Hij lag uitgestrekt op de grijze, borstelige vloerbedekking, vlak achter de glazen klapdeuren van de bank. Zijn mond hing open, de armen met de handpalmen omhoog, ontspannen langs het lichaam. Zelden had ze iemand zo vredig zien slapen.

Tl-licht scheen recht in zijn gezicht. De stoet pinners, die zich een weg langs de slaper moest banen om de geldautomaten te bereiken, stootte met schoenen en tassen tegen hem aan. Maar hij bleef slapen, met een licht triomfantelijke glimlach op het gezicht, die deed vermoeden dat hij in bewusteloosheid een plek had gevonden die voor de meesten onbereikbaar zou blijven.

Ellen pinde zeventig euro. Honderd leek haar te veel van het goede. Vijftig te weinig. Dan moest ze binnen de kortste keren weer voorbij de tandeloze vrouwen die grijnzend de wacht hielden, om de deur steevast net iets te laat voor haar te openen. De zelfaangewezen bankportiers kwamen te dichtbij wanneer ze vervolgens met een doffe klap tegen de deur op botste. Het was onmogelijk om haar eigen reflectie in het geharde glas, de pisvlekken op de grond en de geur van ongewassen lichamen te negeren.

De vrouwen met hun rood aangelopen, gezwollen gezichten droegen hun lichtgrijze, stugge haar in een knotje boven op het hoofd. Alsof ze de mode van Berlijn op de voet volgden, droegen ze leggings met een patroon van mythische dieren en wazige kosmische taferelen. Ze hadden hoge sneakers met dikke zolen en neonkleurige veters aan de voeten. Daarboven jassen met zakken die uitpuilden van open en nog ongeopende bierflessen, een grauwe speelgoedeenhoorn, een pollepel, een wekker, een meetlat en een draagbare ventilator.

De kleine vrouw sjorde weleens een broek omhoog wanneer een van de mannen die tussen de geldautomaten sliepen, ’s nachts ontbloot was geraakt bij het pissen tegen een automaat die hij voor een boom had aangezien. Ze kamde de mannen liefdevol de haren.

Wanneer zij genoeg gedronken had om de scherpste contouren van haar directe omgeving te doen vervagen, ging de grote vrouw boven op haar zitten. Het knokige lichaampje bood een weinig comfortabele zitplaats. Het was eerder een afschermende houding, zoals leeuwen boven op hun prooi gaan liggen om eraan te kunnen kluiven zonder ook maar iets van het verstervende vlees te hoeven delen.

Honderd euro, tikte ze aan op het vettige scherm. Met spanning wachtte ze af of er daadwerkelijk honderd euro uit de automaat tevoorschijn zou komen. Het apparaat snorde. Haar hart bonsde in haar keel, verhevigd door het aanzwellende geluid van naderend geld. Met de klank van een heldere cimbaal verscheen er een volmaakt biljet in de gapende muil van de pinautomaat.

Zonde om op te vouwen, vond ze.

Geërgerd keek ze naar de plastic bekertjes met munten die de vrouwen in haar gezicht rammelden toen ze naar buiten stapte.

Visioenen van nieuwe sandalen, sneakers met verborgen sleehak, buitenlandse tijdschriften, kranten en abonnementen met exclusieve welkomstcadeaus verdrongen de slapers, de bedelaars en de dronkenlappen uit haar gezichtsveld.

Ellen zocht met haar ogen een radio toen ze de volgende morgen over de dronken lichamen heen stapte. Maar de sprankelende muziek die de toegang tot de bank ruimer en lichter had doen lijken, kwam uit de richting van de gitaar. Ze keek nog eens goed. Hij speelde echt.

De gitarist keek op, dwars door haar heen. De man die niemand kon verstaan zat naast hem, tegen de muur, het hoofd wiegend op een ritme dat alleen hij kon horen.

Volgens een medewerker van de bank kon ze met haar Mastercard Gold overal ter wereld terecht. Maar ze wilde geen risico lopen. Je kon misschien wel overal ter wereld pinnen, maar niet overal ter wereld stond een bank, was haar ervaring. Tweehonderd euro wilde ze deze keer proberen.

De gitaarspeler lag om een pinautomaat heen gevouwen. Zijn ogen stonden wijd open. Het waren mooie ogen, zag ze, met lange wimpers. Om zijn heupen verscheen een donkere plas die zich langzaam uitbreidde.

Kunnen deze mensen zich niet eens wassen? vroeg ze zich af. Ze verspreidden een geur van zweet, pis en stront, een grondtoon van ontbinding met – onmiskenbaar – een licht verfrissende toets van alcohol.

Ze vroeg zich af of er een gemeentelijke instantie was waar ze haar beklag kon doen over het feit dat er met een rolkoffer tegenwoordig niet meer fatsoenlijk te rollen viel. Ellen trok de koffer als een ploeg over de grove straatstenen en bleef steken in scheuren in de stoep waar ratten de tegels omhoog hadden gewerkt tot een grillig landschap.

Toen ze zich wilde bukken om een glasscherf uit de zool van haar nieuwe sandalen te plukken, zag ze hem staan. Hij stond als een pasgeboren veulen onwennig op zijn benen. In een wit, gestreken overhemd. Een spijkerbroek in de goede maat, zonder vlekken. Gepoetste leren schoenen. Zijn haar gewassen en kortgeknipt.

Hij wankelde en deed toen een trefzekere pas opzij. De man was in verticale positie langer dan ze had gedacht. Hij zou nog weleens ergens terecht kunnen komen, dacht ze.

Waar gaat hij in godsnaam heen? vroeg Ellen zich af, toen ze hem een stap zag doen. Ze vreesde dat zijn vertrek onvoorziene wendingen zou inluiden, veranderingen in haar bestaan waar ze niet om had gevraagd.

Ze wist niet meer waarom ze de stad verliet. Moest ze echt op vakantie? Wat verwachtte ze in het buitenland te vinden? Het was alsof de rolkoffer, die uiteindelijk ergens heen moest, haar richting de ingang van de U-Bahn en de roltrappen schoof, de tunnel onder de grond in.

De gitarist deed twee, drie stappen naar voren. Bij de vierde stokte hij en verslapten zijn benen. Hij probeerde het nog een keer, zijwaarts ditmaal.

De wereld die hem zojuist nog toegankelijk had geleken, begon zich om hem heen te verdringen. Meningen, teleurstellingen en mogelijkheden gingen aan hem voorbij, verkleed als schoolkinderen, jonge moeders en mannen met een functie en een doel in het leven. Voor de zekerheid liet hij zich maar vast op de grond zakken. Vanuit deze positie kon hij de wereld beter aanschouwen.

Heen en weer liepen de mensen over straat. Heen en weer scheurden de auto’s over de Gneisenaustraße, waar hij al zo lang woonde dat hij niet met zekerheid kon zeggen wanneer hij er was aanbeland.

Heen en weer, heen en weer gingen ze. Het was hartverscheurend. Want welke richting ze ook kozen, ze gingen altijd de verkeerde kant op.

Maria Barnas (1973) is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Bij uitgeverij Van Oorschot verscheen haar roman Altijd Augustus (2017) en dichtbundel Nachtboot (2018). Ze is redacteur van De Gids.

Meer van deze auteur