Onder de vele epochemakende essays die De Gids in zijn 175-jarige bestaan publiceerde, neemt ‘Het onbehagen bij de vrouw’ van Joke Smit een bijzondere plaats in. Bijna per ongeluk verscheen het, nu vijfenveertig jaar geleden, in een aan verschillende soorten van het merkwaardige, wat vage begrip ‘onbehagen’ gewijde themanummer van dit tijdschrift; algemeen wordt het nu gezien als begin en ijkpunt van de tweede feministische golf. Dat het aan belang nog nauwelijks heeft ingeboet, zoals een van de auteurs in zijn bestandsopname betoogt, is een compliment aan Joke Smit. Maar het heeft ook te maken met haar thema, dat zowel tijdgebonden als van alle tijden is. Dat niet alleen de samenleving adresseert, maar ook vrijwel iedereen persoonlijk. Wie iets zegt over vrouwen, heeft het meestal ook over mannen. Als er onbehagen is bij de een, gaat het doorgaans ook de ander aan.

De Gids heeft niet tot het vijftigjarig jubileum van het stuk gewacht om de verhouding tussen mannen en vrouwen opnieuw aan de orde te stellen. Eenvoudig omdat de urgentie zich niet aan een verjaarskalender houdt. En die voelden we. Vast staat, dat er in de vijfenveertig jaar sinds publicatie van het geruchtmakende stuk enorm veel veranderd is. Vrouwen hebben een gemiddeld hoger opleidingsniveau en zijn in sommige beroepsgroepen – de rechtspraak, het onderwijs, de geneeskunde – nu, of anders zeer binnenkort, beter vertegenwoordigd dan mannen. Vrouwen zijn, mede hierdoor, minder vaak werkloos dan mannen. Vrouwen leven langer, nog steeds, en dat ze baas in eigen buik zijn wordt in ons land nauwelijks meer bestreden. Vrouwen hebben wel nieuwe problemen gekregen: het downdaten, de relatie met een minder hoog opgeleide en minder goed verdienende man, blijkt de laatste maanden aan beide zijden van de Atlantische Oceaan opeens een prangende kwestie – terwijl het dat in de eeuwen dat mannen een voorsprong in kennis en inkomen hadden nooit was. Vrouwen nemen nog steeds meer huishoudelijke taken op zich dan mannen en ze werken vaker in deeltijd – vooral omdat ze dat zelf graag willen. Realiseren wij ons de consequenties daarvan?

Er is veel ten goede veranderd voor Sien. Maar hoe zit het nu met Ot? Wat heeft die grotendeels geslaagde emancipatiegolf met de andere helft van Nederland gedaan? Bevalt het? Of zijn mannen nu in een hoek geduwd waar meer plichten dan rechten gelden? Houden ze daarom, als laatste redmiddel, vast aan het in stand houden van een glazen plafond? En hoe gelukkig zijn eigenlijk mannen die, geheel volgens hun eigen normen, de zorg voor huis en haard op zich nemen, terwijl ze misschien in het diepst van hun ziel een onredelijke, drankzuchtige, afwezige tiran hadden willen zijn? Zijn er, na het verdwijnen van vrijwel alle maatschappelijke belemmeringen, misschien toch biologische en dus onveranderlijke oorzaken voor de rolverdeling tussen man en vrouw? Speelt onze nationale traditie er wellicht in mee? Welke invloed heeft het onderwijs daarop? Waarom, ten slotte, staat het Mannelijke, in al zijn verschijningsvormen, tegenwoordig gelijk aan het Kwaad, een rol die sinds het boek Genesis juist door de Vrouw werd gespeeld? Deze en andere vragen werden door de redactie aan een aantal auteurs voorgelegd, zowel vrouwelijke als mannelijke. Dat maakte voor hun deskundigheid namelijk niet uit. Anders lag dat bij het beantwoorden van de rechtstreekse vraag ‘Wat wilt u van de man?’ Die werd alleen aan vrouwelijke schrijvers gesteld. Hun persoonlijke antwoorden vormen het noodzakelijke complement in een Gids-uitgave die geen aanklacht of voorschrift wil zijn, maar een aanzet om intelligenter te denken over man, vrouw en maatschappij. De redactie is er zich van bewust dat het thema ook op een andere manier dan volgens het principe van yin en yang had kunnen worden uitgewerkt, eenzelviger en exclusiever, bijvoorbeeld door minder aandacht te besteden aan heteroseksuele verhoudingen en meer aan die tussen partners van hetzelfde geslacht, of aan wie bewust alleen wil staan, met of zonder kinderen, en zich daarbij stevig afzet tegen de andere sekse. Wij vonden de dialoog interessanter en spannender.

Voor de omgang met auteurs geven de gastredacteuren de vaste redactie van het blad graag nog een, gezien de beperkte omvang van de onderzoeksgroep statistisch niet significante, maar wel opvallende observatie mee. Van de aangezochte vrouwelijke schrijvers gaf een flink aantal te kennen geen opvatting te hebben over het thema ofwel de gestelde vraag niet te kunnen beantwoorden – daarom deden ze niet mee. Wie ja zei, leverde haar bijdrage echter precies op tijd en conform het verzoek. Alle om een essay gevraagde mannen zeiden daarentegen meteen ‘ja’. Maar zonder uitzondering stuurden ze hun stuk te laat – of het kwam helemaal niet. Cultuur of natuur? Aanleg of conditionering? Zolang het niet veranderd is in ieder geval iets om rekening mee te blijven houden.

Dit is de laatste editie van De Gids in de huidige vorm. In het voorjaar zal het tijdschrift onder de hoede van een nieuwe uitgever een nieuwe gedaante aannemen, die beter past bij het literaire, politieke en wetenschappelijke landschap aan het begin van de eenentwintigste eeuw. En hopelijk dus ook bij de mensen die het bewonen. De verhouding tussen teksten op papier en elektronische informatie zal daarbij opnieuw gedefinieerd moeten worden.

Namens de Gids-redactie,

Edzard Mik, Ger Groot, Hans Maarten van den Brink