De tekst is een sacraal voorwerp. Een van mijn wonderlijkste ervaringen met het geschreven woord deed zich voor toen ik een huis kocht en voor ‘het passeren van de akte’ het kapitale kantoor van de plaatselijke notaris bezocht. De secretaresse had een enorme hoeveelheid tekst uitgeprint en gerangschikt in stemmig vormgegeven mapjes. Het ritueel bestond eruit dat de notaris enkele ondoorgrondelijke frasen uit deze heilige schrift voor zich uit prevelde, waarna ik geacht werd akkoord te gaan en mijn handtekening te plaatsen. Om de symbolische daad kracht bij te zetten inde de notaris vervolgens een fors percentage van de koopprijs van het huis. Ik heb achteraf een halfslachtige poging gedaan het contract door te lezen, maar ben niet verder geraakt dan de tweede alinea, want er was geen touw aan vast te knopen; veel zinnen leken me zelfs regelrecht ongrammaticaal. Nog interessanter is dat de notaris zelf waarschijnlijk geen idee had van wat hij plechtig reciteerde. De tekst van de koopakte is een autonoom object dat slechts tot functie heeft er te zijn om te verwijzen naar een afspraak, de notaris is de hiërofant die de geldigheid van het ritueel bewaakt. Niemand weet wat er in het contract staat, en dat hoeft ook niet.

Een vergelijkbare omgang met teksten kwam ik tegen op een middelbare school waar ik geruime tijd lesgaf. Bij een van de vakken die ik doceerde dienden de leerlingen, frisse Achterhoekse zestienjarigen, een werkstuk te maken. Enkelen van hen verzamelden op internet een flinke lading bronnen, om deze vervolgens vakkundig aan elkaar te plakken en van een aantrekkelijke layout te voorzien. Toen ik het werk bekeek, bleek algauw dat er geen enkele lijn in zat: gedownload materiaal was lukraak samengevoegd zonder dat er zelfs maar een poging was gedaan er een verhaal van te maken. Overleg met de betreffende leerlingen leverde een verbijsterende ontdekking op. Ze wisten niet, zeiden ze, dat het de bedoeling was de vergaarde bronnen ook echt te lezen. Het opzoeken, knippen, plakken, opmaken en afdrukken van ongelezen teksten hadden ze niet als iets onzinnigs ervaren en ze waren dan ook oprecht verbaasd dat ik er geen genoegen mee nam. Het verplaatsen en assembleren van verzamelingen lettertekens schept blijkbaar de illusie dat men bijdraagt aan kennisoverdracht. Misschien is dat ook zo. Deze kinderen hebben probleemloos hun vwo-diploma gehaald.

Beide incidenten laten zien dat ook na een millennium of vijf van schriftcultuur het geschrevene nog steeds niet even vanzelfsprekend is als de woorden die, om Homerus aan te halen, gevleugeld de haag onzer tanden overschrijden om met het oor te worden opgevangen. Het decoderen en spreken van een natuurlijke taal leer je, mits je opgroeit in gezelschap van taalgebruikers, vanzelf, de passieve en actieve beheersing van het schrift vergt bewuste instructie, tucht en oefening. De tekst blijft iets vreemds, iets wat los van ons staat. Nog steeds koesteren we boeken als magische objecten, zelfs al kunnen of willen we er geen letter van lezen. Zo zijn er verzamelaars die voor astronomische bedragen flessen wijn uit de vroege negentiende eeuw opkopen, niet met de bedoeling ze leeg te drinken maar om ze na enige tijd weer door te verkopen. Bij iedere overdracht stijgt de wijn in waarde, maar niemand weet hoe hij smaakt.

