt, met het versturen van die serie, met die laatste kaart: dat ik met het zoeken naar de geluiden rondom mijn toren mijzelf heb laten verdwijnen. Dat ik onzichtbaar ben geworden, opgegaan in de stilte die ik wilde vangen.
Ik voel me alleen. In het dorp, weet ik, is dit de dag voor familiebezoek, op de fiets met de kinderen eerst naar de grootouders van de ene kant, dan naar die van de andere kant, meestal in de ochtend rond de koffie. Had ik zo’n leven willen leiden? Mijn volwassen zoon zie ik bijna nooit, hoewel hij niet ver weg woont. Zou het anders zijn geweest als ik een dochter had? Ik had destijds, toen ik zwanger was, zeker geweten dat het een meisje zou zijn. Dat gebeurde vaker, hoorde ik toen, dat mensen bij hun eerste kind aanvankelijk zichzelf verwachten, hun eigen kleinste versie. Was het dat, had ik niet kunnen wennen aan de gedachte dat mijn kind zichzelf zou worden, geen spiegelbeeld maar een zoon met eigen wil, die een weg volgde die allang niet meer dezelfde kant op ging als de mijne. Of was het eenvoudiger, was het de biologie die zorgde dat de band tussen de moeder die in haar eentje een zoon opvoedde, die te nauw geweest was, te dichtbij, met altijd de ogen op elkaar gericht, dat die band doorgesneden werd zodra het kind rijp werd om zich voort te planten? Ergens in zijn puberteit was het in elk geval gebeurd, werd de afstand geboren. Was de jongen die ik niet lang daarvoor nog elke dag op schoot had voorgelezen, met wie ik liedjes had gezongen, naast elkaar op de kruk voor de piano, van wie de geur zo nabij was, zijn haren die roken naar buitenspelen, zijn handen met de lucht van klei, van potloodslijpsel, van schriften op school, opeens een vreemd lichaam geworden. Ik word nog misselijk als ik denk aan zijn vuile was die rook naar bronstig zweet, aan de smoezelige lakens, de grove praat, dat harde lijf van hem dat ik niet meer omhelzen mocht. Dat zal het zijn, zeg ik hardop tegen mezelf, de eerste woorden die ik vandaag spreek, dit is de gang der dingen, het is de bescherming van de soort. Wat te dichtbij geweest is, moet op afstand blijven.
Misschien moet ik mijn vader weer eens bellen, dat heb ik lang niet meer gedaan. Ik zal hem vragen naar bekend terrein, naar wat ik altijd aan mijn vader vraag: hoe hij denkt dat het weer volgens hem zal worden. Ik weet dat hij dan gaat vertellen over zijn diensttijd, zijn werk in de toren van een vliegbasis, lang geleden toen alles nog handmatig werd waargenomen in de meteorologische dienst waar hij werkzaam was, altijd hetzelfde verhaal over hoe hij moest leren zijn waarnemingen in korte zinnen vast te leggen, hoe hij had leren kijken naar de vertes, had geleerd het weer te zien aankomen. En altijd komen dan de namen, woorden die ik nooit onthouden kan, de namen van de wolken, alsof het voorwerpen zijn die onveranderlijk zijn, te determineren, en niet vormen die in elkaar kunnen overgaan. Dat zal hij nooit begrijpen, mijn vader, als ik zoiets zeg. Ik weet dat ik niet echt naar hem kan luisteren, naar die monoloog, zijn vaak herhaalde uitzending. Ook als ik het probeer, kan ik mijn aandacht er niet bij houden. Het is geruis, met maar één enkele betekenis: dat hij mijn vader is, en ik zijn dochter. En ik weet dat hij uiteindelijk mijn vraag zal beantwoorden, het omstandig zal vertellen nadat hij het tijdens het telefoongesprek zal hebben opgezocht, mij iets zal zeggen wat ik al weet: het is windkracht 1, het blijft voorlopig onveranderlijk.
Dat is wat ik van hem horen wil, dat alles, ook de ergernissen, hetzelfde blijft.
*
dromen kunnen platgevouwen
weinig plaats innemen
Ze vonden haar na een paar dagen, aan haar keukentafel aan het raam. De schoonmaker van het hotel tegenover haar huis had gezien dat ze daar almaar zat, haar hoofd en bovenlijf naar voren hangend, haar onderarmen op de tafel. Hij kende haar een beetje van gezicht, zoals dat gaat in een smal straatje in de stad. Meestal bleef het bij een groet uit de verte, even een armzwaai als hij naar buiten kwam om de vuilcontainer vanuit de dienstingang recht tegenover haar deur naar de kade om de hoek te brengen. Haar vuurtoren, noemde ze haar smalle hoge huis. Vanaf de plek waar ze graag zat, was nog een stukje te zien van de kade waar de straat op uitkomt, met bussen, een vuilniswagen, erachter het water dat ooit een haven is geweest. Waar ooit boten voeren.
