‘And I’ll show you whom I’ve been running from
As if I had not known all along’
Tindersticks
1
Het verlangen naar een authentieke ander is het overspringende verlangen zelf authentiek te kunnen zijn.
2
Ze lachen. Het stel in de film The Chronology of Water, op een van de ongelukkigste momenten van hun jonge leven, lachen ze. Zij is net terug uit het water, heeft met iets dat tussen trots en wanhoop in ligt, geprobeerd de in een miniem roze doosje opgeborgen as van hun stilgeboren kind in een meer uit te strooien. Hij heeft op het strand op haar gewacht en ziet dat de as niet in het water verdwenen is, maar overal op haar rode manteljas is achtergebleven.
Hij lacht het eerst en zij het hardst. Die lach, vooral de hare, is die niet ongepast? Of is dat het enige wat voor ze overblijft? De absurditeit van dit genadeloze ogenblik aanvaarden, aanvaarden hoe ten opzichte van wat natuurlijk is ze nietig zijn, elke emotie, iedere handeling ontoereikend. Maar misschien zit louter in het ongerijmde de genade. Ze huilen niet, juist daarom voelt hun lachen authentiek, omdat het gek genoeg meer recht lijkt te doen aan de pijn die erin besloten is.
3
Ik schrijf me naar een verre herinnering.
Authenticiteit is voor mij onlosmakelijk verbonden met veiligheid. Terugdenkend zie ik een kind dat meteen al de overtuiging heeft dat hij anders is. Een kind dat hier met hoge stem aan toe zou voegen dat hij uitzonderlijk passender vindt.
In mijn vroegste herinneringen heerst dreiging, zie ik grote jongens met zelfgebouwde houten slagwapens door de straten lopen, op zoek naar mijn buurjongen die per ongeluk hun bal op het dak heeft geschopt en nu boeten moet, maar vooral mezelf, mijn broek op mijn enkels, liggend in de schoot van een mij vreemde man.
Door een net niet volledige stilte omringd, schreeuw ik.
Een akelig ijl zwiepgeluid kondigt keer op keer een nieuwe slag van mijn eigen plastic zwaard aan-als het eindelijk klaar is, het rennen naar huis, de deur die opengaat, huilend hoor ik vanuit mijn kamer mijn ouders en de man beneden zacht praten, zou dit de reden zijn dat ik zo slecht tegen gefluister kan?
Hier haper ik.
Omdat ik bang ben. Niet voor wat er staat, maar voor de indruk die het wellicht maakt, bang dat het geschrevene eventueel overkomt als een bekentenis terwijl het – hoe kwetsbaar ook- voor mij in wezen een ijkpunt is, het prilste begin van een veel bepalende ervaring.
Omdat het verband dat ik leg zo overduidelijk toevallig is? Het pak slaag dat ik als drie- of vierjarige kreeg van een passant op een overgeschoten stuk land waarvan een houten wigwam moest suggereren dat het altijd al als speelterrein bedoeld was, is een onpersoonlijke afranseling geweest. Het heeft niets met wie ik ben of was te maken, hooguit werd me zo weer eens duidelijk gemaakt dat ik te veel praat.
Toch, onterecht of niet, is dat verband er voor mij. Zoals een ander een nieuwe gesprekspartner innerlijk beoordeelt op de mogelijkheid al dan niet bij diegene te mogen onderduiken, zo ga ik onbewust bij iedere eerste ontmoeting na of iemand authentiek is. Bij ieder spoor van onecht- of onoprechtheid raakt, de amygdala, het deel in mijn hersenen waar dreiging en stress worden gereguleerd, ogenblikkelijk overprikkeld en ervaar ik de nare sensatie van een indringende onveiligheid.
Zo lang als ik me herinneren kan, heb ik de behoefte gehad me te beschermen, ik wapende alleen niet mijn lichaam, maar mijn identiteit, verdween graag in een roezige staat, ergens tussen droom en waan, waar ik meende onschendbaar mij te zijn.
Daar raak ik ervan doordrongen dat mijn buitenvallen deels voortkomt uit iets dat ik bezit, iets dat niet alleen van mij is, maar ook bepaalt hoe ik benaderd wordt. De interactie, de tweekantige angstbeelden die ik ervaar, worden me niet alleen door anderen opgelegd, ergens draag ik ze ook uit.
Dat heb ik willen koesteren, vandaar de gedachte dat wie ik ben onveranderlijk is, onveranderlijk zijn moet.
Authenticiteit wordt geduid als oorspronkelijkheid, als het trouw blijven aan de eigen waarden en persoonlijkheid, onafhankelijkheid van externe verwachtingen, maar hoe kan dat? Hoe kan iemands persoonlijkheid zonder de blik van buiten überhaupt vorm hebben gekregen?
Het verklaart wel waarom identiteit, niet alleen die van mij, in mijn ogen puur moest zijn en oprecht. In mijn tienerjaren waren twee scheldwoorden het ergst: disco en poseur, beide verklaarden de ander nep.
