Het veldje met onkruid en zandhopen dat ik van mijn wandelingen door de Diamantbuurt kende, was met metalen hekken afgezet. Ze waren begonnen met bouwen. Vrachtwagens reden af en aan, fundamenten waren gelegd, muren van gestapelde betonblokken rezen op, hoog in de lucht zwenkte de arm van een helgele bouwkraan. Op een groot bord stond wat hier werd neergezet: een massief woonblok dat het hele terrein zou vullen.

Ik liep erlangs, ik bleef staan, ik vond het jammer dat het landje niet meer braak lag. Ik woonde al twintig jaar in deze buurt en ik was ook al twintig jaar langs deze open plek gekomen, ik was eraan gehecht geraakt, ik merkte het tot mijn eigen verbazing. Ik voelde me in de steek gelaten, alsof de open plek en ik jaren geleden een stilzwijgende overeenkomst hadden gesloten die nu eenzijdig was opgezegd.

En het ging niet alleen om deze specifieke plek. Ik hield meer van braakliggend terrein dan van bouwplaatsen. Waarom was dat? Het antwoord diende zich meteen aan, alsof dat zich al eerder had gevormd en al die tijd ongeduldig had liggen wachten tot het zich mocht melden.

Braakliggende velden in de stad, met onkruid overwoekerd, en hier en daar een hoop oud zand waarin het onkruid blijkbaar niet kon wortelen, en in een hoek een inmiddels door roest en verval aangetaste, achtergelaten machine – ik associeerde ze met de laatste decennia van de vorige eeuw, met de clips die hoorden bij de doemmuziek waarnaar ik luisterde toen ik in de Czaar Peterbuurt woonde. Meestal in korrelig zwart-wit, die clips, ook dat nog, met als decor lege veldjes, verlaten fabrieken, lege pakhuizen vol betonrot – alles wat zich aan de loop van de tijd had onttrokken. Net zoals ik me in die jaren aan de tijd had onttrokken; ik leefde van een uitkering, ik kende niemand, ik was een lege plek die niet hoefde te worden ingevuld.

Daarom hield ik van braakliggend terrein, daarom vond ik het zo onprettig dat deze lege plek was verdwenen: ik associeerde die plekken met die periode, en met mijn vroegere ik.

Bouwen is de bevestiging van het geloof in het bestaan van een toekomst. Een overwoekerde lege plek is een bevestiging van een eeuwig onveranderd heden, met een uitgewist verleden dan ook nog (want de plek is leeg). Natuurlijk, die eeuwigheid is schijn, er kan elk moment een hek om de plek worden gezet, met een inrit voor bouwverkeer, en dat is dan het einde van de leegheid, zoals hier was gebeurd. Er was een toekomst begonnen, en blijkbaar zag ik dat als een aanval op een status quo die mij dierbaar was. Diep in mijn hart was ik nog steeds degene die op zijn etage in de Czaar Peterbuurt de onbestemdheid van het leven uitzat. Elk braakliggend terrein dat werd volgebouwd sneed me af van mijn eigen tijd (zo beschouwde ik die periode dus blijkbaar, als ‘mijn eigen tijd’), verkleinde de mogelijkheid dat ik daar ooit nog naar zou kunnen terugkeren.

Ik wilde, met andere woorden, nog steeds niet opgroeien, ik wilde, nu ik over de helft van mijn leven was, nog steeds niet volwassen worden.

Dit alles voelde als een nederlaag. Op het voormalige open veld ging het werk ondertussen met onrustbarende snelheid door. De arm van de bouwkraan zwiepte als een gek heen en weer, beton goot zichzelf uit in bekistingen, langs voltooide muren rees in razend tempo een buitenlaag bakstenen omhoog, raamlijsten sprongen zonder hulp van buiten in de daarvoor bestemde rechthoekige openingen.

Terwijl ik de bouwplaats met al het lawaai dat daarbij hoorde achter me liet, meldde zich de volgende vraag: wie was ik nu eigenlijk, op dit moment? Was ik degene die met pijn in het hart lege plekken zag verdwijnen omdat hij zichzelf in die locaties herkende en liever in een voortdurende staat van onbepaaldheid verkeerde, of was ik degene die zich daar eigenlijk voor schaamde en er zijn kritische analyse op losliet?

Dat ik mijn gedachten en handelingen kon beschouwen en becommentariëren, zowel dader als rechter kon zijn, was niets nieuws, als we onszelf niet zouden kunnen beschouwen zouden we onszelf niet zijn, maar deze keer trof het me, omdat ik me bijna fysiek twee personen voelde: de ene met een nostalgisch verlangen naar vroeger, de ander die hem daarover de les wilde lezen. De eerste leefde directer, volgde zijn gevoel, de tweede was strenger, had een bredere blik, legde verbanden over de jaren heen, overzag het geheel.

