Waarom ik vraag

Iemand die in dezelfde straat woonde had kamers vol boeken, maar ik mocht er niet één van hem lenen.
Het lukte mij bijna niet naar huis terug te lopen omdat ik aan de boeken dacht.
De man was een boekverkoper, hoe kon ik dat vergeten hebben.
Die nacht droomde ik dat ik al zijn boeken naar huis meegenomen had en dat ik ze een voor een las terwijl ik in bed lag.
Mijn ouders dachten dat als ik zo graag wilde lezen ik alles kon worden wat ik wilde.
Zij verkochten wat zij niet nodig hadden om een boek voor mij te kopen.
Ik leerde snel uit mijn hoofd wat erin stond, dan konden zij het boek verkopen en een ander voor mij kopen.
Ik denk daaraan als ik zoveel boeken heb dat ik om meer tijd vraag om ze allemaal te lezen, en de boeken die ik als kind las nog een keer te lezen.
Wat ik had willen worden toen ik een kind was, ik durf het niet te zeggen, ik dacht dat schrijven het kleinste deel zou zijn.
Ik dacht dat ik elk probleem dat niet opgelost was mocht proberen voordat het aan een ander doorgegeven zou worden.
Hoe ik geleerd heb om te gaan met dat ik nog iets beters wil.
Geef het mij als een probleem dat iemand anders niet kan oplossen.
Nu vraag ik niet om meer dan om alle boeken te kunnen lezen die geschreven worden.

Iemand die zich vanwege liefde door zijn hoofd wil schieten neemt het ernstig en dat is belangrijk

Ik denk niet dat ik naar jullie kan kijken als jullie, de toneelspelers, niet kunnen toegeven dat het grappig is.
Er gaat iemand dood, maar dat is halverwege, en iemand aan het einde, maar die zei steeds dat hij wilde dat hij dood was.
Niet dat iedereen alles krijgt waarom hij vraagt, maar niemand overkomt waarom hij niet ook ten minste één keer gevraagd heeft
Als in een toneelstuk met te veel rollen als ik het lees, maar het wordt makkelijk als het opgevoerd wordt.
Het wordt nog makkelijker als alle rollen voor één toneelspeler zijn, in haast en spijt dat hij haar zo laat in de nacht ontmoet heeft.
Huil alsjeblieft niet om wat jullie moeten zeggen, anders geef ik jullie strafregels, mogen jullie honderd keer opschrijven: dit is zo belangrijk dat iemand er niet om kan vragen.

Laat mij de loterij winnen en ik geef tien procent aan de armen, en als je mij niet gelooft mag je die tien procent meteen inhouden

Als ik een meneer was die op straat stond alsof hij omlaaggevallen was ging ik van huis naar huis, en nee, ik wil niets verkopen.
Honden worden stil als zij mij zien, ik maak ze niet aan het schrikken, soms aai ik ze over hun kop.
Als ik binnen mag komen houd ik mijn jas aan en gevraagd wat ik wil drinken zeg ik een glas water, want dat is voor iedereen makkelijk.
Iemand wacht totdat ik opnieuw op bezoek kom, zij heeft niemand meer die haar dit uit haar hoofd kan praten.
Aan het einde van een nacht loop ik langs de tuin, ik vraag hardop of wie daar woonde er nog steeds woont.
Iemand blijft toch niet in een huis als dit, behalve om te wachten tot iemand terugkomt.
Als ik voor het raam sta komt zij naast mij staan en wij kijken naar de tuin.
Ik zeg dat zij goed rechtop staat, zij zegt dat de kleinste wind haar omver kan blazen.
Alstublieft, ik ben niet erg dapper meer, laat mij een deel hiervan vergeten.
Ik herinner mij dat ik een keer bij haar kwam toen de nacht al voorbij was.
Ik heb wekenlang gereisd om hier te komen en nu ik hier ben is het in een nacht voorbij.
Het was al voorbij toen ik aankwam, maar ik moest een nacht blijven voordat ik weer terug kon gaan.
Na hoeveel tijd ik kan zeggen dat de rest van mij is, als ik langer wegblijf, als ik een dag terug ben.
Is dit wat verlaten worden is, dat alles wat niet meer anders kan steeds daarheen verandert.
Als ik geen geld heb kan ik niet, als ik wel geld heb mag ik niet in een duur hotel slapen, wanneer moet ik dan?
Nee, ik ben niet de laatste man op aarde, alleen de enige die nog dood gaat, iedereen noemt mij jongen.
Ik ben geen hond, maar vandaag wil ik als een grote hond zijn die achtergelaten is in een park.
Ik ren door het water in de vijver die zo ondiep is dat het lijkt alsof ik over het water ren.

Nachoem M. Wijnberg (1961) publiceerde achttien gedichtenbundels – laatstverschenen Om mee te geven aan een engel (Uitgeverij Pluim, 2018) – en vijf romans. Najaar 2019 verschijnt zijn negentiende bundel, Afscheidswedstrijd. Hij is hoogleraar aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam. In 2018 ontving hij de P.C. Hooftprijs.

Meer van deze auteur