In de geschiedenis van de mensheid is het schrift een tamelijk recente vinding. We zijn genetisch geprogrammeerd om betekenissen aan klanken te koppelen, maar de extra stap die, door zichtbare tekens klanken te laten representeren, ook het oog erbij betrekt, is vooralsnog een culturele verworvenheid waarvoor de neurale bedrading niet van meet af aan klaarligt. Alleen wie het jong leert krijgt er handigheid in. Gegeven de betrekkelijke nieuwheid van het schrift valt er nog weinig te zeggen over zijn toekomst. Misschien blijkt over duizend jaar dat het niet meer dan een incident is geweest. Gedreven lezers en schrijvers als we zijn, hebben we de neiging de letter te overschatten. We kunnen ons nauwelijks een voorstelling maken van een serieuze civilisatie die niet over het schrift beschikt. Toch zijn zulke beschavingen er geweest. Hoe doe je dat, een ontwikkelde maatschappij draaiende houden zonder tekst? Maar hoe kom je daarachter als je geen geschreven bronnen hebt?

Van de twee aan Homerus toegeschreven epen, de Ilias en de Odyssee, is sinds de negentiende eeuw duidelijk geworden dat ze moeten zijn voortgekomen uit een orale traditie. Antropologisch onderzoek heeft intussen laten zien dat orale overdracht van mythen, liederen en religieuze kennis wereldwijd niets bijzonders is. In het voormalig Joegoslavië wordt nog altijd een epische traditie levend gehouden, waarbij fleurig opgetuigde zangers, de zogenaamde guslari, er overigens niet voor terugdeinzen ook de meer recente heldendaden van Mladić en Karadžić te bezingen: op YouTube zijn diverse optredens te vinden. De bestudering van niet alleen Homerus, maar natuurlijk ook de vroegste teksten uit de Bijbel, de kleitabletten uit Mesopotamië, de Indiase Veda’s en de oudste poëzie van China maakt het mogelijk een aantal constanten aan te wijzen in de orale literatuur die ten grondslag ligt aan de eerste grote teksten die tot ons zijn gekomen, zeker als die informatie wordt gecombineerd met wat we weten van hedendaagse orale culturen.

Een samenleving die haar wetten, religieuze gebruiken en verhalen over het verleden niet optekent, moet het hebben van het geheugen van haar leden. Hoe specifieker de kennis die wordt overgedragen, des te groter is de behoefte aan een goed opgeleide kaste van zangers, priesters, sjamanen of rechters die althans de pretentie koesteren essentiële waarheden uit de oertijd te kunnen oplepelen. Omdat de hoeveelheid te reproduceren ‘teksten’ doorgaans aanzienlijk is, dient de bard of druïde zijn geheugen te trainen, en we kunnen er zeker van zijn dat wat gememoriseerd werd, in vergelijking met de omgangstaal stilistisch gemarkeerd was. Het geheugen ontleent immers veel steun aan muzikale principes als ritme, klankherhalingen en parallelle zinsconstructies, die helemaal goed beklijven als ze gepaard gaan met motorische elementen als dans, processies of het bespelen van een muziekinstrument. Alle orale literatuur maakt gebruik van vaste formules en cyclische structuren. Het zingen en reciteren vindt plaats binnen een ritualistisch kader, hetgeen vernieuwing ontmoedigt. Dat is ook terecht, want het doorgeven van de traditie heeft de bestendiging van de maatschappij tot doel. Het betekent overigens niet dat er nooit iets verandert. Elke cultuur, geletterd of niet, past zich aan wanneer de omstandigheden zich wijzigen. Wat geacht wordt oeroud te zijn, blijkt bij nader onderzoek soms van recente datum te zijn.

De eerste vormen van schrift dienden tot geheugensteun voor ingewijden die aan een paar hints voldoende hadden om hun kennis te kunnen opdiepen. De eerste Chinese ideogrammen, het spijkerschrift, de Egyptische hiërogliefen, het Myceense Lineair-B en de Noord-Semitische voorlopers van het Griekse alfabet gaven de spraakklanken van de afzonderlijke talen niet of slechts zeer gebrekkig weer. Schrijven en lezen bleef het domein van een speciaal daartoe opgeleide elite. Er bestond geen lezerspubliek, cultuuroverdracht in ruime zin bleef een zaak van publieke optredens en min of meer gereguleerde samenzang.