Het was verleidelijk om die tweede, de denker, als de oudste te beschouwen, ouder in ieder geval dan de meer impulsieve eerste. Of was het een kwestie van afstand, hield de eerste zich op tussen de gebeurtenissen en hersenspinsels van alledag en zweefde de tweede ver daarboven, zodat hij alles zich in een trager tempo zag voltrekken en grotere lijnen kon ontdekken? Misschien was het geen kwestie van leeftijd of afstand maar van snelheid: de tweede verplaatste zich langzamer door de tijd dan de eerste en kon zo een bredere visie ontwikkelen, de grote lijnen zien. Ja, ze waren als de grote en de kleine wijzer van een klok: de een springt van minuut naar minuut, de ander heeft een tragere snelheid, overziet en duidt een groter geheel.

Ik ben, mompelde ik een paar keer voor me uit, een klok. Ik ben twee spiegels; de eerste reflecteert de wereld, de tweede reflecteert de eerste. Er zijn ook driedelingen denkbaar (ooit hadden we id, ego en superego), maar in mijn bewustzijn ben ik hooguit met z’n tweeën. Natuurlijk, je kan ook nog iemand veronderstellen die reflecteert op de reflectie, en zo ad infinitum, maar wanneer je er een derde probeert bij te denken, lukt dat niet goed, wordt het te vol; de derde valt uiteindelijk toch altijd weer samen met die tweede. Drie is te veel.

Met deze gedachten in m’n hoofd (ze vroegen om een nadere uitwerking die ik nog niet meteen voor me zag) liet ik de bouwplaats achter me en stak ik de rivier over naar het oostelijk deel van de stad. Ik dwaalde door buurten waar ik vroeger al graag doorheen liep en die ooit waren ontworpen voor arbeidersgezinnen uit de sloppen van de binnensteden. Nu werden de etages bewoond door de bekende mix van nieuwe, toekomstgerichte kopers en minder kapitaalkrachtige huurders die nooit aan hun verleden hadden kunnen ontsnappen.

Mijn gedachten volgden ondertussen hun eigen pad: toen ik voor me op het trottoir een spreeuw van de ene tegel naar de andere zag hippen, begreep ik opeens dat er wel degelijk sprake was van een derde element; dat was ik namelijk zelf. Als er twee polen waren, de direct belevende en de beschouwelijke, dan was ik degene die tussen die twee polen heen en weer sprong. Dit was geen conclusie die me vrolijk stemde, omdat ik nu ondanks het derde element toch alleen was: ik was de heen en weer springende man, het bewustzijn dat maar op één plek tegelijk kon zijn.

Dat besef verlamde me een beetje, en ik voelde nu ook hoe vermoeid ik was. In de hoop dat een dosis cafeïne me nieuwe energie zou geven liep ik een op een hoek gelegen koffiehuis binnen. Alles was er oud en vettig, alsof het interieur sinds de jaren zeventig niet meer was veranderd. Pas toen ik doorliep naar de bar om mijn bestelling op te geven zag ik dat ik een coffeeshop was binnengelopen – hoe had dat nu kunnen gebeuren, had hier ooit een normaal koffiehuis gezeten dat nog op mijn innerlijke kaart stond?

Aan een tafeltje zaten drie jongens met bleke verveelde gezichten, en met tatoeages in hun nek en op hun onderarmen. Ze zaten languit, ver van de tafel, alsof alles hier een beetje te klein voor ze was.

‘Hé,’ hoorde ik een van hen zeggen.

Ik keerde me om.

Een van de jongens, waarschijnlijk degene die net gesproken had, keek me glimlachend aan. De glimlach was niet voor mij bedoeld, hij glimlachte voor een publiek, en het publiek zat bij hem aan tafel.

‘Waar kom jij vandaan? De jaren negentig zijn voorbij, hoor.’

Ik begreep hem niet meteen. Toen zag ik dat hij naar mijn T-shirt keek, en ik volgde zijn blik: ik droeg een T-shirt van Nirvana. Vroeger had ik inderdaad een Nirvana-shirt gehad, maar ik wist niet dat ik het nog steeds bezat.

Nirvana was de laatste band die me had geraakt, waarmee ik me had kunnen vereenzelvigen, die ik nog als tijdgenoten had beschouwd; Kurt Cobain was vier jaar jonger dan ik geweest, alles wat daarna kwam was een jongere generatie. Dat ik destijds een shirt van de band had gekocht, moest toen al een poging zijn geweest om mijn jeugd te verlengen. Ik had het niet vaak gedragen en kon me niet meer voor de geest halen hoe het eruit had gezien, maar het was ongetwijfeld hetzelfde shirt dat ik nu aanhad.