Ik ken de etymologie van karakter, weet dat je alleen in iets dat hard is, weerstand biedt, een tekst kunt kerven die blijft, wat je in water schrijft, verdwijnt.
Ik weet nu alleen niet of dat erg is.
Psychotherapeut Carl Rogers gebruikt in verband met authenticiteit het woord congruentie. Daar -in de gevoelde noodzaak met iets dat ik niet ken overeenkomstig te moeten zijn, wrong het vaak voor mij. Inmiddels hecht ik meer aan grillige gedachten en ongebonden gevoelens, aan een rommelig geleefd leven.
En aan lichamelijkheid. Als contrapunt voor mijn almaar-denken.
Misschien begint bij de mishandeling op het speelveld de vlucht uit mijn lijf, maar het kan net zo goed andersom zijn, ben ik – zoals een peer in zo’n likeurfles- geleidelijk mijn lichaam in gegroeid.
Zo heb ik me weggedacht, ben dermate in mezelf opgegaan dat ik puur gedachte werd, enkel nog aan verdwijnen kon denken, aan de herinnering die ik erna zou zijn, veel mooier dan iemand me daarvoor ooit zag. Een mens is soms een wolk die naar een hoed verlangt.
In mijn bundel Pieta heb ik in fictie een uitdrukkingsvorm voor het eindstadium van een decennia durende transformatie willen vinden.
Op zeker moment werd ik bijgebracht en was het alsof ik voor het eerst een lichaam kreeg.
Wat nieuw is, voelt vaak, op zijn minst aan het begin, onbetrouwbaar.
Ik ben niet de eerste die zich afvraagt wat iemand meer bepaalt: dat wat waarin hij of zij verandert of wat bij diegene hetzelfde blijft. In haar boek Ontwenning beschrijft Leslie Jamison drie menstypen. De salamander die een deel van zichzelf afstoot om verder te kunnen leven. De spin bij wie een web van littekens altijd aan de oppervlakte zal liggen en voor iedereen zichtbaar zijn. En de feniks die zonder schade als zichzelf herrijst.
Jamison schrijft over verslaving, maar denkelijk hebben haar karakteriseringen een bredere geldigheid.
Marjoleine de Vos laat in Ik ben hier liever niet alleen helder zien hoe de gedachte ‘het zat er altijd al in’ een idee-fixe is, en toch, Nietzsche stelde dat je wel duizend keer moet sterven om te worden wie je bent.
Het zal geen toeval zijn dat ik zowel in Pieta als in mijn hoorspel Dit Ruimere Weten op zelfdoding alludeer. In de hoorspeltekst loopt de hoofdpersoon de zee in, nadat hij eerst zijn kleren op een keurige stapel op het strand heeft gelegd, een briefje met zijn naam en adres onder een steen tegen het waaien erbovenop.
Als hij bijkomt in een ziekenhuiskamer is hij dan een ander of zichzelf?
En wie maakt dat uit?
Alain Badiou beschrijft in Ode aan de liefde hoe de liefde ons leert de wereld ook door de ogen van een ander te zien.
In alle grilligheid denk ik eindelijk authentiek te zijn, is dat omdat ik mijn wapens in het gras heb gelegd, niet langer voortdurend op mijn hoede ben? Of is het omdat iemand mij ziet, omdat ik mijzelf nu met haar ogen kan zien?
Er is een blik aan de mijne toegevoegd, ze verdringt haar niet.
Ik word ik in een ander zien.
Authenticiteit heeft – toch?- niets met één-zijn te maken, sterker nog, in eenzaamheid betekent zij niets.
4
In de film The End of the Tour zien we een gefictionaliseerd portret van David Foster Wallace die dankzij de publicatie van Infinite Jest als schrijver dan net de doorbraak naar een breder publiek beleeft. De film draait vrijwel volledig om de ontmoeting -een paar dagen trekken ze intensief samen op- tussen Foster Wallace en Rolling Stone-journalist David Lipsky. Laatstgenoemde gaat die ontmoeting aan vanuit de veronderstelling dat Foster Wallace iets te verbergen heeft en dat hoe hij zich aan anderen toont om die reden een bedenksel, een construct is.
Op zijn beurt is Foster Wallace er zelf zeer van doordrongen dat zijn zopas vergaarde roem en aanzien grote gevolgen zullen hebben voor de manier waarop hij voortaan bejegend en bekeken zal worden. Haast wanhopig probeert hij Lipsky van zijn echtheid te overtuigen, en dan vooral ervan te overtuigen dat hij er niet op uit is echt te zijn. Hij houdt gewoonweg van B-films, van achterlijke dansjes doen in een of andere kerk, van allerhande vies zoete frisdrank en snoepgoed. Dat alles wordt des te interessanter doordat Lipsky, deels vanuit jaloezie, onverminderd achterdochtig is en met zijn scepsis Foster Wallace steeds opnieuw ertoe dwingt zichzelf aan hem te verklaren, in de hoop dat de ongelovige ander zijn oprechtheid eindelijk als onwrikbare werkelijkheid zal aanvaarden.