In de achtste eeuw v.Chr. werd het syllabisch schrift van de Noord-Semitische Feniciërs, die hun basis hadden in het huidige Libanon, door Cyprische Grieken aangepast voor eigen gebruik. Zo ontstond voor het eerst een alfabet dat ondubbelzinnige weergave van spraakklanken mogelijk maakte. Deze revolutie vereiste een hoge mate van abstractie, want de lettertekens (en hun namen) verwezen niet meer naar betekenissen of fenomenen uit de werkelijkheid, maar puur naar de luttele tientallen spraakklanken die in het Grieks werden onderscheiden. Bijkomend voordeel van dit systeem is dat één alfabet, met enkele aanpassingen, in beginsel geschikt is om iedere taal op te tekenen. Doordat niet meer dan een vijfentwintigtal tekens volstaat om alle woorden uit een taal weer te geven en bovendien elke letter naar slechts één klank verwijst, is de beheersing van het schrift ineens bereikbaar voor grote groepen taalgebruikers. Bovendien wordt het mogelijk taaluitingen vast te leggen die nieuw zijn, omdat er geen speciale achtergrondkennis meer nodig is om de tekens tot klinken te brengen. Het alfabet werkt, kortom, bevrijdend en democratiserend. Volgens de Britse classicus Eric A. Havelock (1903-1988), die een belangrijk deel van zijn carrière wijdde aan wat hij noemde The Literate Revolution in Greece and Its Cultural Consequences (de titel van een briljant maar omstreden boek uit 1982), was de introductie van het alfabet een beslissende voorwaarde voor het ontstaan van filosofie en wetenschap.

Uiteraard was die revolutie niet direct na de verschijning van het alfabet een feit. De vroegste teksten, inscripties op vaatwerk, suggereren dat het schrift aanvankelijk vooral werd gebruikt voor het weergeven van namen en het citeren van regels uit de homerische traditie. Van een vlot lopend handschrift is nog geen sprake, en we mogen aannemen dat de eerste schrijvers volwassenen waren die hun nieuwe vaardigheid voor speciale gelegenheden reserveerden. Als het schrift ook voor administratieve doeleinden werd gebruikt, wat wel voor de hand ligt, is daarvan weinig of niets bewaard gebleven. Pas in de vijfde eeuw v.Chr., toen Athene een radicale democratie werd, moet onderwijs in lezen en schrijven aan kinderen op grote schaal zijn ingevoerd. We kennen het merkwaardige verschijnsel van het ostracisme, waarbij de Atheense volksvergadering op gezette tijden de gelegenheid kreeg de naam van de meest gehate burger op een potscherf (ostrakon) te krassen, waarna de man met de meeste stemmen voor tien jaar werd verbannen. Zo’n volksgericht werkt alleen waar een meerderheid van de burgers het schrift machtig is.

Toen de kunst van het lezen en schrijven gemeengoed was geworden onder vrije burgers (uitsluitend mannen, natuurlijk), gaf dat een impuls aan de intellectuele creativiteit van de samenleving. Het voordeel van alfabetisch schrift is dat je kunt vastleggen wat zich niet eenvoudig laat memoriseren, en dat je het geschrevene als springplank kunt gebruiken om verder de diepte in te duiken. Het essay, de oervorm van het vrije proza, is ondenkbaar in een orale cultuur. Ineens was het mogelijk de omgangstaal tot monument te verheffen. De dichter Pindarus (ca. 520-440 v.Chr.), wiens poëzie nog helemaal in een orale traditie staat, vergelijkt zijn lied al met een ‘stèlè, witter dan Parisch marmer’ en met een schathuis dat ‘noch door de winterse regen, een hardvochtige invasie van donderwolken, noch door de wind met een alles meesleurende steenmassa naar de diepste krochten van de zee gebeukt kan worden’. Twee generaties later noemt de historicus Thucydides zijn geschiedwerk over de Peloponnesische Oorlog een ‘bezit voor altijd’. Wat op duurzaam materiaal is opgeschreven, zal de tand des tijds weerstaan.

