Audit

Er bestaat een groep riskmanagers, ik ben er een van. We komen graag
samen in een huis met gematteerde ramen, taxeren de dreigingen, verdelen
ons zorgvuldig over de straten.

Al op de eerste hoek weet ik een schaafwond uit een tegel te schrapen,
een clash uit een auto, een grom uit een hond. Botten bevrijd ik
van hun prematuur gevormde breuken, parkeergarages
van hun diep in de staalconstructies verscholen rekenfouten.
Uit een vrouw verwijder ik het weggaan, uit het kind
de vroegtijdige verlating.

Van wat pijn lijdt en kouvat neem ik de besmetting weg. Ik repareer
wat harig schuurt, roestig drupt, weerloos naakt op de akker staat.
Kompasnaalden in zakken van traag volgezogen jassen, stikgevaar
in stilstaande adem, de onderstroom in vreemde gangen, sluizen
in manieren van praten

’s Avonds rapporteer ik: alles wat misging is voorkomen, alles wat
jankte kan rustig gaan slapen.

De kans dat je vraagt hoe ik heet wordt met de minuut kleiner

Juist als je niets te zeggen hebt, kijken agenten onder je jas. Leg je gezicht
een doodkalm zwijgen op, je armen ongeladen langs je lijf. Hardhandig tegen de grond
gewerkt worden kan ook het bevredigen van een lichamelijke behoefte zijn.

Wat ik gestolen of gedeald heb, wit of de kleur van ons asfalt, jij mag het zeggen.
Wat ik deel, welke delen van mij jou een geheel verschaffen, het bewijs
nog in de kontzak van mijn broek, thuis als een uitgebloeide tulp over de rand
van de stoel, welke notatievorm, welke volgorde, jij mag het zeggen.

Als we het over mijn lichaam hebben: het functioneert prima maar kleurt niet mee
met de seizoenen. Betekent speciaal zijn dat er ‘s nachts over je wordt nagedacht?
Is er iemand die ‘s nachts over mij wil nadenken?

Weet je hoeveel mannen online een mooier geslachtsdeel kiezen, het op hun eigen lichaam
zetten, badkamer of kat erachter, dat heet deeleconomie, de bezoekersaantallen schijnen
enorm te zijn. In principe zou je aanspraak op me kunnen maken, me kunnen adviseren:
eerst je grappen, dan je onverschilligheid,

dan de vraag of ik ook zonder arrestatie van me af wil bijten. In de startgeluiden
van je auto is een grom te herkennen, maar iets tussen ons slaapt nog steeds. Ben je
überhaupt bereid, denk ik terwijl ik me omdraai, te blijven kijken als ik mijn jas
openrits, te onderzoeken welke wet ik dreig te overtreden?

Speelveld

Schotklok tikt: 24 seconden om de bal naar eigen grond
te halen, een doelgooi te doen. Jij draait naar haar draait
naar mij, armen weren af, hitte kaatst van alle muren, dit is
functioneel betasten, zoneverdediging.

Fluitsignaal: ongeoorloofd handgebruik, lopen zonder ritme.
Toegestaan is het benauwde schuiven van de schoenen, het dreunen
van de benen die nog niet in elkaar geloven, het trekken van de lijnen.
Maar hoe krimpt en zwelt de middencirkel, hoe volgen we dit veld?
Waarom trilt het als een lichaam?

Illegaal: duwen, daarover in discussie gaan. Wat nou
als we het schreeuwen laten, de aanraking vertragen. We kunnen
nagaan hoe het wegduiken zich schuilhoudt in mijn schouderblad,
het stuiteren zich verstopt in de holtes van mijn onbeschermde knie.
We merken: soms moet je wegblijven om dichtbij te komen.

Het schot blokken we languit, als vallen, onze ruggen groeien
in deze doorgeladen lucht. Nog zeven seconden, bounce pass op hardhout,
handen omhoog. Iemand heeft het vangen geoefend in zijn slaap, breekt
met een sprong uit dit omarmen.

Iduna Paalman (1991) studeerde Duits en geschiedenis in Amsterdam en Berlijn. Haar poëzie en korte verhalen verschenen onder meer in De Gids, De Revisor, Het Liegend Konijn en NRC Handelsblad. Ook is ze vaste columnist bij Hard//hoofd. Haar poëziedebuut De grom uit de hond halen verscheen september 2019 bij uitgeverij Querido. 

Meer van deze auteur