De jongen keek me ondertussen afwachtend aan. In mijn hoofd probeerde ik een antwoord te formuleren. Hoewel ik in een ver verleden regelmatig ongeschoold werk had gedaan, was het me nooit goed gelukt om te communiceren met mensen zonder intellectuele scholing. Elke uitwisseling met lager opgeleiden was een schaakpartij waarbij ik met zwart speelde, en bovendien met een paar stukken minder.

Omdat ik nog niets had teruggezegd, herhaalde de jongen zijn zet.

‘De jaren negentig zijn voorbij, hoor.’ Hij keek me aan met een blik vol minzame onverschilligheid waarachter grote waakzaamheid schuilging.

‘Ik ga zo terug,’ zei ik, ‘mijn tijdmachine staat om de hoek.’

Zelf vond ik het wel aardig gevonden, en ik hoopte dat deze opmerking relativerend genoeg zou zijn om de angel uit de situatie te halen. Ja, probeerde ik uit te stralen, ik zie er misschien inderdaad uit alsof ik in de vorige eeuw ben blijven hangen, maar ik ben me daarvan bewust en laat dat op humoristische, niet-bedreigende wijze merken.

Maar de jongen dacht daar anders over. ‘Het praat terug,’ zei hij tegen zijn tafelgenoten.

Ik had door dat ik onmiddellijk weg moest en begon terug te lopen naar de deur.

De jongen kwam overeind, alle drie de jongens kwamen overeind, ze waren groot en breed, jongens die waren grootgebracht op krachtvoer en agressie, er lag nog een doorgang naar de deur voor me open maar die werd per seconde smaller en om de straat te bereiken moest ik iemand opzij duwen.

Zonder die duw had ik waarschijnlijk, al dan niet begeleid door achter mij wegstervend schamper gelach, ongehinderd mijn wandeling kunnen vervolgen. Maar met die duw had ik ze een reden gegeven om het er niet bij te laten zitten, en dat deden ze dan ook niet: ze kwamen achter me aan, opgetogen brullend, plezierjagers met trek. Ik rende opeens voor mijn leven, of in ieder geval voor het leven dat ik tot dan toe had geleid, met een lichaam dat ouder was geworden maar nog nooit beschadigingen had gekend die zo ingrijpend waren dat normaal functioneren erdoor werd belemmerd. Ze waren jonger dan ik, en sneller, het gehol achter me kwam dichterbij, met dreunende, snelle stappen, zware schoenen, wie weet met stalen neuzen. Ik sloeg een hoek om en zag tot mijn opluchting en verbazing op een braakliggend veldje de tijdmachine staan.

Het veldje was ooit omringd geweest met manshoge stalen hekken maar de meeste daarvan waren omgegooid, het gaas eruit getrapt. Ik rende door hoog opgeschoten onkruid en sprong op de machine. Zodra ik mijn handen om de handgrepen had gelegd, begon alles te werken. Verlichting sprong aan, spiegels begonnen om elkaar heen te draaien, grote en kleine wijzers bewogen met elkaar mee en tegen elkaar in. Alles voelde op een vreemde manier vertrouwd. Er was sprake van herkenning en het was of die van twee kanten kwam, alsof niet alleen ik de machine herkende maar de machine ook mij. De omgeving vervaagde en het werd snel donker om me heen, gelukkig had ik de verlichting van de machine zelf waar ik me op kon richten – als ik me al ergens op kon richten, want gedachten en inzichten tuimelden door mijn hoofd. De gedachten waren chaotisch en de inzichten fragmentarisch, in een flits schoot het door me heen dat mijn voorkeur voor braakliggende terreinen met praktische zaken te maken had, zoals punten van vertrek en aankomst die tijdens tijdsprongen niet volgebouwd moesten worden, alles zou me ongetwijfeld duidelijk worden wanneer ik weer terug was, in de jaren negentig – ik ging naar huis en toen ik dat besefte, werd ik overspoeld door een kalme euforie. Ik had nooit hier gehoord, ik hoorde daar, de illusie dat mijn leven door was gegaan was precies dat: een illusie, nooit had ik twintig jaar in de Diamantbuurt gewoond, ik ging terug naar de Czaar Peterbuurt, naar mijn kleine negentiende-eeuwse etage in de Derde Leeghwaterstraat – maar er was alleen dit: ik had geen enkele herinnering aan het begin van mijn reis, aan mijn vertrek, het hele absurde concept ‘tijdreizen’ kwam in mijn vroegere leven in de Derde Leeghwaterstraat niet voor, dus hoe kon ik terugkeren als mezelf, naar mezelf? Misschien was het een consequentie van tijdreizen dat je erdoor in tweeën werd gesplitst, maar daar zou ik pas achter komen wanneer ik terug was en zou blijken dat ik nu de helft was van iets wat na terugkeer herenigd zou worden met zijn andere helft; herenigd tot een geheel dat alles begreep en doorzag – maar hier sloeg de twijfel toe, zo’n hereniging leek me een idee uit boeken, iets dat je verzon tot troost, straks keerde ik terug naar de Derde Leeghwaterstraat en keek ik omhoog en zag ik mezelf voor mijn raam zitten lezen, hoewel dat goedbeschouwd niet kon vanaf de straat maar het ging om het idee en waar moest ik dan naartoe?