De jonge vaardigheid kende echter ook fervente tegenstanders, zoals te verwachten valt bij revolutionaire ontwikkelingen die de positie van een elite aangaan. Een beroemde passage in het zesde boek van Caesars Gallische Oorlog (ca. 50 v.Chr.) vertelt over de Keltische druïden. Deze hoeders van de traditie leerden tijdens een opleiding van soms meer dan twintig jaar een grote hoeveelheid spreuken of poëzie van buiten, en ze beschouwden het als absoluut not done hun kennis aan het schrift toe te vertrouwen, ook al gebruikte men in Gallië voor administratieve doeleinden allang Griekse letters. Volgens Caesar heeft die terughoudendheid twee redenen. In de eerste plaats willen ze niet dat hun exclusieve kennis zomaar beschikbaar is voor het hele volk, in de tweede plaats wordt zo voorkomen dat studenten de neiging krijgen onvoldoende hun best te doen bij het trainen van hun geheugen.

Dezelfde bezwaren treffen we aan bij Plato (427-447 v.Chr.), die, anders dan Caesar, leefde in een eeuw waarin het schrift nog maar net aan zijn opmars was begonnen. Het is de moeite waard wat nauwkeuriger te kijken naar de argumenten die deze productieve schrijver tegen zijn eigen passie in het geweer brengt. In de Phaedrus is Socrates (469-399 v.Chr.), de filosoof die nooit een boek schreef, in gesprek met zijn jonge vriend Phaedrus, op wie hij een beetje verliefd lijkt te zijn. Tegen het einde van de dialoog haalt hij een – ongetwijfeld zelfbedachte – episode uit de Egyptische mythologie aan, waarin de god Theuth het schrift ontwerpt. Theuth wil zijn vinding graag met het volk delen en wendt zich tot farao Thamous, aan wie hij de zegeningen van de lettertekens uitlegt:

‘Deze kennis, majesteit, zal de Egyptenaren wijzer maken en hun geheugen vergroten. Mijn uitvinding is een medicijn voor geheugen en wijsheid.’ Maar de koning sprak: ‘Beste Theuth, je mag een genie zijn, maar de één is goed in het baren van technologie, de ander kan beter beoordelen hoeveel schade of nut die heeft voor wie er gebruik van gaan maken. Zo heb jij, als vader van de lettertekens, met de beste bedoelingen het tegenovergestelde gezegd van wat in feite het effect ervan zal zijn. In de zielen van hen die het schrift leren zal het, doordat ze hun geheugen verwaarlozen, vergeetachtigheid veroorzaken, want door te vertrouwen op vreemde schrifttekens die buiten hen staan, diepen ze de kennis niet meer op uit zichzelf. Wat je hebt uitgevonden is geen medicijn voor het geheugen, maar een geheugensteuntje. Je verschaft de leerlingen er slechts de schijn van wijsheid mee, en geen waarheid. Want doordat ze veel te horen krijgen zonder dat dit met onderricht gepaard gaat, zullen ze de indruk wekken veel te weten, terwijl ze voor het grootste deel in feite kennisloos blijven, en ze worden nog onuitstaanbaar ook, omdat ze schijn-wijs zijn geworden in plaats van wijs.’

Niet zonder ironie laat Plato zijn personage Phaedrus uitroepen: ‘Socrates, jij vertelt wel heel gemakkelijk een verhaal uit Egypte, of van waar dan ook!’ Maar het lijkt Socrates ernst te zijn. Schrijven heeft hetzelfde nadeel als schilderen:

De telgen van de schilderkunst staan erbij alsof ze echt leven, maar als je ze iets vraagt, bewaren ze een plechtig stilzwijgen. Zo is het ook met woorden. Je krijgt de indruk dat ze iets verstandigs te melden hebben, maar als je een vraag stelt omdat je iets meer wilt weten van wat er gezegd wordt, blijft het de hele tijd maar hetzelfde aanduiden. Wanneer een verhaal eenmaal is opgeschreven, rolt het alle kanten op, zowel naar de goede verstaanders als naar mensen die er niets mee te maken hebben, en het weet niet tegen wie het wel of niet moet spreken. Slecht behandeld en ten onrechte beschimpt heeft het altijd de hulp van zijn vader nodig. Zelf is het immers niet in staat zich te verweren of te helpen.