Het hotel belde de politie. De agenten kwamen aan de deur, zagen de keukentafel, het hangend hoofd en bovenlijf, haar haren in het onbestemde nat op tafel uit haar neus en uit haar mond. Ze waarschuwden de gemeente, die een dienst heeft voor dit soort gevallen, voor doden die alleen vertrekken. Het viel verder mee, hoe zij eruitzag. Het was januari en de kachel stond niet aan, haar lichaam was in redelijke staat. Ze was niet acuut ziek geweest, had ook nog recent gegeten, zei de schouwarts. Bij navraag bij haar huisdokter bleek ze niet lang daarvoor te zijn verwezen naar cardiologie, waar ze een eerste afspraak had gehad. Ze had moeten terugkomen voor verder onderzoek vanwege een bijzonder ziektebeeld, de coassistenten waren er nog bij geroepen: een soort verwijding van haar hart.
De naam had de cardioloog haar bij dat gesprek gegeven, vernoemd naar een Japanse kruik waarmee ze inktvis vangen: ‘Takotsubocardiomyopathie, dat is wat wij denken dat u hebt. Geen zorgen hoor, het is iets wat vooral vrouwen krijgen. Meestal komt het vanzelf weer goed.’ Achteraf pas had de dokter zich herinnerd dat ze niet bang leek, eerder geïntrigeerd. Ze had vragen gesteld over de werking van haar hart, over de mechanica ervan, alsof het een haperende machine was die je met een beetje sleutelen kon repareren, en had tot tweemaal toe gevraagd of ze de naam van de ziekte goed opgeschreven had.
Diezelfde gemeentedienst moest ook het huis ontruimen. Het lag vol papieren, knipsels, tijdschriften, kranten, losse aantekeningen, gesorteerd naar onderwerp. Soms met een los briefje bovenop met een aanduiding van het onderwerp, veel ging over techniek: generatoren, trekkers, radiozenders. Veel ook over scheepvaart, over bakens, nautische techniek. Ze moest er al lang mee bezig zijn geweest, met dat verzamelen, de onderste lagen knipsels waren vergeeld en aangevreten door zilvervisjes. Op de keukenvloer stond een verzameling oude gloeilampen, naar kleur en vorm in bakken bij elkaar gelegd. Op haar tafel stond een doos met wolkenluchten, uitgeknipt uit krantenfoto’s, daarop in haar handschrift de datum, en het soort weer dat het toen was. Elke verdieping was afgeladen, met een uitgespaard pad om naar haar stoel of naar haar bed te kunnen komen. Op één verdieping, een afgesloten kamer, stond speelgoed en kinderkleding, in kratjes met daarop briefjes met een leeftijd en een jaartal. Chaos was het niet, er zaten gedachten achter. Het leek een geheugen, vonden de mannen van de gemeente die alles bij het afval gooiden, en soms iets kort bekeken. Persoonlijke spullen vonden zij niet, geen brieven en geen foto’s.
Er is geen familie bij de begrafenis. Haar vader is te oud; toen hij gewaarschuwd werd, via het verpleeghuis waar hij woont, leek het niet tot hem door te dringen dat zij er niet meer was. Haar zoon zegt al jaren geen contact met haar te hebben, hij wil niet komen.
Op de tafel lag een stapel rekeningen, alles betaald. De achterkant van elke nota dichtbeschreven met potlood, oefeningen in karakters schrijven, dichte rijen naast elkaar. Het leerboek Japans dat ernaast had gelegen – de bladwijzer stak halverwege –, was door de opruimers al weggegooid. ¶
Verhaal
We hadden nergens om naartoe te gaan
Essay
Diefstal
Beeld
Shifting Sitting
Poëzie
—
Verhaal
De Ongetikte
Essay
Witte wieven
Verhaal
Alle water
Essay
De kunst van het veranderen
Beeld
Submerged Heritage / Verzonken Leven / Soengoe Kondre
Verhaal
Met wie spreek ik
Poëzie
Eros
Essay
Poor Little Rich Girl
Poëzie
Sterfgebed
Verhaal
Hún Houzee werd een Heil
Essay
De antwoorden
Poëzie
Bijna weg
Essay
Oostersch. De soefische poëzie van J.H. Leopold
Stripverhaal