En nu herinnerde ik me dat ik mij tijdens mijn laatste jaren in de Derde Leeghwaterstraat vaak bewust was geweest van een vage aanwezigheid in het trappenhuis en op zolder, alsof het huis een geest herbergde. Het was lichtelijk verontrustend geweest, zeker in het begin, maar gaandeweg was ik eraan gewend geraakt. Soms hoorde ik licht gedruis boven mijn hoofd, krakende traptreden achter de deur. Meer dan eens had ik ‘s nachts de indruk gehad dat iemand zich over mij heen boog en naar mij keek, maar als ik dan het bedlampje aanklikte, was de kamer leeg. Kleren verdwenen en doken weer op, bij het openen van koelkast en keukenkastjes verbaasde ik me dikwijls over de snelheid waarmee dingen op waren. Ik weet de verwarring aan mijn eenzaamheid en alcoholgebruik, hoe makkelijk is het niet je te vergissen, je denkt dat je nog melk en brood hebt maar het is weg, het gaf me een reden om naar buiten te gaan, naar de Albert Heijn aan het eind van de Sarphatistraat. Wanneer ik ‘s nachts zachte voetstappen op de trap hoorde, dacht ik dat het geluid in mijn eigen hoofd zat, en mompelde om de illusie niet te verstoren een zachte groet.

Ik begreep dat ik op weg was om die geest op zolder te worden, dat ik die geest op zolder al was, en dat ik dus niet zou terugkeren als de bewoner van de etage, ook al beschikte ik over diens herinneringen. Er was een splitsing opgetreden die me veroordeelde tot een leven als schim op zolder, misschien bestond ik inderdaad alleen maar in de verbeelding van die andere helft – anders zou ik hem ‘s nachts op zijn schouder kunnen tikken, anders zou ik me aan hem kunnen voorstellen. Ik had herinneringen aan de manifestaties van de geest maar ik was niet langer degene aan wie die geest zich had gemanifesteerd. Maar ook die geest was ik niet, want die was er al, ik herinnerde me hem – ik was een tweede afsplitsing, en dat maakte mij tot de derde van het gezelschap, voor wie hopelijk nog plaats was op zolder. Ik bevond me in een hopeloos labyrint en ik werd overspoeld door een gevoel dat ik alleen maar kan omschrijven als een doordringend besef van grote eenzaamheid. Ik doolde alleen rond in het duistere en de reis werd nu ook lastiger, ik verplaatste me met grote schokken en ontving uit het niets harde klappen in mijn zij en tegen mijn hoofd alsof ik me met grote snelheid tegen een onzichtbare meteorietenzwerm in bewoog, of door een ruimte vloog waarin aan lange kettingen reusachtige stalen balken heen en weer zwaaiden. Dit was al enige tijd aan de gang, in feite was het begonnen op het moment dat ik op de machine sprong, maar inmiddels hadden de dreunende klappen een ondraaglijk niveau bereikt. Ik moest overgeven, en bleek tot mijn schaamte de controle over mijn sluitspieren kwijt te zijn. Ik probeerde me zo klein mogelijk te maken en gaf de illusie op dat ik ooit nog ergens zou aankomen. Ik weet niet meer hoe lang het duurde, maar gaandeweg verloren de aanvallen aan intensiteit, alsof er dikke dekens om mij heen werden gelegd, en ik voelde me samenvloeien met de machine, als een gedachte die terugkeert naar haar bron, een droom die wegsterft in de geest van de dromer. Het laatste wat ik gewaar werd was een bescheiden gevoel van opluchting – alsof iets ophield dat veel tijd en moeite had gekost en uiteindelijk weinig had opgeleverd.

Rob van Essen (1963) ontving eerder dit jaar de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman De goede zoon. Dit najaar verscheen een nieuwe editie van zijn roman Visser uit 2009. Momenteel werkt hij aan de biografie van Menno Wigman.

Meer van deze auteur