Allereerst merk ik op dat de terminologie die Plato voor tekst en lezer hanteert, nog steeds op een orale context duidt. Lezen is horen en verstaan, de geschreven woorden worden als sprekend voorgesteld. Dat is niet zomaar beeldspraak, want Grieken lazen hardop. In die zin is de tekst inderdaad een partituur die tot klinken gebracht moet worden. Maar waar het hier om gaat, is dat het geschrevene niet op eigen benen kan staan. De enige vorm van zinvolle communicatie is het gesprek tussen gelijkgestemden, waarbij je elkaar in de ogen kunt kijken, om verheldering kunt vragen en niet bang hoeft te zijn dat je elkaar zult misverstaan. Daarbij komt het rigoureuze onderscheid tussen deskundigen en mensen voor wie de boodschap niet bedoeld is. Het geschrevene is toegankelijk voor niet-ingewijden, en dat moet beslist vermeden worden. Alleen de inner circle heeft recht op wijsheid.

Deze passage behelst een van de grote paradoxen uit het werk van Plato, die een meester van de ironie was. In een boek van ongeëvenaarde schoonheid wordt het standpunt verkondigd dat boeken niet deugen. Wil Plato zeggen dat zijn dialogen slechts een glimp tonen van wat de filosofie in een gesprek onder vier ogen vermag? Moeten we dit lezen als een geval van superieure zelfspot? Hoe dan ook, wat betreft de Phaedrus heeft hij gelijk, want de ongrijpbare tekst geeft niet thuis als je hem om nadere toelichting vraagt. Het boek doet wat het beweert.

In de Oudheid is, mede doordat de drukpers nog niet was uitgevonden, het gesproken woord altijd dominant gebleven. In het Rome van Cicero, Nero en Traianus werden talloze jongens klaargestoomd voor een carrière in het openbaar bestuur, en de kern van het curriculum bestond uit lezen, schrijven, gedegen studie van de klassieken en vooral het componeren en ten gehore brengen van redevoeringen. Ondanks de centrale plaats die gecanoniseerde teksten in het onderricht innamen, ondanks het feit dat de studenten werden gedrild in het ciseleren van ronkende volzinnen en zo een feilloze sensitiviteit ontwikkelden voor het juiste ritme en de meest effectieve stijlfiguren, werden de Romeinen nooit gretige schrijvers en lezers. Wie in het openbaar moest spreken, leerde zijn zorgvuldig voorbereide rede van buiten, zelfs als het om een pleidooi van drie uur ging, want het was volstrekt uitgesloten dat men een tekst van het blad zou voorlezen. Iedereen werkte mee aan de fictie dat een beschaafde Romein geen tijd had voor zoiets onbenulligs als een literaire stijl. Een man van standing beheert zijn landgoed, verdedigt in oorlogstijd zijn land, verovert provincies en behartigt de belangen van zijn beschermelingen. Literatuur is iets voor Griekjes. Iedere spreker deed alsof hij improviseerde. Zelfs in de achteraf grondig herziene edities van zijn redevoeringen handhaaft Cicero dit karakter van sprezzatura. Senaat noch rechtbank las de pleidooien of politieke redevoeringen na voordat er een besluit werd genomen. Politiek en juridisch handelen was een kwestie van spreken en luisteren.

Vreemd genoeg geldt het ook voor gerenommeerde schrijvers. Er is alle reden om ons af te vragen of de erudiete Plinius (23-79) en zijn gelijknamige neef ooit een boek lazen en in eigen persoon de pen hanteerden. Over zijn onvermoeibare oom, die bij de uitbarsting van de Vesuvius omkwam omdat hij uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid de vulkaan te dicht genaderd was, vertelt de jonge Plinius dat hij dag en nacht aan het werk was. Tijdens zijn siësta werd hij voorgelezen, tijdens de avondmaaltijd, zelfs wanneer hij een bad nam was er een secretaris die hem voorlas en noteerde wat hij dicteerde. Ging hij op reis of verplaatste hij zich per draagstoel door Rome, dan bevond zich permanent een geletterde slaaf in de buurt met een voorleesboek en een notitieboekje. Er viel geen minuut te verliezen.

Wat de jonge Plinius over zichzelf schrijft is al even tekenend:

Je vraagt hoe ik ’s zomers in Toscane mijn dagen doorbreng. Ik ontwaak wanneer het me uitkomt, meestal rond zonsopgang, soms eerder, zelden later. De vensters blijven gesloten, want het is wonderlijk hoezeer ik door de stilte en de duisternis wordt weggehouden van alles wat afleidt, en vrij en aan mezelf overgelaten volg ik niet met mijn gedachten mijn ogen, maar mijn gedachten met mijn ogen, die, zolang ze niet iets anders zien, zien wat de geest ziet. Ik denk na over wat ik onder handen heb, ik denk na over ieder woord alsof ik zit te schrijven en te verbeteren, de ene keer een kortere, dan weer een wat langere passage, naarmate ze moeilijker of gemakkelijker gecomponeerd en vastgehouden kan worden. Dan roep ik een secretaris, en na het daglicht toegelaten te hebben dicteer ik wat ik geconstrueerd had. Hij vertrekt, wordt weer teruggeroepen en weer weggezonden.

Een moderne lezer zal zich afvragen of het niet handiger kan, maar vermoedelijk zijn de belangrijkste werken uit de Oudheid op deze manier tot stand gekomen. Mensen die hun geheugen zo getraind hebben, kunnen inderdaad zonder pen en papier – mits er een goed opgeleide slaaf gereedstaat, uiteraard, want uiteindelijk moet er wel een boek komen.

Er is nog een ander merkwaardig verschijnsel dat de antieke omgang met teksten illustreert. In alle steden, op alle begraafplaatsen stonden vaak monumentale inscripties opgesteld, die echter zozeer van afkortingen aan elkaar hangen dat je gespecialiseerde kennis nodig hebt om ze te kunnen ontcijferen. Dat zal in de Oudheid nauwelijks anders zijn geweest dan tegenwoordig. Nog vreemder is het feit dat sommige inscripties werden aangebracht op plekken waar ze onmogelijk gelezen konden worden, bijvoorbeeld op hoge zuilen of op plaquettes in muren, maar dan op enkele meters hoogte. Blijkbaar was het helemaal niet de bedoeling dat ze gelezen werden. Wat telde was de omvang, de zichtbaarheid en de hoeveelheid lettertekens, want daaruit konden de macht en de rijkdom van de opdrachtgever worden afgeleid. Wat er stond deed er niet toe. Zo zijn we weer terug bij de functie van het koopcontract waarmee ik hierboven begon: de tekst als eerbiedwaardig, maar in zichzelf betekenisloos object.

Dat het geschrevene tovenaarsleerlingen kan kweken is gedurende de gehele Oudheid een gangbare gedachte gebleven, hetgeen nog versterkt werd toen de schrijvende elite in de vierde eeuw tot het christelijk geloof overging. Een gezaghebbend kerkvader als Augustinus hield zich intensief bezig met de vraag wat de christen zonder gevaar voor zijn zieleheil kon lezen. Zelf had hij immers aan den lijve ervaren hoe gevaarlijk het was Vergilius’ Aeneis te lezen, een gedicht dat volgens hem funeste emoties opriep. Zijn bezwaren doen denken aan Plato’s kritiek op Homerus: dichters kunnen op meeslepende wijze de grootste onzin uitkramen, en het is moeilijk je aan hun invloed te onttrekken. Toch hebben de christelijke scherpslijpers het pleit in zoverre verloren dat de heidense dichters gedurende de hele Middeleeuwen de kern van het schoolcurriculum bleven uitmaken.

In de loop van de vijfde eeuw zakte de infrastructuur van het West-Romeinse Rijk in elkaar. Ongeletterde stammen uit het Noorden drongen het rijk binnen, de economie stagneerde, er braken epidemieën uit en steden liepen leeg. Binnen een eeuw vervielen grote delen van Europa tot armoede. Voor zover er nog onderwijs werd gegeven, vond dat kleinschalig plaats in kloosters. Het werd weer iets uitzonderlijks te kunnen lezen en schrijven, zeker omdat het Latijn, in het Westen de enige taal met een schrift, een spelling en een grammatica, intussen een kunstmatige cultuurtaal was geworden, zonder native speakers. De drempel was hoog.

Opmerkelijk genoeg legden ook invloedrijke intellectuelen zich daarbij neer. Cassiodorus (487-580), die na een glansrijke bestuurlijke carrière in Ravenna en Byzantium in Zuid-Italië het klooster Vivarium stichtte, stelde een compendium samen waarin hij aangaf wat een christelijke lezer – lees: een monnik – van de klassieken moest weten. Weliswaar verwijst Cassiodorus naar werken van andere auteurs, maar aangezien daarvan toch bijna nergens meer handschriften beschikbaar waren, zagen velen zich voorlopig aangewezen op de informatie van Cassiodorus zelf. Om een indicatie te geven: waar Quintilianus (eind eerste eeuw) zevenhonderdvijftig pagina’s nodig heeft om de hoofdzaken van de retorica uiteen te zetten, meent Cassiodorus te kunnen volstaan met twee A-viertjes. Bisschop Isidorus van Sevilla (ca. 570-636), tegenwoordig beschermheilige van internet, stelde een universele encyclopedie samen die in moderne edities ongeveer achthonderd pagina’s beslaat; hier wordt de retorica in krap twintig pagina’s afgehandeld. Had een klooster dat werk in huis, dan beschikte men over alles wat men nodig had. Zeker, Cassiodorus en Isidorus hebben een heleboel kennis doorgegeven, maar hun samenvattingen hadden ook een averechts effect. Staat alles wat je moet weten in een handzaam overzicht, waarom dan nog de moeite nemen de hele Cicero en Quintilianus te kopiëren? En waarom zou een monnik eigenlijk iets anders moeten lezen dan een handvol bijbelteksten?

De omslag kwam anderhalve eeuw na de dood van Isidorus, toen Karel de Grote het onderwijs in zijn rijk fundamenteel hervormde en zo een ongekende impuls gaf aan de hernieuwde bestudering van de klassieken. Vrijwel al onze handschriften van antieke auteurs gaan terug op exemplaren uit de Karolingische periode. Na Karel de Grote is de schriftelijke erfenis van de Romeinse klassieken niet meer werkelijk in gevaar geweest. De uitvinding van de drukpers in de vijftiende eeuw stelde haar ten slotte beschikbaar voor vele duizenden nieuwe lezers.

Als we uit het bovenstaande één ding kunnen leren, is het wel dat lezen en schrijven geen vanzelfsprekende activiteiten zijn. Menige hoogontwikkelde beschaving is ontstaan en weer verdwenen zonder dat ze over een schriftcultuur van enige betekenis beschikte. Algemene alfabetisering is een uitzonderlijk en zeer recent verschijnsel. In het licht van de geschiedenis is het goed voorstelbaar dat we ooit weer tot de staat van schriftloosheid terugkeren. Ik vraag me af hoe erg dat is.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus en poëziecriticus. Hij doceert Latijn aan de Universiteit van Amsterdam en is redacteur van De Gids. In 2018 verschenen zijn dichtbundel Vloedlijnen en de essaybundel Grondwater.

Meer van deze auteur