Nog boeiender is dat Foster Wallace’ sociale antennes niet optimaal afgesteld staan, hij lijkt het type dat iedereen binnenlaat, dat hoezeer hij aandacht in zichzelf ook wantrouwt, die aandacht onmogelijk kan versmaden. Lipsky verblijft in een spiegelpaleis dat daar in de verte op lijkt, gefixeerd op de uiterlijkheden van succes, bagatelliseert hij Foster Wallace’ talent, het moet diens bandana zijn, of een verslaving, de roem kan nooit alleen aan een geweldige roman te danken zijn, die moet in Lipsky’s door afgunst vergiftige denken altijd terug te leiden zijn tot de persoon en dan vooral tot de manier waarop die zich aan de wereld toont.
Allemaal des te spannender omdat Foster Wallace zo in beslag genomen wordt door de bescherming van wie hij meent te zijn dat de bedreiging ervan hem ontgaat.
Wat tussen de twee gebeurt, is wat je in veel wringende relaties ziet: een wederzijds voortdurend terugduwen van de ander in de mal die hem of haar is toebedacht om van deze persoon te kunnen houden.
Liefhebben is soms de lange omweg naar de acceptie van een zelf.
5
Dit Ruimere Weten – de titel van de hoorspeltekst die ik schreef, ontleende ik aan de Spaanse filosofe María Zambrano die de zin in een heel ander verband gebruikt heeft. Dit bijeffect van mijn kannibalistisch lezen – zoals Yves Klein de kleurvlakken van Mondriaan uit hun kader lossneed en ze een vrij, eigen leven gaf, zo heb ik mijn eigen woordenbevrijdingsfront- heb ik dit keer toegepast op een fictief leven. Ik wilde weten wat een meervoudige, veranderlijke identiteit te betekenen heeft, wilde weten hoe het zou zijn te leven zonder waarheidsliefde en zucht naar authenticiteit.
Ik ging ervan uit dat dit personage aangezien hij een van mijn wezenlijkste eigenschappen ontbeerde, in de verste verte niet op mij zou lijken en misschien is dat zo, al zijn er meerdere van mijn (jeugd)herinneringen in zijn onbetrouwbare biografie terechtgekomen.
6
Zeker na de publicatie van mijn bundel Dwalmgasten is me meer dan eens gevraagd of ik de wereld bedreigend vond. Een vraag die me toentertijd – we spreken inmiddels tien jaar terug- verbaasde; in de eerste plaats omdat het me vanzelfsprekend leek, hoe zou je de wereld anders dan als overweldigend kunnen zien? maar in de tweede plaats ook omdat ik tot mijn schrik moest toegeven dat ik weliswaar een antwoord op de vraag had en toch nauwelijks een idee waarop dat antwoord gebaseerd was.
In die tijd las ik De Eenzame Stad van Olivia Laing en ervaarde, misschien voor het eerst zo hevig, wat de schok van herkenning wordt genoemd. Laing beschrijft hoe ze na een verbroken relatie door een haar nog altijd vreemde stad dwaalt en daar overvallen wordt door een gevoel van vijandigheid, het is alsof de huizen, de straten, alsof alles haar buitensluit en terugwerpt op haar eenzaamheid.
Die eenzaamheid – niet dat komt-er-wel-iemand-op mijn-feestje-gevoel, maar een diepe, ik ben geneigd te zeggen, principiële eenzaamheid- die herken ik. Die herken ik ten diepste en verbind ik inmiddels met eindeloze zomers alleen op een schoolplein, verbind ik met de aframmeling op het speelterrein, waar het zwiepen van mijn zwaard de overige stilte accentueert, me leert dat er niemand onderweg is.
Als het het waard is alleen te zijn dan moet het het ook waard zijn dat wat je alleen maakt te beschermen, als een kleine schat in je te koesteren.
7
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent
Deze regels aan het einde van Jan Hanlo’s gedicht tonen voor mij de hunkering naar intimiteit, de innige wens de ander te zien als wie hij/zij is, en in die andere blik tevoorschijn te komen als wie je meent te zijn.
Is de hang naar authenticiteit er een naar vrijheid of naar veiligheid? Misschien naar allebei. Is het de wil te kunnen lachen wanneer huilen gepaster is, de hunkering naar zoet vergif en meer nog een hunkering naar wie jou je cravings vergeeft.
Veiligheid is als vrijheid, ze wordt niet gegeven.
Het authentieke groeit in eenzaamheid, in stilte, als het eenmaal losbreekt, zal het niet lijken wat het is geweest, gaver zijn, brozer, in al zijn verlegen vrijgevigheid.