Dit is het eerste deel van een opera in zes bedrijven, die van 9 tot en met 12 juni 2016 wordt gespeeld in de kleine zaal van de schouwburg van Arnhem (libretto Piet Gerbrandy, muziek Chiel Meijering, regie Xander Straat, uitgevoerd door orkest De Ereprijs en zes zangers van het conservatorium van Den Haag).Het stuk is opgezet als een klassieke tragedie, waarbij de zes solisten samen ook het koor vormen. Protagonist Orpheus vertoont overeenkomsten met Julian Assange en Edward Snowden. Zijn geliefde Proserpina werkt voor het bewind (‘het Instituut’) van Dis, die, als een Recep Tayyip Erdoğan, op zijn manier het beste lijkt voor te hebben met de samenleving. Orpheus tracht Proserpina los te weken uit het systeem, terwijl Dis haar wil inzetten om Orpheus te laten afzien van acties die hij schadelijk acht. Jupiter is de vader van Proserpina. Hij drukt haar op het hart voorzichtig te zijn. 

Koor

Hoe donker deze straat
waar zon geen toegang vindt
waar enkel blinde limousines ruisen
geen voeten gaan dan schichtig en besmuikt.
Wie deze draaideur neemt
laat varen hoop op licht en transparantie.

Orpheus & Proserpina (telefoongesprek)We lijken midden in het gesprek te vallen. Orpheus verwijt Proserpina voor de zoveelste keer haar medewerking aan het bewind.

O: Je bent verstrikt geraakt in foute netten.
Je bent een loonslavin van vuile handen.
Hoe ben jij voor die hufter Dis gevallen?
Was het zijn strakke tucht
beteugeling van ongeleide krachten?
Was het zijn wil wat woekert uit te roeien
af te dammen wat bruist en overvloeit?
Wie zie jij als je in de spiegel kijkt?

P: Daar gaan we weer.
Hoe vaak heb ik je niet al uitgelegd
waarom dit werk – ja ook dit werk – gedaan moet?
Je kwetst me en je lijkt me niet te horen.
Als het zo moet verbreek ik de verbinding.

Ze verbreekt de verbinding. De volgende strofen zijn een monoloog, waarin Proserpina laat zien dat ze worstelt met de verwijten van Orpheus.

P: Zo wil ik niet – hoe moet ik – toch –
hoe kan hij niet begrijpen hoe dit voelt?

Maar desondanks −

Orpheus mijn lief jij bent
de bergbeek in mijn bedding
het welig kruid in mijn bloembed.
De wind van jouw adem doet mijn takken dansen.

Maar de wind van jouw adem
breekt andere takken aan stukken.
Ik wil de wereld heel en ongebroken.

Hoe handhaaf ik Dis’ orde in jouw maalstroom?
Hoe handhaaf ik jouw adem
in het bolwerk van Dis’ wettige gezag?

Dis (recitatief)Aanvankelijk staat hij te oreren tegen een spiegel, alsof hij een redevoering oefent.

Steen. Spiegelglas. En staal.
Ik houd van strak design en klare taal.
Daken die bij dooi niet lekken.
Gekoppelde systemen.
Geen daad die niet wordt vastgelegd –
de goede kunnen altijd weer gewist.

Meanders worden keurige kanalen.
Woeste gronden worden milde kavels.
Statistieken turven emoties.
Weldadige pillen dempen de put
van terecht verdronken verlangens.

Dis vuurt zichzelf aan als een demagoog die om bijval vraagt.

Jullie wilden toch ook geen chaos?
Jullie waren toch ook voor veiligheid?
Sobere welvaart was toch jullie wensdroom?

Nadenkend:

Ik gun mijn medeburgers natuurlijk
hun roes rond zonnewenden.
Maar laten wij het ritme van extasen reguleren.
Wie onder toezicht uitspat kent zijn plichten.

Hier wendt Dis zich tot Proserpina, die hij nu pas opmerkt.

Er is een as van kwaad die orde wil verstoren.
Hij hackt en lekt
hij opent alle banken
vormt kankers in onze bunkers
knipt mazen in maatschappelijke netten.
Orpheus maakt ziek wat wij met zorg bestieren.

Jij wilde toch ook geen chaos?
Jij was toch ook voor veiligheid?
Sobere welvaart was toch ook jouw wensdroom?

Toom die man toch in voor het te laat is.
Voorkomen is altijd beter dan genezen.

Proserpina & Dis (hun eerste duet)
P: O Dis u bent mijn toeverlaat
de hand die mij voedt
halogeen in de nacht
en het slot op mijn deur.

Orpheus jij bent mijn toeverlaat
de hand die mij streelt
de toorts in mijn bed
en mijn monding in zee.

D: Wie niet voor mij is vergist zich deerlijk.
Wie mij hindert heeft een groot probleem.
Wie zich verheft zal vallen tot hij breekt.

Kom tot inkeer nu en dump die hufter.
De chaos die hij schept is heel gevaarlijk.
Heb eerbied voor de wet die jou behoedt.

Jupiter (aria)
Mijn kind je moet je perk nog wieden.
Mijn kind vergeet je korting niet.
Vreemden zullen onheil stichten.
Vreemden gaan je werk verrichten.
Mijn kind verlies je rechten niet.

Het Instituut beheert mijn toekomst.
Het Instituut kent mijn belang.
Orpheus lacht om burgerplichten.
Hij wil niets dan kwaad verrichten.
Mijn kind behartig je belang.

Hij noemt liefde wat geweld is.
Een jungle maakt hij van je tuin.
Hij noemt zorg van Dis beklemming.
Orpheus minacht elke remming.
Zijn gifkruid woekert in je tuin.

Proserpina (aria)Misschien begint de aria al na de tweede strofe van Jupiter.

Hoe helder de beek die mijn borsten omspoelde
hoe vruchtrijk de boom in mijn hof
hoe weerloos de sneeuw op mijn landweg.
Een slang heeft de schoonheid vergiftigd
zijn olie mijn stranden besmeurd.

Orpheus mijn lief – Dis o mijn goede herder.

Hoe soepel de jurk die mijn kwetsbaarheid kleedde
hoe troostrijk het dons van mijn dek
hoe open de wond van mijn liefde.
Een slang heeft de schoonheid vergiftigd
zijn olie mijn stranden besmeurd.

Was Orpheus mijn lief – Dis was mijn goede herder.

Eerste koorlied
Het oog van de storm is een stilte.
Vaste stof is een achtbaan van deeltjes.
Een gas is een vloeistof op drift.

Woest en ledig lag de aarde
lucht en leegte zonder zin
tot een macht de elementen
scheidde en opnieuw verbond
tot een woord de waarde muntte
van wat plus werd en wat min.

Entropie is het lot van de orde
structuur utopie van de wirwar
ontbinding de wens van wie klem zit.

Stuurloos haakt de visser naar een anker.
Naar vrijheid smacht wie vastzit in een lift.
In elke stilte kiemt weer een cycloon.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur